Begin van Genesis – geschiedenis?
- Opinie
Ik geloof dat het begin van de Bijbel fundamenteel is. Niet voor niets opent de Bijbel met deze hoofdstukken. Is het begin van de Bijbel geschiedenis in onze westerse zin verstaan? Dat is de vraag in het artikel van collega Ulbe van der Meer (‘De slang heeft niet gesproken’, Onderweg, mei 2026) en de reacties daarop in het nummer van juli 2026. Waarbij geschiedenis vooral betrekking heeft op feiten en concrete gebeurtenissen. Dan kun je aan de ene kant of aan de andere kant uitkomen, al dan niet met voorzichtigheid en nuances.
In de artikelen ligt de focus op de zogeheten ‘zondeval’ – een woord dat de Bijbel niet gebruikt overigens – en op de slang die spreekt. Ik denk dat je de teksten van de sprekende slang alleen goed kunt verstaan in het verband waarin zij staan. En dat wil zeggen in het verband van de hoofdstukken 1 – 11 van Genesis. In dit artikeltje beperk ik mij tot iets uit de hoofdstukken 1 en 2.
De aard van Genesis 1
In Genesis 1 valt mij van alles op. Om slechts een paar zaken te noemen:
- De schepping wordt op een eenvoudige wijze verteld; zo anders dan het ingewikkelde verhaal van evolutietheorieën.
- De vormgeving is naar mijn inzicht niet te scheiden van de inhoud. Een paar voorbeelden. De naam of titel ‘God’ wordt precies 35x genoemd. Dat is 7 x 5, het getal van de volheid maal de boeken van de Thora. Precies 10x neemt God het woord. Op de dagen 4, 5 en 6 krijgt wat op de dagen 1, 2 en 3 geschapen is zijn invulling. Deze manier van vertellen is niet maar een vorm, die je van de inhoud kunt afwikkelen. Het is niet de boerenkool in de aardappelen, die je met moeite van elkaar kunt afhalen. Het is de thee waarin je suiker hebt geroerd. Wat is dan de thee, wat is de suiker?
- Als je alles letterlijk neemt zoals wij in ons westers-historische denken zaken vaak letterlijk opvatten, kom je er niet uit. Dat heeft niet te maken wat mij betreft met gebrek aan geloof in wat God kan doen, maar wel met wat de bedoeling van de heilige teksten is. Genesis 1 spreekt onbekommerd over de schepping van het licht op de eerste dag, terwijl de schepping van zon, maan en sterren (‘twee grote lichten en de sterren’) pas op de vierde dag plaatsvindt. Net als wij wist Israël dat het licht van zon en maan komt. Hoe vielen de eerste drie dagen en avonden zonder zon en maan te onderscheiden van de dagen daarna? De tekst roept bij de meest eenvoudige bijbellezer zulke vragen op. Dit – en er zijn meer voorbeelden te noemen – is een sterke aanwijzing dat het niet gaat om informatie, om geschiedenis in onze zin, maar om verkondiging. Het gaat niet om ‘ooit’, ‘lang geleden’, maar om nu. De Bijbel wil, ook en juist in de eerste hoofdstukken, ons aanspreken in ons leven hier en nu.
- Onbekommerd vertelt Genesis 1 wat het vertelt. Wanneer dit alles gebeurde? ‘In het begin’. Sommigen vertalen: ‘In een begin.’ Wanneer dat begin was? Daar gaat het de verteller niet om. Het is onbepaald en mede daardoor, ondanks de schijnbare eenvoud, mysterieus.
‘Als je alles letterlijk neemt zoals wij in ons westers-historische denken zaken vaak letterlijk opvatten, kom je er niet uit.’
De oorsprong van het kwaad
Begon het kwaad met de slang en diens spreken? Ik denk van niet. Het tweede zinnetje van de Bijbel is uitermate intrigerend. ‘De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.’ Hier roept de tekst bewust de vraag op: Is de woeste en doodse aarde, de duisternis, de oervloed, door God geschapen of niet? Schept God iets dat niet goed is?
De woorden duiden immers iets unheimisch aan. Je krijgt het beeld aangereikt van de verschroeide aarde; vergelijk Jeremia 4:23, waar deze woorden duiden op een toestand van chaos en verwarring na een oorlog. Als God dit niet geschapen heeft, hoe zit het dan? Is er dan een tweede of zelfs eerste god? Ook hier, zo concludeer ik, gaat het om iets anders dan informatie over hoe het was en hoe dat zo kwam. Het gaat over onze wereld, ‘een barre, bijstere wereld’ (Willem Barnard).
‘Het gaat over onze wereld, ‘een barre, bijstere wereld’.’
Daarmee kom je erbij uit dat het beeld van een paradijselijke wereld niet klopt. Kwam het kwaad in de wereld door Adam en Eva? De slang verleidde hen? Hoe kwam hij daartoe? En hoe kwam de mens ertoe om op de verleiding in te gaan? De slang trouwens, dat staat nadrukkelijk in de tekst, behoorde tot de dieren die God de HEER gemaakt had. Steeds hoor je in Genesis 1 dat God zag wat Hij gemaakt had en dat het goed was – hier hoor je dat niet.
Hoe raadselachtig ook, de opstand tegen God zit er vanaf het begin in. ‘Woest en doods’, zo was de wereld die God aantrof. God neemt er geen genoegen mee. Dat lees je in de eerste woorden. Dat mogen we ook horen in het verhaal van de ‘zondeval’. Het kwaad is er en is een bitter raadsel en de HEER weet er raad mee. Ik krijg op z’n minst de indruk dat de Bijbel zelf zich hier niet druk maakt over wat er waar en hoe en wanneer precies is gebeurd. Adam heet ook niet toevallig ‘adam’, mens betekent dat, aardling.
Dat het niet zozeer om geschiedenis gaat, zie je ook in het tussenliggende hoofdstuk, Genesis 2. Daar wordt onder andere de schepping van de mens verteld. En wel heel anders dan de eerste keer in Genesis 1. Als je de beide teksten letterlijk neemt, in de zin nogmaals van feiten, dan zijn ze tegenstrijdig.
Geschapen uit stof = sterfelijk
Daarbij komt nog iets. God de HEER vormde de mens uit stof, zo vertelt Genesis 2. ‘Dus sterfelijk’ zo schrijft Van Bekkum terecht. Hij verbindt er de vraag aan of kwaad en dood – als geestelijke dood en straf op het bezwijken voor de verleiding – van meet af aan bij de schepping horen. Of zijn ze erbij gekomen? Volgens van Bekkum stellen Genesis en Paulus het laatste. Hij vindt de aarzeling daarover vandaag de dag begrijpelijk, maar benoemt het ‘risico’. Dat ‘risico’ is er, maar het getuigt m.i. van eerlijkheid om het ‘risico’ te laten staan. Paulus leest blijkbaar de eerste hoofdstukken van de Bijbel anders dan wij. Dat heeft ons zeker wat te zeggen, heel wat. Tegelijk hebben wij vandaag ook een eigen verantwoordelijkheid om de teksten uit te leggen zoals wij ze ontvangen en verstaan.
Ik heb ook wel eens de wat mij betreft terechte opmerking gehoord dat Paulus niet zozeer de Bijbel zoals hij die had uitlegt, maar gebruikt. Zie hoe hij de oorsprong van de zonde in Romeinen 5 bij Adam legt en in 1 Timoteüs 2 bij Eva. Zo’n manier van gebruiken, van uitleggen, is legitiem, maar hoeft toch niet de enige manier te zijn? Volgens mij moeten we allereerst de teksten zoals we die ontvangen serieus nemen, die goed proeven, tot ons nemen en zoeken wat ze ons willen zeggen. Laat de eigenheid van iedere tekst staan, ook als die niet of minder goed correspondeert met andere bijbelteksten. Dat is dan het probleem – als het al een probleem is – van de systematische theologie. Maar laat alsjeblieft iedere tekst voor zichzelf mogen spreken en niet eerst door de mal van een (goede) dogmatiek hoeven te gaan.
‘Je voelt aan alles dat we geen oplossing krijgen van de puzzel naar de oorsprong van het kwaad.’
Er zijn meer aanwijzingen dat het kwaad al voor de ‘zondeval’ aanwezig was. God de HEER brengt de mens in de tuin van Eden, ‘om die te bewerken en erover te waken.’ Logisch is de vraag: waartegen moet de tuin beschermd worden, waarvoor is waken nodig als er geen kwaad in de wereld op dat moment is? De tekst zelf geeft trouwens meer aanwijzingen voor aanwezigheid van kwaad of op z’n minst dat niet alles goed is. Nadat in Genesis 1 vele malen het ‘goed’ van God heeft geklonken, en je aan een paradijselijke wereld zou kunnen denken, hoor je in Genesis 2 dat Hij denkt: ‘Het is niet goed dat de mens alleen is.’ Zo goed was het dus blijkbaar allemaal niet. En dat niet op een bijkomend, maar op een wezenlijk punt: het bestaan van menselijke relaties.
En dan verschijnt de slang op het toneel. Hiermee wordt het mysterie van het kwaad ‘ver-woord-baar’, maar niet verklaarbaar. Er is duidelijk afstand tussen de slang en God. Tegelijk is het kwaad geen macht buiten God om. De slang is immers dus gemaakt door Hem! Je voelt aan alles dat we geen enkele verklaring krijgen voor het verschijnsel van het kwaad, geen oplossing van de puzzel naar de oorsprong van het kwaad. Het is er, bitter genoeg. Wat wil het trouwens zeggen dat God de HEER direct na de opstand van de mens dierenvellen heeft en geeft? Dat klinkt toch ook niet echt paradijselijk?
Concluderend: Genesis heeft een heel eigen stijl om te verkondigen, om ons God de HEER en ons mensen voor ogen te stellen. Er kan een oergeschiedenis aan ten grondslag liggen, maar die blijft verborgen in de mist. Minder concreet misschien dan wij zouden willen, maar niet minder sprekend, integendeel.
Ds. Mark Janssens is predikant in bijzondere dienst van de NGK Zeist (geestelijk verzorger Groene Hart Ziekenhuis Gouda) en studentenpastor TUU.



