Armblankes

Bob Wielenga | 17 augustus 2018
  • Blog

Wie in Zuid-Afrika voor een rood licht stopt, moet er zeker van zijn dat de ramen van zijn auto dicht en zijn deuren op slot zijn. Het komt voor dat jongemannen door halfopen ramen iets uit je auto graaien of de deur opentrekken om een snelle slag te slaan. Vaker gaat het echter om bedelaars, soms nog jonge jongens in voddige kleren, ongewassen, vies. Ze vragen geld om eten te kopen. Nou ja, vragen… Ze smeken erom met gevouwen handen en zakken half door hun knieën in gebed. Moet ik er nog aan toevoegen dat ze meestal zwart zijn?

De meeste van deze bedelaars zijn verslaafd aan glue, een soort lijm, opgelost in water. Van het geld dat je geeft, kopen ze drugs. Er geldt dan ook een algemene waarschuwing om hun onder geen voorwaarde geld te geven. Als je toch iets wilt geven, geef dan brood of fruit. Maar daar hebben ze meestal geen zin in.

Sociale verheffing

Er staan soms ook blanke bedelaars bij stoplichten, ‘armblankes’. Dit is Afrikaans voor arme en verarmde Afrikaners. Vooral in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog leefde een groot deel van de Afrikaners, men zegt 30 procent, onder het toenmalige bestaansminimum.

De verpaupering van de Afrikaner bevolking zette in na de nederlaag tegen Engeland in de Tweede Boerenoorlog in 1902. Veel boerderijen waren verwoest en er ontstond een uittocht van het platteland naar de steden om werk te zoeken. Daar moest men concurreren met de veel goedkopere zwarte arbeidskrachten. De levensomstandigheden van veel families waren ronduit verschrikkelijk. Veel kerken organiseerden hulpacties om hen materieel bij te staan. Ook het opkomende Afrikaner bedrijfsleven bracht verlichting door werk voor Afrikaners te scheppen.

In 1994, het jaar van de politieke omwenteling,
hadden we alleen nog maar ‘armswartes’ in Zuid-Afrika

Het is begrijpelijk dat de regering zich vanaf 1948, toen de Afrikaners de politieke macht in Zuid-Afrika overnamen, inzette voor de sociale verheffing van het Afrikaner volksdeel. Banen werden gereserveerd voor (Afrikaner) blanken, zoals bij de politie of de spoorwegen. Het Afrikaner bedrijfsleven kreeg ook een steeds groter aandeel in de economie, wat weer nieuwe banen opleverde voor Afrikaners. De zwarte bevolking kwam in het hele beleid nauwelijks voor.

In 1994 was het probleem van de armblankes een vage herinnering. Men dacht er liever niet meer aan, maar het had ondertussen wel een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling en de uitvoering van het apartheidsbeleid. In 1994, het jaar van de politieke omwenteling, hadden we alleen nog maar ‘armswartes’ in Zuid-Afrika. Maar dat is aan het veranderen.

Balpennen

Elke week kom ik langs een kruispunt waar een lange, blanke vrouw met een door de zon verweerd gezicht staat te bedelen. Ze is een armblanke, al weet ik niet of ze Afrikaans is. De zwarte bedelaars laten haar met rust. Ik heb geen idee wat zij van deze concurrentie vinden. Het zijn er ook zo weinig dat ze geen bedreiging voor hen vormen. Ik heb voor haar niet meer meegevoel dan voor haar zwarte lotgenoten. Ik weet ook niet wat haar tot deze ‘beroepskeuze’ bracht en of ze echt geen andere bestaansmogelijkheden heeft.

Laatst werd ik bij ons lokale postkantoor aangesproken door een armblanke man van middelbare leeftijd, schoon en netjes gekleed. Om in zijn levensonderhoud te voorzien, verkocht hij balpennen, 5 voor 25 rand (zeg 2 euro). Ik ging er niet op in. Gek genoeg had ik geen medelijden, wat ik soms wel kan hebben bij zwarte bedelaars. Die blanke bedelende vrouw heeft een zekere waardigheid behouden, waardoor ze bij mij geen speciale gevoelens opriep behalve respect: ze staat daar toch maar! Maar deze armblanke man met zijn armetierige balpennen: is er nu werkelijk niets anders dat hij kan doen om brood op de plank te krijgen?

Was het omdat ik best die beroerde pennen
had kunnen kopen?

Ik betrapte me op een gevoel van schaamte. Was het omdat een blanke mán in zo’n vernederende positie tegenover mij stond? Was het een soort van plaatsvervangende schaamte dat iemand zo diep kan zinken dat hij alleen nog maar balpennen kan verkopen om in leven te blijven? Was het omdat ik vergelijkenderwijs natuurlijk stinkend rijk ben en best die beroerde pennen had kunnen kopen, al had ik ze dan thuis weggegooid? Waarom deed ik dat eigenlijk niet? Principes! Daar heeft hij natuurlijk helemaal niets aan. Ze helpen mij om niet iedere keer platzak thuis te komen.

Dit keer overheerste bij mij sterk het gevoel dat dit niet zo hoort: mensen, zwart of blank, horen niet bedelend hun leven door te brengen. Dat is beneden de stand waarin God hen geschapen heeft. In de wereld leeft de halve bevolking beneden deze hun geschonken stand en te vaak buiten hun eigen schuld.

Luxeconflict

Ik zou een essay kunnen schrijven over sociaal-economische politiek, over wat de Bijbel zegt over gerechtigheid, over een open hart en een gulle hand voor de armen. In dat essay zou ik mijn afschuw uiten over het kapitalisme en de vrijemarkteconomie. Maar dat neemt niet weg dat ik dit keer toch echt die balpennen had moeten kopen.

Daar houd ik wel een probleem met mijn motieven aan over. Geef ik om van mijn schaamte af te komen? Of heb ik echt met die armblanke te doen? En wordt de gulle gever (Psalm 112:5, 9) in de Bijbel niet beloond? Die armblanke koopt natuurlijk niets voor mijn luxeconflict. Ik heb hem trouwens nooit meer teruggezien.

Over de auteur
Bob Wielenga

Ds. Bob Wielenga is emeritus predikant van de NGK Kampen en woonachtig in Zuid-Afrika.

Meest gelezen

Predikantsprofiel Kees Smit

Predikantsprofiel Kees Smit

Melissa van der Kamp
  • Kerkelijk leven
  • Predikantsprofiel

Het is een terugkerend woord als ik met Kees Smit in gesprek ben over de geestelijke verzorging en zijn werk als voorzitter van de Commissie Geestelijke Verzorging (CGV). Uit alles blijkt dat hij deze rol met hart en ziel vervult. Niet in de laatste plaats gedreven door zijn eigen ervaringen als geestelijk verzorger bij Defensie. Kees stelt dat geestelijk verzorgers waardevolle gesprekspartners kunnen zijn voor gemeenten, omdat juist zij werken op het grensvlak van kerk en samenleving. Ik praat met Kees door over zijn gedrevenheid als voorzitter en wat het geestelijk verzorger-zijn voor hem heeft betekend.

Lees artikel
De kerkelijke gemeente is net als de stad: groot genoeg om alles zelf te hebben

De kerkelijke gemeente is net als de stad: groot genoeg om alles zelf te hebben

Lyanne De Haan-Wilts
  • Alphen tot Ommen
  • Kerkelijk leven

Anders dan de naam doet vermoeden, is de Kleine Kerk in Steenwijk met ruim 400 leden niet per se klein te noemen. Maar het gebouw is kleiner dan de Grote Kerk in Steenwijk, het gebouw, hemelsbreed 200 meter verderop, waarin de PKN kerkt. ‘Maar’, merkt Rick Winters op, ‘zij hebben op papier meer leden, dus zijn ook wat dat betreft een grote kerk. Toch denk ik dat er op zondag meer mensen bij ons zitten’.

Lees artikel
Heer, gebruik mijn woorden vandaag

Heer, gebruik mijn woorden vandaag

Wilmer Blijdorp
  • Leespreek

In de rubriek leespreek publiceren wij een preek geschikt voor persoonlijke meditatie, ter bespreking op een Bijbelstudiekring of voor gebruik in de eredienst. In het laatste geval dien je altijd eerst contact met de auteur op te nemen om toestemming te verkrijgen. Bij deze preek is een PowerPoint-presentatie beschikbaar die je kunt opvragen bij de auteur. Deze preek van ds. Wilmer Blijdorp (verbonden aan NGK Barneveld-De Burcht) vertrekt vanuit het eerste vers van 1 Korintiërs 14. Een Bijbelvers dat vaak misbruikt of genegeerd is: ‘Richt je op de gaven van de Geest, vooral op die van de profetie.’ Op een nuchtere en tegelijk spannende manier, gelardeerd met diverse herkenbare voorbeelden, daagt Blijdorp zijn hoorders uit om toch vooral opmerkzaam te zijn op momenten waarop God in het hier-en-nu tot ons spreekt. En, in een vervolgstap, maakt hij hen ook bewust van het feit dat God ook door ons heen wil spreken.

Lees artikel
De belijdenis over de zondeval en wat er op het spel staat

De belijdenis over de zondeval en wat er op het spel staat

Marinus de Jong
  • Vitaal belijden

In het meinummer van Onderweg verdedigde ds. Ulbe van de Meer zijn exegese van Genesis 3. In tegenstelling tot de synode van Assen in 1926 claimt hij dat de slang niet gesproken heeft en dat het schadelijk is om dat te blijven zeggen. In het hoofdredactioneel in dat nummer constateert de hoofdredactie dat Van de Meer en met hem anderen op dit punt afwijken van de belijdenis. In deze bijdrage werk ik dat nader uit. Wat zegt de belijdenis eigenlijk op dit punt? En wat staat daarbij op het spel?

Lees artikel

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief