Martine Versteeg, van ongelovige rebel tot gepassioneerde jeugdwerker

Annemarie van den Berg-Nap | 10 september 2022
  • Interview
  • Ontmoeting

Als rebellerende domineesdochter had Martine Versteeg nooit gedacht dat ze ooit jeugdwerker zou worden. En dan ook nog een met een grote passie voor de lokale kerk. ‘Dat vind ik nou humor van God.’ Een gesprek met Martine over haar eerste jeugdjaren in Indonesië, de lastige tienerperiode waarin ze gepest werd en hoe ze haar geloof in God én de kerk hervond.

Martine Versteeg (1981) werkt sinds 2018 als relatiemanager Kerk & Jeugd voor MissieNederland. Ze werkte als eindredacteur mee aan het boek Samen Jong dat onlangs is verschenen. Ze is getrouwd met Marco en moeder van een zoon en een dochter. Het gezin bezoekt de Protestantse Gemeente Odijk.

(Beeld MissieNederland/Aron Bagel)

Aan de eerste achtenhalf jaar van haar leven heeft Martine warme herinneringen. Haar vader werkte als predikant op Sulawesi en was betrokken bij een onderwijsproject waar kansarme jongeren een beroep konden leren. ‘In de eerste jaren gaf mijn moeder ons thuisonderwijs, want ze is kleuterjuf. Als mijn vader op veldbezoek ging naar een bergdorp waar mensen tot geloof waren gekomen, mochten we af en toe mee. Dat waren echte avonturen, want dan moet je denken aan een reis van zo’n drie dagen naar moeilijk bereikbare gebieden. Dus dan reden we het eerste stuk met de auto, om daarna een deel op de rug van een paard verder te reizen en tot slot ook nog te voet. Rond mijn zevende jaar ging ik – net als mijn oudere broer en zus – naar een internaat op Java. Ik werd ondergebracht bij een Amerikaans gezin. Het was allemaal heel beschermd. Ik droeg een rok, vloeken was uit den boze. Hoewel ik mijn ouders alleen in de zomer en met kerst zag, heb ik mij nooit tekortgedaan gevoeld. Het scheelde ook dat ik samen met mijn broer en zus op Java was.’

Rebel

Toen het zendelingengezin terugkeerde naar Nederland, brak een lastige tijd aan voor Martine. ‘We gingen in Zeist wonen. Tussen mijn welgestelde klasgenoten met merkkleding was ik nogal een vreemde eend in de bijt. Eentje die bovendien, door de veilige bubbel waarin ik had geleefd, niet geleerd had om voor zichzelf op te komen. Dat maakte mij een makkelijke prooi voor pesters. Dat pesten heeft me in sterke mate gevormd. Toen mijn vader werd beroepen in Drachten, voelde dat voor mij echt als een verlossing. In Drachten zou ik een nieuwe start kunnen maken. Vanaf dat moment ben ik heel bewust gaan werken aan mijn imago, mijn uiterlijk en hoe ik me gedroeg. Het was eigenlijk een soort pantser.’

In die periode bloeit Martine op, al maakt ze zich tegelijkertijd steeds meer los van het geloof van haar ouders en van de kerk. ‘Ik zeg weleens grappend: domineeskinderen kunnen in hun pubertijd twee kanten opgaan. Of ze worden heilige boontjes, of ze worden rebels. Dat laatste gold voor mij. Ik ging schoppen tegen het geloof en de kerk, zeker als begin twintiger. Na mijn middelbare school ging ik een opleiding tot docent creatieve vakken doen. Ik had een leuke vriendenkring opgebouwd, plezier in mijn studie en werkte achter de bar in een disco. Ik had mijn leven op de rit en had God helemaal niet nodig.’ Wat het extra lastig maakte, was dat haar vader, vanuit zijn visie en roeping als opbouwwerker, vaak koos voor gemeenten waar veel nog in de steigers stond. ‘In deze gemeenten was vaak niet eens jeugdwerk. Hierdoor had ik helemaal geen aansluiting of vrienden in de kerk.’

Christelijk jasje

Dat Martine het lijntje met God niet helemaal losliet, kwam ook doordat haar ouders haar lieten kennismaken met de Charismatische Werkgemeenschap Nederland. ‘Bij CWN zag ik kampleiding die wel stoer en leuk was en humor had. Ik wilde me als tiener identificeren met aantrekkelijke en populaire mensen. Die kon ik absoluut niet in de kerk vinden. Ik voelde me zo thuis bij CWN dat ik vanaf mijn zestiende zelfs ging meedraaien als staf bij jeugdkampen. Dat was eigenlijk best vreemd, want het geloof zei me in die tijd niks. Als ik hieraan terugdenk, trok ik bij het CWN tijdelijk een soort ‘christelijk jasje’ aan, zonder dat het geloof me echt raakte of invloed had op mijn dagelijkse leven. Dat herken ik ook wel in tieners van tegenwoordig. Dan leiden ze bijna twee verschillende levens en kunnen ze op een bepaalde plek helemaal ‘in de Heer’ zijn, terwijl ze er op een andere plek niks mee doen.’

Het hele artikel? Neem een (proef)abonnement op magazine OnderWeg en ontvang inloggegevens voor de website.

U moet u inloggen om dit artikel te bekijken. Inloggen om toegang te krijgen.
Over de auteur
Annemarie van den Berg-Nap

Annemarie van den Berg-Nap is journalist en cultureel antropoloog.

‘De afgod van de jeugd blijkt een zeepbel’

‘De afgod van de jeugd blijkt een zeepbel’

Koos Tamminga
  • Opinie
  • Thema-artikelen

Reageer op dit bericht

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief