Column: Vrijzinnig

3

Er is iets nieuws aan de hand in Nederland. Kerken vinden elkaar. Muren die eeuwenlang mensen gescheiden hielden, vallen weg. Veertig kerken en groepen tekenden een verklaring bij de herdenking van de Dordtse Synode van 400 jaar geleden. Het werd feestelijk gevierd daar in de Grote Kerk. Wie zou niet blij zijn?

Op het gevaar af als spelbreker te worden gezien heb ik toch wel vragen. Die verbondenheid – of zelfs in de ogen van sommigen: eenheid – wat stelt die eigenlijk voor? Ik kan me met veel mensen één voelen, bijvoorbeeld omdat ze ook Nederlander zijn en dezelfde taal spreken. Als je elkaar over de grens tegenkomt (hoe verder, hoe beter), dan ervaar je verbondenheid. Tegelijk zijn het soms mensen waarmee je je in Nederland totaal niet verwant zou voelen.

Wat stelt die verbondenheid eigenlijk voor?

Kerken zijn gebouwd op woorden, op het Woord van God. Dan is het heel belangrijk te weten wat iemand precies zegt en hoe die het bedoelt. Als dezelfde woorden worden gebruikt met een andere betekenis, kun je wel doen alsof je één bent, maar wat stelt die eenheid dan voor?

In Dordrecht waren ook vrijzinnige kerken vertegenwoordigd. Om te typeren wat ik daarmee bedoel: je wel christen noemen, maar niet geloven in Christus, waarachtig God en waarachtig mens, en in de verzoening door zijn bloed. En niet geloven dat de Bijbel gezag heeft, omdat God daarin spreekt. Niet geloven in de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden en in de opstanding van het lichaam. En nog veel meer. Je kunt dergelijke opvattingen uit de mond van ‘christelijke’ voorgangers regelmatig horen.

Kortgeleden las ik opnieuw het boekje van Gresham Machen, Christianity and Liberalism (uit 1923, makkelijk te vinden op internet). Het viel me op hoe actueel het is. Hij stelt dat vrijzinnigheid niet andere accenten legt, maar dat het een andere religie is. Men gebruikt christelijke woorden, maar bedoelt daar iets totaal anders mee. Ik vind het versluierend om te doen alsof je als orthodoxe christenen daarmee één bent. Verbonden als Nederlanders: oké, maar als gelovigen?


Geachte broeder Westerkamp,

U wilde geen ‘spelbreker’ zijn met betrekking tot de Nationale Synode. Maar u was het natuurlijk wel. Want er kon geen goed woord af. De verklaring van verbondenheid, die daar werd ondertekend vindt u maar zó, zó. Want daar waren ook vrijzinnige kerken (meervoud) bij betrokken. Jammer dat u die niet bij name noemt. Dan had u deze rechtstreeks en onverhuld kunnen aanspreken. Misschien was  u wel niet aanwezig in Dordt. Maar er is daar geen vrijzinnig woord gevallen. Centraal stond de belijdenis van Nicea. Niet vrijzinnig, toch? Die belijdenis werd fundamenteel besproken, helemaal gezongen en vormde het belijdende kader voor de verklaring van verbondenheid. Dat we in de gebrokenheid van het kerkelijke leven zover, tot in de belijdenis van de Vroege Kerk terug moeten gaan om nog enige verbondenheid uit te kunnen spreken is veelzeggend. Maar is dat ook niet hoopgevend?  Moeten we misschien toch niet daar beginnen? Misschien hebben u en ik – ik bedoel natuurlijk onze kerken – wel elementen laten liggen, die bij anderen uit die eeuwenlange traditie nog wel aanwezig zijn.

U weet precies wat vrijzinnig is. Maar weet u ook precies wat gereformeerd is? Probeer u dan eens, zoals Gerrit de Fijter deze Nationale Synode initieerde, eenzelfde synode samen te roepen van al die gereformeerde splinterkerken, voor wie deze synode een brug te ver was. Als het zo ver zou komen weet ik niet of er, bij een verklaring van verbondenheid, niet een columnist ter rechter zijde van u zou opstaan, die zou zeggen dat er ook vrijzinnige kerken aan deelnamen. Want vrijzinnigheid is een containerbegrip.

Ik heb toch bij voorbaat de nu uitgegeven verklaring van verbondenheid ook getekend.  En ik ben dankbaar gestemd uit Dordt vertrokken. In de hoop op meer, want zo gereformeerd wil ik wel wezen.
In verbondenheid, met hartelijke, broederlijke groet,

Jan van der Graaf
Huizen


Geachte broeder Van der Graaf,

Dank u wel dat u de moeite genomen heeft uw reactie op mijn column over ‘vrijzinnig’ te geven. Dat geeft me ook de gelegenheid te verduidelijken wat ik daarmee bedoel. In zo’n column heb je 350 woorden en kan je alleen wat prikkelen. Misschien staan we dichter bij elkaar dan u nu denkt.

U plaatst me in de hoek van ‘al die gereformeerde splinterkerken, voor wie deze synode een brug te ver was’ en even later verduidelijkt u dat door een stem ‘ter rechterzijde van u’ aan te voeren. Gewoonlijk zie ik mezelf niet als iemand in, als ik het zo mag zeggen: de zware hoek. Op het moment dat uw reactie mij onder ogen kwam stond ik op het punt af te reizen naar een conferentie over de Theology of the body van paus Johannes-Paulus II, waar ik de enige niet-protestant bleek te zijn. Vreemd genoeg voelde ik daar een verbondenheid die ik bij sommige protestanten mis.

Waarom daar wel? Omdat, ondanks alle dingen die mij bevreemden (aanroepen van Maria, aanbidding van de hostie, e.d) ik zie dat de harde kern van het geloof: Jezus God en mens, verzoening door zijn bloed, de Bijbel als gezaghebbend woord van God, de opstanding van het lichaam, e.d. daar beleden worden, ondanks alle eenzijdigheden of tekortkomingen die je daar (en waar niet?) ook aantreft.

U weet ook dat de dingen die ik zojuist noemde als behorend tot de kern voor een aantal ‘christenen’ (de aanhalingstekens zijn bewust) geen enkele rol meer spelen. Ze ontkennen ze stuk voor stuk glashard of bestrijden ze zelfs. U hoeft daarvoor niet ver te gaan: ze staan wekelijks op uw kansels (van de PKN). Gelukkig zijn er daarnaast ook veel PKN-gemeenten waar de Schrift trouw bediend wordt, daarover heb ik het nu niet.

Maar bent u het niet met me eens dat onze tijd een ‘waarheidscrisis’ heeft? Dat veel woorden niet meer de betekenis hebben die ze hadden? Om maar een voorbeeld te noemen: onder de noemer van naastenliefde gebeuren er vreselijke dingen die het leven kapot maken. Denk aan abortus, waar ‘de nood van de vrouw’ (welke ook maar, het komt niet uit met de vakantie bv.) komt in de plaats van het recht op leven van het kind. Ik zou andere voorbeelden kunnen noemen, maar als u mijn eerdere columns heeft gelezen kent u die al. De orthodoxe gelovige moet zich tegenwoordig verweren tegen wat genoemd wordt ‘hate speech’ als die nog durft op te komen voor normen die we niet zelf bedacht hebben, voor een waarheid die niet uit de mens is. En je mag van sommigen zeker niet zeggen dat je in de Weg, de Waarheid en het Leven gelooft die voor ieder mens geldt.

In mijn column stel ik dat de kerk gebouwd is op het woord. Ze hoort te zijn aanplakzuil van de Waarheid. Als we in de kerk niet zuinig omgaan met de betekenis van woorden, wie dan nog wel? Als je weet dat er kerken zijn waar het waarachtige woord van God en vrijzinnigheid gelijke rechten hebben, moet je daar dan over heen kijken en doen alsof je een bent? U vertegenwoordigt het orthodoxe geluid in de PKN en daar ben ik blij om. Ik weet niet of ik zelf als ik in uw kerk was opgegroeid, er uit zou zijn gegaan, dus ik verwijt u niks. Maar ik wil wel zeggen dat ik het voor mezelf onverantwoord zou vinden en een verraad van het evangelie om eenheid na te streven met vrijzinnigheid, of een kerk die daaraan gelijke rechten geeft. Je hoort soms: ‘ook van vrijzinnigen kan je leren’. Ja dat zal waar wezen, ik kan ook van boeddhisten of van atheïsten nog wel wat leren, het kunnen voorbeeldige mensen zijn en diepe denkers. Maar vertel me niet dat we eigenlijk een horen te zijn, behalve in sociale zin, als leden van het menselijk geslacht, of van dezelfde samenleving.

U heeft de verklaring van verbondenheid van harte ondertekent. Als u dat gedaan heeft als privépersoon, met andere privépersonen, geen probleem. Dan had ik ook wel willen tekenen. Maar ik ga ervan uit dat het zo niet bedoeld was, en dat er als kerken en vertegenwoordigers van kerken een stap gezet werd. En dan denk ik: een stap naar wat? Nog meer verhulling van de waarheid? Nog meer emo-geloof? Zou je niet eerst willen weten dan, wat zo’n handtekening namens een kerk inhoudt? Er zijn kerken die elke week om historische redenen de geloofsbelijdenis opzeggen, en daar ondertussen geen snars meer van geloven, blijkens wat ze verder zeggen en de moraal die ze uitdragen. Is dat niet een aanfluiting en een belediging van God? Wat moet ik aan met deze woorden van de website van een van de kerken die tekenden: “Wij geloven in Jezus, een van Geest vervulde mens, het gelaat van God dat ons aanziet en verontrust.

Hij had de mensen lief en werd gekruisigd maar leeft, zijn eigen dood en die van ons voorbij. Hij is ons heilig voorbeeld van wijsheid en van moed en brengt ons Gods eeuwige liefde nabij.” Punt, dat is alles wat er over Hem gezegd wordt. Is dat de taal van Nicea? En alsof dat nog teveel is lees ik vervolgens op dezelfde website: “Wij vinden dat geloof begint bij jou. Met de dingen die je meemaakt en de vragen die hierop volgen. Met de mensen die je ontmoet en de gesprekken die je hebt. Als geloof bij jou begint, dan is het ook van jou. Mag je er een eigen mening over hebben. Dingen ter discussie stellen. En zelfs de vrijheid nemen om niet alles te geloven.”

Zelf heb ik aan de oorsprong gestaan van de Nederlandse afdeling van de kerkelijke vernieuwingsbeweging New Wine (van oorsprong uit de Anglicaanse kerk) en daar ook jaren leiding aan gegeven. We kregen op onze conferenties en predikantenretraites mensen van alle mogelijke achtergronden, de volle breedte van kerkelijk Nederland. Ik ben daar blij mee, als het betekent dat mensen afkomen op het evangelie van Jezus Christus, gestorven en opgestaan, die nu zijn Geest wil geven aan wie God daarom bidden en waar nog zoveel meer over te ontdekken is. Als het zou betekenen, dat mensen zo’n conferentie bezoeken voor een weekje ontspanning, maar waar de waarheid over Jezus niet zo belangrijk meer is, ‘geef mijn portie dan maar aan fikkie’ (om nog eens een vrijzinnige uit de oude doos te citeren).

Ik hoop dat dit een en ander verduidelijkt. U zegt over mij: ‘u weet precies wat vrijzinnig is.’ Ik zou benieuwd zijn, of u dat ook weet en of u het met me eens bent, dat dat een totaal andere religie is, die met het christelijk geloof niets meer van doen heeft (behalve de woorden dan).

Ik wil u ook groeten met dezelfde woorden, die u gebruikte: in verbondenheid.

Met vriendelijke groet,

Dick Westerkamp


Geachte broeder Westerkamp,

Of ik ook weet wat vrijzinnig is? Daarmee eindigt u uw weerwoord op mijn brief aan u. Dat is toch geen vraag?! Ik denk dat ik er meer mee in aanraking geweest ben dan u. In mijn eigen kerk namelijk. Ik meen te mogen zeggen dat niet alleen onderkend te hebben, maar ook te rechter tijd te hebben bestreden. De oude, militante negentiende-eeuwse vrijzinnigheid, met notoire loochening van alle heilsfeiten, is overigens nauwelijks meer te ontwaren. Maar vrijzinnigheid steekt in openlijke of verhulde vormen altijd weer de kop op, ook daar waar men het niet zou verwachten.

Maar nu ter zake. Ik nodigde u uit de kerken (meervoud) te noemen, die u als vrijzinnig typeerde. U voert een citaat op zonder aan te geven om welke kerk het hier gaat. Maar als u dan toch een kerk concreet bij name noemt, dan is het de Protestantse Kerk in Nederland. U zegt het niet expliciet, maar bedoelt u dan dat deze kerk vrijzinnig is? U spreekt over ‘een aantal christenen’ , tot op ‘uw kansels (van de PKN’, die ‘de harde kern van het geloof’, zoals u en ik die belijden, ‘glashard loochenen’). Maar dat aantal christenen valt toch niet samen met de kerk?

Ik vraag u de grondslag van de Protestantse Kerk nader te bezien. Betrokken in Gods toewending tot de wereld, belijdt de kerk in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als enige bron en norm van de kerkelijke verkondiging en dienst, de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest; en dat alles ‘in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht’, nader omschreven in oudchristelijke tot en met de gereformeerde belijdenisgeschriften. Daar is toch niets vrijzinnigs aan?

U zult misschien zeggen: maar nu de uitwerking. U herinnert zich misschien, dat prof. dr. C. J. den Heyer, inderdaad ‘glashard’ de verzoening door voldoening, het hart van het christelijk geloof, loochende. Maar wat geschiedde? Er kwam een niet onduidelijke, ondubbelzinnig belijdende boodschap van de kerk inzake de verzoening, Jezus Christus, onze Heer en Verlosser (2000). Daarmee werden vrijzinnige stemmen weliswaar niet uitgebannen maar wel expliciet weersproken. U zegt – en dat waardeer ik – dat er gelukkig ‘ook veel PKN-gemeenten zijn waar de Schrift trouw bediend wordt’. Maar dat is te weinig. U mag de PKN aanspreken op haar grondslag en op haar spreken. Het treft mij overigens wel, dat u het mogelijk acht dat u tot de PKN – liever voluit: de Protestantse Kerk in Nederland – zou blijven behoren als u erin zou zijn opgegroeid. Welnu, daarin stemmen wij dan samen.

U geeft intussen aan dat u verbondenheid had met ‘Rome’. Inzake de punten die u noemt val ik u van harte bij. Maar dat nu bevreemdt mij toch ook wel, in zoverre namelijk, dat Rome als kerk, vanwege haar ecclesiologie dunkt me verder van u af staat dan de protestantse kerken, die op de Nationale Synode hun verbondenheid tot uitdrukking brachten. Trouwens, hoeveel ‘vrijzinnigheid’ is er ook niet onder de vleugels van de Rooms-Katholieke Kerk? Is er dan in uw optiek twee soorten verbondenheid?

Het uitspreken van ‘verbondenheid’ is bovendien nog geen uitspreken van eenheid. Bij de verklaring van verbondenheid op de Nationale Synode is uitdrukkelijk ook gesproken van ‘grote verschillen’. Daarom denk ik, dat u ook best deze verklaring had (zou) kunnen ondertekenen, evenals delegaties en afzonderlijke leden van uw kerk en belendende kerkelijke denominaties dat hebben gedaan. Rest nog de vraag, die ik eerder stelde, of u zo’n ‘nationale’ synode zou kunnen initiëren voor de versplinterde ‘gereformeerde gezindte’, een benaming trouwens die de verschillen verhult.

Intussen: we spreken elkaar in deze briefwisseling aan als broeders. Die aanduiding is vooral gelegen in een kennelijk gelijkgestemde overtuiging inzake de kernen van het christelijk geloof, uitdrukkelijk beleden binnen onze gemeenschappelijke gereformeerde traditie.

Met broederlijke groet,

Jan van der Graaf

Nog geen abonnee van magazine OnderWeg? Meld je aan voor een gratis (digitaal) Proefabonnement en probeer 3 maanden OnderWeg.

Delen.

Over de auteur

Dick Westerkamp is emeritus predikant van de Lichtboog (NGK) in Houten.

3 reacties

  1. E.P. Meijering op

    Misschien wil collega Westerkamp her laatste nummer van het blad van de remonstranten Adrem raadplegen, Daarin staan een gedachtewisseling over de Nationale Synode en een beschouwing over de bijeenkomst in Dordrecht.

    E.P. Meijering, lid van de Remonstrantse Broederschap en gastlid van de GKv te Oegstgeest

    • Dick Westerkamp op

      Geachte collega Meijering,
      Dat is treffend. Juist vorige week las ik uw boek Het roer moet om. Grotendeels met instemming. Het maakte dat ik ook Onmodieuze theologie weer eens opzocht in mijn boekenkast.
      Ik heb een proefnummer van Ad Rem aangevraagd.
      Met vriendelijke groet,
      Dick Westerkamp

  2. Anne van der Sloot op

    Geachte collega Westerkamp,
    Hieronder enige gedachten die bij het lezen van de briefwisseling tussen Van der Graaf en u bij mij boven kwamen:
    In de briefwisseling met Westerkamp schrijft Van der Graaf in zijn eerste brief: ‘’Centraal stond (in de Verklaring van de zgn. Nationale Synode 2019) de belijdenis van Nicea. Niet vrijzinnig, toch? Die belijdenis werd fundamenteel besproken, helemaal gezongen en vormde het belijdende kader voor de verklaring van verbondenheid. Dat we in de gebrokenheid van het kerkelijke leven zover, tot in de belijdenis van de Vroege Kerk terug moeten gaan om nog enige verbondenheid uit te kunnen spreken is veelzeggend. Maar is dat ook niet hoopgevend? Moeten we misschien toch niet daar beginnen? Misschien hebben u en ik – ik bedoel natuurlijk onze kerken – wel elementen laten liggen, die bij anderen uit die eeuwenlange traditie nog wel aanwezig zijn.
    Opvallende woorden zijn dit voor een oud-secretaris van de Gereformeerde Bond. Is dit het nieuwe zicht op het werk van de Heilige Geest in de totstandkoming in de loop van de eeuwen van de Drie Formulieren van Eenheid? Zelf heb ik altijd gemeend, dat de gereformeerde belijdenisgeschriften, die ontstaan zijn in de 16e en 17e eeuw (en die via het slot van Art. 9 NGB expliciet instemmen met de belijdenis van de vroege kerk) te maken hadden met de apostoliciteit van de kerk. De kerk van de Reformatie wist zich geroepen om tegenover allerlei dwaalleer de banier van de Waarheid hoog te houden. Omdat ze ervan doordrongen was, dat tot het wezen van de kerk volgens Efeze 4 behoort, dat de volwassenheid en groei van de gemeente daarin bestaat, dat zij niet meer door alle wind van leer wordt hen en weer bewogen. Maar als ik Van der Graaf goed begrijp, doen er vandaag beter aan om erover heen terug te grijpen op de belijdenis van de vroege kerk.
    In zijn tweede brief schrijft Van de Graaf m.b.t. het onderwerp ‘vrijzinnigheid’ aan Westerkamp: “U herinnert zich misschien dat prof. dr. C. J. den Heyer inderdaad „glashard” de verzoening door voldoening, het hart van het christelijk geloof, loochende. Maar wat geschiedde? Er kwam een niet onduidelijke, ondubbelzinnig belijdende boodschap van de kerk inzake de verzoening, ”Jezus Christus, onze Heer en Verlosser” (2000). Daarmee werden vrijzinnige stemmen weliswaar niet uitgebannen, maar wel expliciet weersproken.”“
    Bij de woorden ‘’niet onduidelijk, en ondubbelzinnnig’’ stel ik toch wel een vraag! In mijn boek Samen Gereformeerd. Het Licht op Groen. (Ipenburg -Elburg 2019, 137-138) komt de synodale verklaring van 2000 ook ter sprake. Daarin heb ik eerst weergegeven in welke toestand het gereformeerde protestantisme in ons land verkeert. Snoek geeft hiervan een helder beeld in zijn boek Van huis uit protestant. Hoe de leer verdampte en het geloof veranderde, dat in 2015 verscheen. In het hoofdstuk getiteld ‘Jezus: de Zoon van God verandert in een mens.’ (p. 109-126) laat hij ook zien, waartoe de opmars van het ariaanse gedachtegoed dat de vrijzinnigheid voorstaat geleid heeft: Jezus is voor velen niet meer dan een vrome Jood! Hoe ernstig is dit!
    Maar ondanks deze ernst, zo ga ik dan in mijn boek verder, “wordt in het synodaal geschrift Jezus Christus, onze Heer en Verlosser (van ….) niet ondubbelzinnig verwezen wordt naar wat het kerkelijk belijden over de Persoon van Jezus zegt in het slot van Artikel 10 NGB: “Zo is Hij dan de ware, eeuwige God, de Almachtige, die wij aanroepen, aanbidden en dienen.” Wel wordt terecht het verwijt van Kuitert afgewezen, dat het kerkelijke belijden van Jezus een tweede God zou hebben gemaakt. Ook wordt terecht Jezus het Woord van God genoemd, waarvan in Joh. 1:1 staat, dat het bij God is en Gods is. En terecht wordt beleden dat God nooit zonder Jezus en Jezus nooit zonder God is geweest en dat Jezus het eeuwige Woord van God is, de Zoon van God, die de menselijke bestaanswijze heeft aangenomen. Maar opvallend is, dat niet wordt gezegd, dat Jezus als de tweede Persoon van het Goddelijke Wezen waarachtig God is. Sterker er staat zelfs te lezen: “Jezus ‘is’ niet God, Hij is de Zoon van God en in die zin goddelijk.’’ Maar… Jezus is toch geen tweede(rangs) God?! Een verwijzing naar het slot van Artikel 10 NGB mist hier node.
    Over het werk van Jezus kan iets soortgelijks gezegd worden. Terecht wordt tegenover Den Heijer, Kuitert en Wiersinga het kerkelijk belijden gehandhaafd, dat Chris¬tus’ bloedstor¬ting noodza¬ke¬lijk is voor de ver¬zoening van God met mensen. Evenwel wordt tegelijk uitgesproken, dat Je¬zus’ of¬fer niet let¬ter¬lijk op¬ge¬vat moet wor¬den als een of¬fer waar¬door Gods toorn over onze zon¬den wordt gestild (=genoegdoening). In dat verband wordt forse kritiek op de Zondagen 5 en 6 HC geleverd, omdat daarin zou worden geleerd, dat God pas barm¬hartig kan zijn na het ont¬van¬gen van deze betaling of genoegdoe¬ning. Maar, zo stelt het geschrift, God heeft geen genoegdoening nodig. De spits is op de mens gericht: God heeft in Christus het offer ter verzoe¬ning gebracht. Het antwoord is nu aan de mens, want alleen of¬fers –voor ons het offer van Chris¬tus- die vergezeld gaan met be¬rouw en beke¬ring brengen ver¬zoening met God. Dit roept wel vragen op: 1. ‘Maar kunnen wij, mensen, die in zonde ontvangen en geboren zijn, uit onszelf met God in vertrouwen een relatie aangaan? 2. Kan God pas barm¬hartig zijn na het ont¬van¬gen van ‘ons antwoord’?!’ Was hier geen verwijzing naar DL II, 8 op zijn plaats geweest, waar beleden wordt, dat ‘ons antwoord’, te weten het geloof in Christus’ deel uitmaakt van de reddende gaven van de Heilige Geest, die Christus door zijn offer heeft verworven, en die Hij aan de zijnen schenkt?’ En was het eveneens niet op zijn plaats geweest te verwijzen naar Artikel 21 NGB, waar onbekrompen wordt beleden, dat er al sprake is van ver¬zoe¬ning tus¬sen God en mensen in Christus Jezus door de volkomen genoeg¬doe¬ning aan Gods recht door diens bloedstor¬ting aan het kruis? En belijdt juist Zondag 6 HC niet, dat Christus ons door God is geschonken tot een volkomen verlossing? ‘’
    Het getuigenis ‘’niet onduidelijk, ondubbelzinnige” dat van Van der Graaf geeft van het betreffende geschrift uit 2000 van de zgn. Trio-synode -de synode die aan de basis staat van de vorming van de PKN- gaat aan nogal wat zaken voorbij. M.n. heeft Van der Graaf over het hoofd gezien, dat de belijdenis van de particuliere genade, waaraan de uitverkorenen hun eeuwig behoud te danken hebben, daarin geen stem heeft gekregen. De hoofdredactie van het dagblad Trouw is beter op de hoogte is van de situatie binnen de PKN. De redactie schrijft (13-05-2019) : “de vrijzinnigheid die de remonstranten eigen is, en die door orthodoxe PKN-‘ers wordt gevreesd, bestaat allang binnen de PKN.” Ze doen er een advies bij: ‘’Laat de Dordtse Leerregels gewoon staan voor wie ze belangrijk vindt, negeer ze als ze ergernis opwekken. En zoek naar wat verbindt in plaats van naar wat scheiding brengt.‘’
    Inderdaad, dat is precies de gang van zaken geweest binnen de Hervormde Kerk i.c. de Protestantse Kerk in Nederland. De ‘midden-orthodoxe’ hervormde prof. dr. Hendrik Berkhof schreef al in zijn boek ‘’De katholiciteit der kerk” (1962), dat in gereformeerde traditie een miskenning van Christus’ katholiciteit plaatsvond en wel door de ‘leer dat Christus’ verzoenend sterven niet voor de gehele mensheid, maar alleen voor de uitverkorenen is bedoeld.’ Dan verwijst Berkhof in zijn boek op p. 93 expliciet naar D.L II,8. Het synodale geschrift in 2000 is in Berkhofs voetspoor verder gegaan, door eveneens van Gods particuliere genade geen gewag te maken. Bijzonder, dat de Here Jezus die genade van God in Zijn gebed wel weet te prijzen: “Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij dezen dingen voor wijzen en verstandigen veborgen hebt, doch aan kinderkens hebt geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het welbehagen geweest voor U” (Matt.11: 25 en 26).
    Met vriendelijke groet,
    Anne van der Sloot