Misschien heeft men in deze streken geen ontzag voor God…
- Leespreek
In de rubriek leespreek publiceren wij een preek geschikt voor persoonlijke meditatie, ter bespreking op een Bijbelstudiekring of voor gebruik in de eredienst. In het laatste geval dien je altijd eerst contact met de auteur op te nemen om toestemming te verkrijgen. Bij deze preek is een PowerPointpresentatie beschikbaar die je kunt opvragen bij de auteur.
Deze preek van dr. Jos Colijn heeft een spannend onderwerp dat de gemoederen verhit: migratie. Aan de hand van het Bijbelse verhaal over Abraham en Sara die in Gerar een veilig heenkomen zoeken, laat Colijn zien dat er geen gemakkelijke antwoorden zijn als het over migratie gaat. Nee, Genesis 20 gaat niet over onze migratieproblematiek, maar er valt wel veel te leren over onze positie als vreemdeling op aarde en de manier waarop we omgaan met vreemdelingen bij ons in de straat.
Schriftlezing: Genesis 20
[streamer:] Migrant zijn, vreemdeling zijn – het is altijd dolen en dwalen.
[streamer:] In die streken heeft men geen ontzag voor God: ze hebben daar losbandige gayprides, vrouwen werken als prostituee.
[streamer:] We mogen Gods zegen doorgeven, juist in ons eigen land, waar vaak geen ontzag is voor God en waar mensen vaak alleen voor eigen comfort en gewin lijken te gaan.
Migratie – het is een belangrijk en ingewikkeld thema in onze tijd. Het verdeelt mensen. Onze vorige regering is erop gestrand. De spreidingswet voor opvang van vluchtelingen geeft verdeeldheid – geweld in Loosdrecht – en in de meeste gemeentes staan lang niet alle mensen te springen om een nieuwe opvangplek voor asielzoekers. Migratie – dan gaat het over vreemdelingen. Vreemdelingen – het kan je soms bang maken: andere kleur, andere geur, andere taal, ander eten, andere muziek, andere religie. En voor die migranten zijn wij als witte Nederlanders natuurlijk maar rare tatta’s, vreemdelingen.
Gelukszoekers
Migratie – dat gaat over vreemdeling worden. Je laat je familie achter, je vrienden, je eigen vertrouwde omgeving, je gewoontes. In vorige eeuwen vertrokken talloze Nederlanders naar Amerika, Canada, Brazilië, Zuid-Afrika, Australië – omdat er in Nederland geen landbouwgrond was, geen werk, geen toekomst voor hun kinderen. En dan gingen ze naar het buitenland. Onze overheid gaf zelfs subsidie aan Nederlanders die wilden emigreren. Gelukszoekers. Het is van alle tijden… in een vreemd land op zoek gaan naar werk, naar eten voor je gezin. Of vluchten uit angst voor oorlog, vervolging, dictatuur. Gelukszoekers – tja, maar wie wil er nou niet dat zijn kinderen en familie gelukkig zijn, in vrede en welvaart leven en een mooie toekomst hebben?
Vreemdeling
Vreemdelingen – ze zijn er sinds het begin van de geschiedenis. Na de moord op zijn broer Abel verhuist Kaïn naar het land Nod. Hij is bang en zegt: ‘…en als ik dan dolend en dwalend over de aarde moet gaan, kan iedereen die mij tegenkomt mij doden.’ Dolend en dwalend over de aarde gaan… Dat is toch vreemdeling zijn…? Weg van je familie, je vertrouwde omgeving… vreemde taal, vreemd eten. Je leest het steeds weer in de Bijbel:
- Abraham, Isaak en Jakob zwierven rond als vreemdelingen, zonder vaste verblijfplaats, zonder eigen grond.
- de Israëlieten leefden als vreemdelingen in Egypte, later in ballingschap in Babel.
- Maria en Jozef vluchtten met Jezus naar Egypte.
- de eerste christenen werden vervolgd om hun geloof, bespot, gevangen, gemarteld, ze moesten vluchten – ze waren vreemdelingen in hun eigen omgeving, omdat ze Jezus liefhadden.
Broeders en zusters uit India, Pakistan en het Midden-Oosten kunnen dit nog dagelijks meemaken. Buitengesloten of vervolgd door hun eigen familie en vrienden of landgenoten vanwege hun geloof in Jezus. Op de vlucht voor vervolging, schuilen in een safehouse, of een nieuwe start maken in een vreemd land.
Migrant-zijn, vreemdeling-zijn – het is altijd dolen en dwalen. Vroeger net zo goed als vandaag. Wie kun je vertrouwen, waar ben je veilig? Word je aan de grens met Marokko in de woestijn gedumpt? Stap je in een gammele boot en verdrink je op zee? Zit je na een paar jaar nog steeds in een vluchtelingenkamp of zit je werkeloos in een opvangcentrum in Nederland?
Ik dacht, misschien heeft men in deze streken…
Abraham. Abraham – vader van alle gelovigen… we noemen hem een geloofsheld. Maar hij ging wel op reis naar een vreemd land – vreemdeling, migrant. God kwam bij hem op bezoek in mensengedaante. God sprak met Abraham als een vriend. Dat is mooi, maar Abraham noemt zichzelf een zwervende Arameeër, een migrant. Als puntje bij paaltje komt is hij nergens thuis. Vreemdeling in het beloofde land. En wat is deze ‘geloofsheld’ menselijk, bang en kwetsbaar… Moet je horen wat hij zegt tegen zijn vrouw Sara: ‘Als ze ernaar vragen… kan ik dan op je rekenen? We zijn niet getrouwd. Ik ben alleen je broer… niet je man. Anders zullen ze mij doden om jou.’
Eigenlijk zegt Abraham: ‘Als je echt van me houdt, wil jij dan je eer te grabbel gooien om mijn leven te redden?’ Als je echt van mij houdt… Hoe bang moet je zijn, als je zo’n deal sluit met je geliefde vrouw? En hoe voel je je als vrouw als je man zoiets van je vraagt…? Waarom zegt hij niet: ‘Lieve Sara, je kunt altijd op me rekenen, hoor… samen uit, samen thuis, over mijn lijk, als ze jou wat willen aandoen…’ Maar nee… Het is van alle tijden. Migranten, vreemdelingen die liegen over hun land van herkomst, hun leeftijd, hun familie, hun religie… Hoe bang kun je zijn, hoe onveilig kun je je voelen…
En ja… Stereotypen zijn er natuurlijk ook over ‘die anderen’, ‘die vreemdelingen’. Abraham geeft het eerlijk toe aan koning Abimelech. Als Abimelech aan Abraham vraagt waarom hij gelogen heeft, zegt hij: ‘Ik dacht, misschien heeft men in deze streken geen ontzag voor God…’ Tegen Sara zal hij het wel wat duidelijker hebben gezegd: ‘In dat land van Abimelech – daar ben je bij de blinde heidenen, daar ben je je leven niet zeker, dus we moeten ons voorbereiden. Maar ja, waar wil je anders heen… we hebben niets te verliezen.’
En eerlijk is eerlijk – in het geval van Abraham is het ook niet helemaal uit de lucht gegrepen. Pal voor dit verhaal staat de geschiedenis van Sodom en Gomorra (Gen. 19). Dan gaat het over die andere migrant, Lot, Abrahams neef. Samen waren ze uit Charan vertrokken, naar het land dat God zou wijzen. Maar Lot zwerft ondertussen niet meer. Hij is statushouder geworden en woont als vreemdeling in Sodom. Ja, want vreemdeling blijf je, ook al woon je ergens twintig of dertig jaar. Je blijft altijd die buitenstaander.
Op een dag ziet Lot twee vreemdelingen op straat lopen en hij ontvangt hen gastvrij in zijn huis. Maar ’s avonds staan de Sodomieten op de stoep. Ze zeggen tegen Lot: ‘Breng die mannen naar buiten, zodat we seks met ze hebben. Zo niet, dan zul jij er ook van lusten, en nog meer dan zij!’ Je bent uiteindelijk toch maar een vreemdeling, Lot! Je mag blij zijn dat je hier mag wonen in zo’n mooi en rijk land! Als je hier wilt blijven, Lot, dan pas je je maar aan, aan onze ‘way of life’, anders ga je maar terug naar waar je vandaan komt. In deze streken hebben we geen ontzag voor jouw God, wij hebben ons land en onze rijkdom met onze eigen handen opgebouwd, wij hebben onze eigen regels, wen er maar aan! Breng die mannen hier!
Abraham is bang – en dat kun je ook wel begrijpen. Angst wordt vaak nog aangejaagd ook door stereotypen… Zij en wij. ‘Zij zijn van een ander volk, ander ras, andere kleur, andere religie, andere taal – je kunt ze nooit helemaal vertrouwen…’ Tja, en wat denken vreemdelingen vandaag over Nederland? Soms hebben ze ook wel van die rare stereotypen. ‘In die streken heeft men geen ontzag voor God: ze hebben daar losbandige gayprides, vrouwen werken als prostituee – ze staan gewoon bloot achter de ramen, meisjes hebben zomaar seks met wie ze willen, jongelui sturen elkaar naaktfoto’s op hun telefoon, abortus is geen enkel probleem, je kunt op iedere straathoek drugs kopen, bejaarden krijgen het advies om uit het leven te stappen, want ze zijn alleen maar tot last, en weet je…’ Stereotypen. Onbegrip. Angst. Net als Abraham, misschien kun je je er iets bij voorstellen, maar waar moet je anders heen?
Zij is mijn zuster!
Terug naar Abraham. Precies waar Abraham bang voor is – dat gebeurt. Sara wordt ontvoerd. Sara – dat betekent ‘prinses’. Maar deze prinses wordt weggekaapt en naar de harem van Abimelech gebracht. De tekst wrijft het er nog even goed in: ‘Abraham zei van zijn vrouw Sara dat ze zijn zus was.
Het gevolg was dat Abimelech, de koning van Gerar, Sara naar zijn paleis liet overbrengen.’ Zo, dat komt er dus van die leugens… En uit liefde voor haar man laat Sara het nog gebeuren ook. Sara zwijgt. Ze volgt haar man: ja hoor, hij is mijn broer. Nou ja, als vrouw van een Aramese migrant heb je ook niets om op terug te vallen. Waar zou zij aangifte moeten doen van ontvoering, van ongewenste intimiteiten, dat je tot seksslaaf gemaakt wordt…? Wie kun je vertrouwen als de ambtenaren van de koning je gewoon meenemen? Wie gaat Sara helpen in dit land waar alles anders is, waar zelfs haar man haar laat vallen als een baksteen, dit land waar ze geen ontzag hebben voor God…? God…
Waar is God?
Ja, waar is God eigenlijk in dit verhaal? Het eerste wat opvalt is: God zegt niets tegen de gelovige en bange Abraham. Wat zal die man zich beroerd gevoeld hebben. Sara weggeroofd. Door zijn eigen leugen. Maar God komt niet op bezoek om hem te troosten, zoals een paar hoofdstukken eerder. God zegt niet: ik ga Abimelech straffen, zoals Sodom en Gomorra! Nee – God zwijgt. En God verschijnt ook niet aan Sara in een droom, om haar te troosten. Maar zonder dat Abraham of Sara het merken komt God wel degelijk in actie. Wat Abraham niet ziet zitten, doet God wel. Hij beschermt Sara. God maakt Abimelech en zijn vrouw en zijn bijvrouwen ziek. Hij zorgt ervoor, dat ze geen kinderen meer kunnen krijgen. God zorgt ervoor, dat Abimelech Sara niet aanraakt. Abraham laat zijn vrouw vallen, maar God is trouw aan die kwetsbare en weerloze Sara.
Wat ook opvalt is: God spreekt wél tegen die koning, tegen Abimelech. Bizar. Abraham, de vriend van God, ging ervan uit, dat Abimelech een blinde heiden was: ‘Ze hebben daar geen ontzag voor God…’ Maar het blijkt toch ingewikkelder. God spreekt met Abimelech en Abimelech antwoordt God. Wat Abimelech ook geloofde van God – hij vindt het kennelijk niet vreemd dat God met hem spreekt. En wat misschien nog wel het meest opvallend is: God walst niet over hem heen, terwijl Hij daartoe alle recht had. Want je denkt: die Abimelech zal wel een donderpreek over zich heen krijgen… Hoe durf je aan Abrahams vrouw te komen? Die Abimelech heeft echt geen ontzag voor God! Nu zegt God wel: ‘Je bent ten dode opgeschreven omdat je die vrouw naar je paleis hebt gehaald: ze is getrouwd.’ Maar tot onze verbijstering lijkt God Abimelech toch ook wel gelijk te geven.
God zegt: ‘Ik weet heel goed dat je dit met een zuiver geweten gedaan hebt. Daarom heb ik je er ook van weerhouden tegen mij te zondigen en heb ik verhinderd dat je Sara zou aanraken.’ Hè? Abimelech… een zuiver geweten? Je hebt niet gezondigd? Dat zegt de Rechter van de hele aarde? Abimelech – hij gedraagt zich als de geweldenaren uit Genesis 6, die zich vrouwen namen wie ze maar wilden. Abimelech – hij gedraagt zich als sommige machtige en superrijke mannen vandaag, die denken dat ze ongestraft hun gang kunnen gaan en vrouwen en meisjes of jongens die ze mooi vinden zomaar kunnen pakken. Hoezo – een zuiver geweten? Bizar…
Hoe kon u zeggen…?
Maar dan neemt het verhaal nog een verrassende wending. God zegt niet tegen Abimelech: ‘Als je Sara teruggeeft, zal ik de onvruchtbaarheid van je vrouwen wel opheffen.’ Nee, Abimelech moet naar Abraham toe. Hij moet hem vragen om voor hem te bidden. Want Abraham is een profeet! En zo staat Abimelech woedend en vernederd voor Abraham: ‘Hoe hebt u zo kunnen liegen tegen mij? Wat is dat voor smoes? Mijn hele familie lijdt eronder!’ Maar uiteindelijk moet Abimelech zich schikken, want Abraham is een profeet van God!
Het lijkt alsof God Abraham laat bungelen, maar Hij laat hem niet vallen. Ondanks zijn kleingeloof en halve waarheden kiest God voor Abraham. God rehabiliteert die bange en liegende migrant Abraham. God geeft Abraham zijn eer terug. Abimelech moet op de knieën voor deze herdersvorst, die een profeet blijkt te zijn. Abraham moet nu voor hem gaan bidden. Echte vergeving en verzoening kun je kennelijk niet alleen even met God afhandelen. Daarvoor moet je terug naar de persoon tegen wie je hebt gezondigd…
Een zegen voor alle volken
Abraham moet een zegen zijn voor alle volken – te beginnen bij Abimelech! Als je daarover nadenkt is het wel heftig natuurlijk: Abraham moet nu voor Abimelech gaan bidden – voor de man die zijn vrouw had afgepakt! Stel je voor: je wordt door een machtig persoon beroofd van je vrouw en dan vraagt die persoon: wil je voor me bidden?
Maar Abraham gedraagt zich nu wel als een profeet van God. Hij laat zien, dat zijn God de macht heeft – ook in het land van Abimelech. God heeft de macht om alle zwangerschappen stop te zetten – en hij heeft de macht om zwangerschappen te geven. God heeft de macht om Abimelechs hele volk te vernietigen – maar Hij is genadig: ‘Ik weet, dat je het met een zuiver geweten hebt gedaan. Ik heb je ervan weerhouden om te zondigen.’ Zo goed en barmhartig is God voor deze heidense koning. Zo bidt nu ook deze vreemdeling Abraham voor Abimelech!
Zo wordt hij een zegen voor alle volken – te beginnen bij Abimelech. God geneest Abimelech en zijn vrouwen en bijvrouwen, zodat ze weer kinderen kunnen krijgen…
Nee, dit verhaal gaat niet over moderne migranten in Nederland of bootvluchtelingen. Het verhaal gaat allereerst over Gods trouw en bescherming, zijn macht en liefde. God zorgt ervoor dat Abimelech Sara niet aanraakt. Dat is trouwens nog wel meer dan voorkomen dat Sara wordt aangerand of verkracht. Nee – God heeft Abraham en Sara een kind beloofd. Al moet Sara daar ook om lachen, het gaat wel gebeuren! God zorgt voor een kind! Abimelech – zijn naam betekent: mijn vader is koning. Maar God laat zien: Sara zal niet zwanger worden van Abimelech. Sara is dan wel een prinses – maar niet van deze koning Abimelech.
God heeft Abraham en Sara een zoon beloofd – Hij zorgt ervoor dat Abraham vader van vele volken wordt. God neemt het op voor Sara en Abraham en beschermt hen in een onveilige wereld.
Abimelech probeert natuurlijk zijn gezicht te redden. Hij gedraagt zich alsof hij nu een geweldige zegen voor Abraham wil zijn. Hij geeft hem schapen en geiten, runderen, slaven en slavinnen… ‘en o ja, ik geef je ook je vrouw Sara terug’, zegt Abimelech er dan nog even snel achteraan. Dat hij Sara terug moet brengen – dat moet even niet te veel aandacht krijgen. Want het is natuurlijk wel een complete afgang voor Abimelech. Als koning en machthebber toegeven dat je je hand hebt overspeeld. De vrouw teruggeven die je met brute power hebt ingepikt. Publiek erkennen dat je haar eer niet hebt aangetast, oftewel dat je geen seks hebt gehad met haar… Koning Abimelech staat te kijk.
Gastvrijheid
Dan geeft Abimelech aan Abraham en Sara een verblijfsvergunning: ‘Het land ligt voor u open, u kunt gaan wonen waar u maar wilt.’ Ik weet niet zo goed wat ik van die gastvrijheid moet denken. Dacht Abimelech misschien: zo’n profeet, die moet je maar te vriend zien te houden, die kan nog wel een nuttige bijdrage leveren aan de samenleving, laat die vreemdeling maar blijven… Of je van dit soort gastvrijheid blij moet worden, ik weet het niet… Ik voel me denk ik toch beter thuis bij die zwervende Arameeërs, bij die kwetsbare en liegende vreemdelingen zoals Abraham, Sara en Lot… Zo stonden er op een dag een paar vreemde mannen voor Abrahams tent – hij nodigt ze gastvrij binnen voor een maaltijd… Zonder het te weten heeft Abraham de Heer aan tafel zitten.
Statushouder Lot ziet op het marktplein van Sodom twee vreemdelingen lopen die op straat moeten overnachten. Hij nodigt ze in zijn huis en beschermt ze met gevaar voor eigen leven. Zonder dat hij het in de gaten heeft, heeft hij engelen gehuisvest.
De vrouw uit Sunem bewijst gastvrijheid aan de profeet Elisa en God spaart haar kind.
De barmhartige Samaritaan vindt een onbekende Jood op zijn pad en helpt hem, hoewel het een vijand is.
De twee discipelen die op weg waren naar Emmaüs nodigden die vreemde reiziger binnen en terwijl Hij het brood met hen brak herkenden ze Hem – het is Jezus, het is de Heer!
In het koninkrijk van Jezus wordt iedereen uitgenodigd – goeden en slechten, armen en rijken, jong en oud, vreemdelingen en ingezetenen. Iedereen is welkom! Nee, dit verhaal van Abraham en Abimelech gaat niet meteen over migranten en bootvluchtelingen van vandaag. Maar het verhaal gaat wel over hoe wij als christenen met vreemdelingen omgaan, hoe we gastvrij mogen zijn.
Wees een zegen
Het verhaal daagt ons ook uit om na te denken over wat het betekent om een zegen te zijn, ook voor vreemdelingen en migranten. Wat zien mensen in ons leven van Gods liefde en goedheid? Hoe aantrekkelijk zijn we als christenen eigenlijk voor vreemdelingen, moslims bijvoorbeeld? Merken ze er in onze houding en gedrag iets van, dat we kinderen van een genadige God zijn? Worden ze door ons aangetrokken om naar de stem van Jezus te luisteren?
Ik moet denken aan die Syrische moslim in ons eigen dorp. Hij nodigde ons uit om bij hem te komen eten. Voor het eten vroeg hij mij om hardop te bidden voor hem en voor zijn familie in Syrië – en dat terwijl ik toch geen profeet ben… Vreemdelingen – het kan heel ongemakkelijk zijn: andere kleur, andere geur, andere taal, andere religie, ander eten, andere gewoontes, soms liegen ze over hun afkomst, hun geloof. Toch daagt dit verhaal ons uit om te vragen: hoe kunnen wij als volgelingen van Jezus een zegen zijn voor mensen in onze omgeving – ook voor vreemdelingen, migranten of wie God ook maar op ons pad plaatst?
Ik moet dan denken aan die woorden van Jezus: ‘Jullie zijn door mijn Vader gezegend, want Ik had honger en jullie gaven Mij te eten, Ik had dorst en jullie gaven Mij te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen Mij op.’ We mogen Gods zegen ontvangen als we een zegen zijn voor de ander – ook voor de vreemdeling. Als kinderen van onze hemelse Vader mogen we zijn zegen doorgeven, juist in ons eigen land, waar vaak geen ontzag is voor God en waar mensen vaak alleen voor eigen comfort en gewin lijken te gaan. Gastvrijheid tonen, bidden voor onze naaste en de vreemdeling – zoals Abraham bad voor de tirannieke Abimelech. In alle zwakheid en ongemak toch biddende profeten van God zijn.
Volgeling en vreemdeling
Je kunt trouwens ook nog anders naar dit verhaal kijken. Want zijn wij eigenlijk niet allemaal vreemdelingen? Zijn we als volgelingen van Jezus geen vreemdelingen in een wereld waar vaak geen ontzag is voor God? (Hebr. 11:13-16). Wat krijg je in Nederland op de sociale media over je heen, als je christelijk onderwijs voor je kinderen wilt? Als je vragen stelt bij de huidige abortuspraktijk of het medisch gebruik van embryo’s? Of… hoe reageren mensen als je vindt dat er barmhartigheid en gastvrijheid voor vluchtelingen zouden moeten zijn? Of als je geen probleem hebt met een opvang voor vluchtelingen in je stad of dorp?
Die bange geloofsheld Abraham valt natuurlijk compleet door de mand in dit verhaal. Maar durf ik dan wel profeet te zijn? ‘Als je niet meedoet met onze manier van leven, dan zul je ervan lusten. In dit land is geen ontzag voor God. Wen er maar aan…’ Durf ik wel volgeling van Christus en vreemdeling te zijn in mijn omgeving? Hoe vaak houden wij maar wijselijk onze mond op ons werk, op school, op de universiteit? Omdat er toch geen ontzag voor God is?
Het mooie van dit verhaal is: God is altijd groter dan jouw zwakheid, mijn bangheid, onze ontrouw. Vaak lijken de Abimelechs, Poetins en Trumps koning te zijn in deze wereld en is ontzag voor God ver te zoeken. Toch is Abimelech niet de held van deze geschiedenis. En ook niet Abraham, de vader van alle gelovigen. Nee, God is de Almachtige, Hij heeft alle touwtjes in handen, zelfs als wij er een troep van maken. Nee, God lost niet alles even op voor Abraham. Hij zegt: ga maar bidden voor Abimelech! Wees maar een zegen voor wie je vervolgt. Zegen en vloek niet. ‘Als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. Dan stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd.’
We mogen met vallen en opstaan proberen om in onze woorden en daden profeet te zijn, bidden voor wie het ons moeilijk maken, een zegen zijn voor mensen die God op onze weg plaatst. Abimelech, dat betekent: mijn vader is koning. Met Abraham en talloze andere gelovigen mogen we op God vertrouwen, Hem volgen, want onze Vader is de echte Koning!
Amen.
Bij het maken van de preek werd Colijn geinspireerd door:
- David I. Smith, Learning from the Stranger. Christian Faith and Cultural Diversity (Eerdmans, 2009)
- Lianne van der Zee, De vreemdeling in ons midden. Een Bijbelse ontdekkingstocht (Stichting Gave, 2025).
Jos Colijn is theoloog en was tot voor kort werkzaam als universitair docent Interculturele theologie aan de Theologische Universiteit Utrecht.



