Bob Venus wil echtheid en kwetsbaarheid

0

‘Beste gemeente, ik heb gisteren een halfuur porno zitten kijken.’ Wat Bob Venus betreft zou dat een uitstekend begin zijn van een preek. ‘Jongeren missen echtheid en kwetsbaarheid in de kerk.’

Bob Venus kreeg een paar maanden geleden als pionier de zegen van de GKv-gemeenten van Amersfoort en Leusden. Zijn opdracht is om in contact te komen met de ongeveer vijfhonderd jongeren die korter of langer geleden zijn afgehaakt bij de kerk. En nee, het is helemaal niet zijn bedoeling om hen weer terug de kerk in te jagen. Het gaat hem puur en alleen om de ontmoeting, zegt hij. Open en eerlijk. Hij zal niet de markt opgaan met een bos rozen, en als mensen dan zeggen: ‘Oh, wat lief, dankjewel’, dat hij dan antwoordt: ‘Ja, maar deze roos staat voor Christus en Hij houdt van jou.’ Dat vindt-ie niet zuiver, niet transparant.

Bob zoekt de meiden en jongens thuis op. Dan rijdt hij er met z’n bakfiets naartoe en belt hij aan. ‘Hey, heb je zin om met mij een biertje te drinken en wat te praten?’ Vervolgens klapt hij misschien z’n tafeltje uit. ‘Geloof zonder twijfel is een dood geloof’, staat erop. Maar misschien laat hij hem dicht. Geen zin om hierover te praten? Prima hoor, dan gaat het gesprek over voetbal of politiek. Bob wil niet de klassieke ouderling zijn die op huisbezoek hoe dan ook de onvermijdelijke geloofsvraag stelt.

Verstikkend

De ideale kerk is voor de Amersfoortse pionier een gesprek van hart tot hart. Dogma’s, gebouwen met een kruis erop, de strak georganiseerde dienst: ze zijn voor Bob vooral omlijsting. En als het decor te belangrijk wordt gemaakt, kan het je gaan verstikken. In zijn eigen kerkelijke zoektocht van de baptisten tot de Gereformeerde Gemeenten ervoer Bob die broeierigheid op allerlei manieren, maar hij weet ook dat veel (ex-)vrijgemaakte jongeren om die reden een punt achter de kerk hebben gezet.

‘Mag hun verhaal er alsjeblieft gewoon zijn?’

Daar begint het trouwens al voor Bob. Jongeren die de kerk vaarwel zeggen, verdwijnen vaak geruisloos van de radar. Wellicht met wat frisse tegenzin stuurt de scriba op een zeker ogenblik de afscheidsdocumenten op, maar het verhaal van de jonge vertrekker blijft vervolgens niet zelden onuitgesproken. Zonde, vindt Bob. En, creatief als hij is, heeft hij daar iets op bedacht.

Binnenkort organiseert hij in een klein Amersfoorts theater een Losing My Religion-avond. Jongeren die afscheid hebben genomen van de kerk, het geloof of God, krijgen een podium. ‘Mag hun verhaal er alsjeblieft gewoon zijn? Het is voor familie, vrienden en de kerk vaak heel lastig om het gesprek over hun vertrek te voeren. Met zo’n event krijgen jongeren de kans op hun eigen manier iets te delen over die stap.’

Sushibar

Het is niet het enige wat Bob heeft verzonnen om jongeren te ontmoeten. Hij heeft een schuur vol fietsen, die hij zelf heeft omgebouwd tot van alles en nog wat, zoals een kathedraal op wielen of een lichtgevende kathedraal. Hij fietst ermee naar mensen toe of parkeert ze op festivals en gaat het gesprek aan. Waar hij met z’n voertuig is, daar is de kerk.

Aan dat soort nieuwe vormen van kerk-zijn moet de traditionele christen misschien wat wennen, volgens Bob is het vandaag één van de betere manieren om tieners en twintigers te ontmoeten. ‘Als ik iets organiseer, ga ik no way in een kerk zitten. Ik huur de plaatselijke discotheek af of ik reserveer een paar tafels in de sushibar. We gaan daar vervolgens geen theologische gesprekken voeren over de kinderdoop of over Israël. Desnoods praten we een hele avond over alledaagse zaken. Maar tuurlijk, vaak gaat het over existentiële dingen in het leven, over God en geloven.’

Bob Venus: 'Als ik iets organiseer, ga ik no way in een kerk zitten.' (beeld Syda Productions/Shutterstock)

Bob Venus: ‘Als ik iets organiseer, ga ik no way in een kerk zitten.’ (beeld Syda Productions/Shutterstock)

De kerk zelf lijkt nogal wat moeite te hebben dat gesprek met jongeren op gang te brengen, constateert ook Bob. Hoe dat komt? Na alle ontmoetingen die hij had, tekenen zich de contouren van het communicatieprobleem af. ‘Voor veel jongeren is de kerk een clubje brave, nette mensen die geloven in een metroseksuele, goed uitziende man met een lieve glimlach op zijn gezicht en een lammetje op z’n arm. De dominee kan bij elke willekeurige Bijbeltekst een mooi beschouwend verhaal vertellen vanaf zijn preekstoel. Maar het komt bij veel jongeren niet binnen. Ze ervaren een spagaat tussen hun eigen leven en dat van de kerkelijke gemeente waarbij ze zijn aangesloten. Want zo netjes zijn zij helemaal niet!’

‘Waarom hoor je nooit een predikant zeggen: “Lieve gemeente, ik heb gisteren een halfuur porno zitten kijken. O, wat heb ik Jezus hard nodig!” Reken maar dat jongeren zich met zo’n preek kunnen identificeren. Ze hunkeren naar authentieke en kwetsbare mensen om zich heen, maar helaas vinden ze die te weinig. Sommigen denken: laat die christenen maar, ik vertrek. Anderen blijven weliswaar, maar voelen zich totaal niet comfortabel bij het conformistische gedrag van de goegemeente.’

Biechtcaravan

Met al die twijfelende en zoekende jongeren wil Bob graag opnieuw beginnen. Want dat God en geloven relevant zijn voor het dagelijks leven, daarvan is de pionier overtuigd. Maar zijn die tieners en twintigers eenmaal stukgelopen op de kerk, dan ligt er toch een smet over dat hele verhaal.

In zijn Biechtcaravan – een tot kerk omgebouwde caravan inclusief psalmenbord, kerkbank, psalmbundels, brood, wijn, kaarsjes, orgelmuziek en een beetje mist uit de rookmachine – probeert Bob dat blazoen van de kerk te zuiveren. Hij staat ermee op allerlei festivals.

‘Voor veel jongeren is de kerk een clubje brave, nette mensen die geloven in een metroseksuele, goed uitziende man’

Mensen die binnenkomen, mogen aan een verklede non vertellen wat ze van de kerk vinden. Zij schrijft het vervolgens op een briefje. Bijvoorbeeld: ‘Ik heb me kapot verveeld in de kerk.’ Of: ‘GKv, jullie raken gigantisch veel jongeren kwijt en dat is je eigen schuld.’ Ze stoppen het krabbeltje in een brievenbus, die is bevestigd in een tussenmuur. Daarachter zit Bob, in een zwarte toga of een pauselijk gewaad, al naar gelang het festival waar hij staat. Hij leest het bericht, opent het biechtluik, biedt namens de kerk zijn excuses aan en vraagt om vergeving.

‘Ik ben helemaal geen type dat snel huilt, maar op die momenten ben ik bijna altijd vol tranen. Ik voel dan zo’n liefde en compassie voor die mensen dat het is alsof God door mij heen vloeit. En aan de andere kant van het biechtluik gaat het acht van de tien keer precies hetzelfde: er wordt daar veel gehuild. Het zijn momenten van kwetsbaarheid en echtheid die mensen in de kerk te weinig hebben ervaren, denk ik.’

Junk

Juist jongeren, die tussen de vlogs van Enzo Knol, Stuk TV en Beautygloss door op Facebook, Instagram en Snapchat zitten, hebben behoefte aan kwetsbaarheid en authenticiteit, vindt Bob. ‘Ze zijn continu bezig filters over de werkelijkheid te leggen, zichzelf mooier te maken en zo een gelukkig leven naar hun omgeving te communiceren. Analytische preken en te keurig gedrag doen ongeveer hetzelfde; ze veinzen een werkelijkheid die er niet is of die te mooi is om waar te zijn. Waarom erkennen we niet open en eerlijk dat we zondige mensen zijn? In die belijdenis zit een enorme roep: we hebben God nodig.’

Wat min of meer evenredig met hun verlangen naar authenticiteit binnen de kerk opgaat, is een bijna existentiële twijfel aan hun eigen bestaansrecht, constateert Bob. ‘De telkens terugkerende vraag die ik bij jongeren tussen de regels door beluister, is: mag ik hier bestaan? Dan moet het antwoord van de kerk niet zijn: ja, als je over drie maanden maar dit of dat doet. Ik vind het echt problematisch dat veel jongeren klaarblijkelijk het gevoel hebben dat ze binnen de kerkelijke gemeenschap niet zichzelf mogen zijn. De kerk laat zich er juist vaak op voorstaan dat iedereen er mag zijn zoals hij is. Maar mogen ze er met al hun dwaasheid, boosheid, onvermogen en tranen echt bestaan? Of is het toch onder bepaalde voorwaarden?

Ik ben eens een halfjaar met een junk opgelopen. Ik kwam hem ergens tegen terwijl hij stond te blowen. Mijn eerste neiging was: zeg er iets van! Wiet is slecht, wiet is niet van God! Maar ik kon die neiging onderdrukken. Nooit heb ik er iets van gezegd. Na een halfjaar zei hij: “Ik ben zo blij dat je dat blowen nooit hebt veroordeeld, zo veel mensen hebben dat al gedaan.” Hij is uiteindelijk gestopt.’

‘Ik ben zo blij dat je dat blowen nooit hebt veroordeeld, zo veel mensen hebben dat al gedaan’

Zou de kerk meer voor zo’n opstelling kiezen, dan konden veel van de briefjes die Bob in de Biechtcaravan krijgt aangereikt zo de prullenbak in. ‘Ik denk dat jongeren een heel wezenlijke opdracht bij de kerk neerleggen. Ik hoor ze eigenlijk nooit zeggen dat ze meer discolampen in de kerk willen of dat de band vaker en harder moet spelen. Praat onze taal, smeken ze bijna, en wees kwetsbaar. Spinvis zegt: “Trek alles uit, gooi alles af, doe als het moet alles opnieuw.” Zo ver moet je soms willen gaan.’

Epicentrum

De kerk, en de vrijgemaakte misschien wel voorop, heeft bepaald geen slecht trackrecord als het gaat om vernieuwende initiatieven. Het kerkelijke interieur werd in veel gemeenten met beamers gemoderniseerd, het orgel maakte plaats voor een band, en wie het liturgische spektakel toch te klassiek bleef, kon terecht in één van de honderd jeugdkerken in het land. Wat dat laatste overigens betreft: er is geen jeugdkerk meer te bekennen. Dat is best gek, want een jaar of tien geleden waren die omgebouwde scholen en sporthallen nog hét vangnet tussen de klassieke kerk en de atheïstische afgrond.

Hoe duurzaam zijn al die buitenkerkelijke initiatieven eigenlijk? Want als het geloof van jongere generaties zich meer en meer gaat afspelen buiten het bereik van het eeuwenoude instituut, wat blijft er dan nog van de kerk over? ‘Eerlijk gezegd denk ik dat er buiten God in de kerk niets echt duurzaam is. De tijd verandert continu, en daarmee de vormen waarbinnen je het over God hebt. Dus ja, zo’n jeugdkerk overleeft niet. Laat het los, zou ik zeggen, verzin wat nieuws.’

Maar de kerk is toch in essentie een bezield verband waarin mensen elkaar helpen geloven? Als de versplintering doorzet en het instituut het overzicht verliest, hoe gaan de kinderen van deze jongeren dan straks leren geloven? Wat Bob betreft blijft de samenkomst het epicentrum van de christelijke viering, maar, benadrukt hij nog maar eens, de klassieke vormen waarin we die nu gieten, moeten we durven loslaten. ‘De zondagse ontmoeting kan ook plaatsvinden in het park, in de kroeg of bij een kampvuur. Het gaat erom dat je elkaar spreekt, van elkaar leert, met elkaar optrekt. Maak de vorm niet te heilig.’

Delen.

Over de auteur

Jasper van den Bovenkamp is journalist bij Tekstbureau Vakmaten.

Reacties zijn gesloten.