Christenen hoeven zich niet te schamen

Rob van Houwelingen | 13 juni 2015
  • Opinie

Waarom heten christenen christenen? De ontstaansgeschiedenis van de term biedt een perspectief dat ver afstaat van de beelden en associaties die onze naam vandaag de dag oproept.

Voor de situatie van de niet-Joodse christenen in Klein-Azië schreef de apostel Petrus een rondzendbrief. Zijn lezers bevonden zich in de denkbeeldige cirkel van Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bithinië.

Door heel deze regio was de christennaam bij buitenstaanders bekend, maar niet in positieve zin. Christenen werden gediscrimineerd vanwege hun geloofskeuze. Ze deden niet langer mee met waar ongelovigen plezier in hadden: losbandigheid, wellust, dronkenschap, bras- en slemppartijen en verwerpelijke afgodendienst. Dat werkte vervreemdend en werd hun kwalijk genomen (1 Petrus 4:3-4). Christenen werden het mikpunt van spot en pesterijen. Hun naam voelde als een stigma.

Petrus zegt echter tegen hen: ‘Als u lijdt omdat u christen bent, schaam u dan niet en draag die naam tot eer van God’ (1 Petrus 4:16).

Petrus koppelt het lijden van zijn lezers aan het lijden van Christus. ‘Hoe meer u deel hebt aan Christus’ lijden, des te meer moet u zich verheugen’ (vers 13a). Er ontstaat immers een sterke lotsverbondenheid met de Heer. ‘Als u gehoond wordt omdat u de naam van Christus draagt, prijs u dan gelukkig’ (vers 14a).

Laat de christennaam een geuzennaam zijn, een eretitel

Die gelukwens ontleende Petrus aan de Bergrede: ‘Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van Mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten’ (Matteüs 5:11-12). Jezus zei ‘omwille van Mij’, wat Petrus weergeeft als ‘omdat u de naam van Christus draagt’. Het is een eer om zijn naam te dragen, ook als dat lijden met zich meebrengt. Hier wordt het negatieve etiket van buitenstaanders door Petrus positief geduid: laat de christennaam een geuzennaam zijn, een eretitel. Als zijn lezers dit inderdaad zo hebben leren ervaren, kon deze naam een zelfaanduiding worden.

Geldklopperij

Hoe ontwikkelde zich het gebruik van de christennaam? Dat blijkt uit de manier waarop de term ‘christianos‘ functioneert in de Didachè. Dit document biedt een korte samenvatting van het onderricht van de apostelen, met tal van instructies voor de kerkelijke praktijk. Het is ontstaan gedurende de tweede helft van de eerste eeuw, dus nog tijdens de apostolische periode.

De christennaam komt ter sprake bij reizende bezoekers die de gemeente aandoen. Ieder die ‘komt in de naam van de Heer’ (een zinspeling op Psalm 118:26, Matteüs 21:9; zie ook Johannes 5:43) dient gastvrij ontvangen en voortgeholpen te worden, maar niet langer dan gedurende twee of drie dagen. Als iemand zich in de gemeente wil vestigen en een vak beheerst, moet hij werken voor de kost.

Maar wat te doen met iemand die geen vakman is? ‘Beheerst hij geen vak, volg dan uw eigen inzicht en bedenk hoe hij zonder in nietsdoen te vervallen bij jullie als christen zal leven’ (Didachè 12:4, vertaling John van Eck).

Christianos lijkt hier niet zozeer een naam als wel een praktische aanduiding voor het christelijke leven. Maar deze aanduiding kan in de Didachè probleemloos gebruikt worden door christenen over andere christenen. Toch zit er ook een waarschuwing in verborgen: laat het niet zo ver komen dat de christelijke gemeenschap beschuldigd wordt van klaploperij of geldklopperij vanwege het ontvangen van reizende bezoekers. Dat zou haar reputatie geen goed doen.

Enerzijds is het een door buitenstaanders opgeplakt etiket, anderzijds kan het ook functioneren als een positieve zelfbetiteling

Ignatius, vanaf het eind van de eerste eeuw bisschop van de christelijke gemeente in Antiochië, trekt deze lijn door. Hij benadrukt in zijn brieven dat christen genoemd worden niet genoeg is, men moet het ook zijn (Magnesiërs 4:1 en Romeinen 3:2). Bij hem heeft de naam christianos een dubbele gevoelswaarde: enerzijds is het een door buitenstaanders opgeplakt etiket, anderzijds kan het ook functioneren als een positieve zelfbetiteling. Dit wijst op een groeiend zelfbewustzijn van de christelijke gemeenschap. Toen de Romeinse overheid begon te vragen of men een christen was, veranderde zo’n afgedwongen bekentenis in een vrijmoedige belijdenis: ik ben een christen.

Naamgever

Terugkijkend is het opmerkelijk dat de naam christianos weinig voorkomt in het Nieuwe Testament. Mogelijk waren de eerste christenen terughoudend met het gebruik van deze zelfbetiteling, omdat ze de christennaam te algemeen vonden. Andere nieuwtestamentische aanduidingen zijn specifieker, zoals: gelovigen, heiligen, gemeente, kinderen van God, broeders en zusters, dienaars van de Heer.

Paulus benadrukt in zijn brieven dat gelovigen onder de heerschappij van Christus of in verbondenheid met Christus leven. Naar buiten toe was de christennaam daarom een geschikte aanduiding, waarmee Christus als leider en naamgever van de nieuwe beweging werd betiteld. Maar de eerste christenen beseften dat christen zijn meer omvat dan optreden in de rol van aanhanger, supporter of partijganger van een grote leider. Het is vooral leven in relatie met de grote redder, die is opgestaan uit de dood en ons bij God heeft teruggebracht.

Doorklinken

Hoe staat het tegenwoordig met de christennaam? Naar buiten toe noemen we onszelf christelijk, maar intern gebruiken we vaak een specifiekere aanduiding van de stroming waartoe we onszelf rekenen: katholiek, anglicaans, protestants, gereformeerd, evangelisch. Het beginnende christendom kende zulke stromingen nog niet. Zoals hun naam van Christus was afgeleid, zo hadden de gelovigen hun leven op dat van Hem aangesloten.

Klinkt in óns leven de naam van Christus voldoende door? Die vraag houdt een flinke uitdaging in. Willen we als christenen anno nu onze identiteit ontdekken of hervinden, dan moeten we terug naar onze naamgever en verder met Hem op weg.

Dit is het tweede deel van een tweeluik over de naam christenen. Lees hier het vorige deel: Christenen, wat zijn dat voor mensen?

Over de auteur
Rob van Houwelingen

Rob van Houwelingen is emeritus hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit in Kampen.

Meest gelezen

Gods blik op migratie

Gods blik op migratie

Koert van Bekkum
  • Column

En weer was er gedoe in Ter Apel. Houdt het dan nooit op? Nee, zolang de volken woeden – elders door oorlog en uitzichtloosheid, of hier met verzet tegen asiel als electoraal verdienmodel – zijn we er niet vanaf. Gelukkig beschikken Bijbellezers in Genesis 10 over een breder perspectief op geopolitieke verschuivingen en migratie. Deze ‘volkerentafel’ vertelt over de afstammelingen van Noachs zonen, Sem, Cham en Jafet. Nu is Genesis 10 vaak gebruikt voor een nogal statisch beeld van landen en volken. God lijkt ieder volk immers een vaste plek te geven. En inderdaad biedt het geslachtsregister een soort wereldkaart. Maar de tekst doet meer, er zit beweging in.

Lees artikel
Begin van Genesis – geschiedenis?

Begin van Genesis – geschiedenis?

Mark Janssens
  • Opinie

Ik geloof dat het begin van de Bijbel fundamenteel is. Niet voor niets opent de Bijbel met deze hoofdstukken. Is het begin van de Bijbel geschiedenis in onze westerse zin verstaan? Dat is de vraag in het artikel van collega Ulbe van der Meer (‘De slang heeft niet gesproken’, Onderweg, mei 2026) en de reacties daarop in het nummer van juli 2026. Waarbij geschiedenis vooral betrekking heeft op feiten en concrete gebeurtenissen. Dan kun je aan de ene kant of aan de andere kant uitkomen, al dan niet met voorzichtigheid en nuances. 

Lees artikel
Predikantsprofiel: Bob Wielenga

Predikantsprofiel: Bob Wielenga

Jan Mudde
  • Kerkelijk leven
  • Predikantsprofiel

De afstand tussen Bob Wielenga en mij bedraagt ongeveer 9.300 km als we met elkaar beeldbellen via de smartphone van zijn vrouw Geertje. Vanaf 1980 woont en werkt Bob namelijk in Zuid-Afrika als zendeling, predikant en theoloog – Bob is tweemaal gepromoveerd aan de Universiteit van Zuid-Afrika te Pretoria. Sinds 2002 is hij met emeritaat, maar tot voor kort schreef en publiceerde hij volop. Momenteel is hij nog als docent verbonden aan het KwaZulu-Natal Missionary and Bible College. We hebben een gesprek waarin het woord ‘afstand’ de rode draad is.

Lees artikel
De mythe van de schuldige omstander?

De mythe van de schuldige omstander?

Louren Blijdorp
  • Boekbespreking

De Breepleinkerk in Rotterdam siert de cover van het indrukwekkende boek van Geert Hovingh. In die kerk verborgen de latere Kamper ethicus dr. Gerrit Brillenburg Wurth en zijn vrouw Gerda van Leeuwen samen met kostersechtpaar Jacobus en Annigje de Mars-Ouwens, 34 maanden lang zeven joodse onderduikers. Een van hen werd geboren tijdens de onderduik, in de kosterswoning. Het is een van de bijna onuitputtelijke hoeveelheid verhalen die Hovingh op tafel heeft gelegd.

Lees artikel

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief