‘Sport trekt zichtbaar scherpe grenzen’

0

Hans Riemer is nu alweer enkele jaren predikant van de GKv in Langerak. Daarvoor werkte hij als sportleraar. Hoe komt iemand ertoe om zo’n overstap te maken? En wat hebben sport, onze lichamelijkheid en het geloof met elkaar te maken?

Hans Riemer: ‘Deze opleiding leek mij een soort combi van hobby en werk, de héle dag sporten!’ (beeld Hans Vel Tromp)

Hans Riemer: ‘Deze opleiding leek mij een soort combi van hobby en werk, de héle dag sporten!’ (beeld Hans Vel Tromp)

Hans Riemer wilde al vanaf heel jong sportleraar worden. ‘Ik heb nog een tekening liggen uit groep 8: een breedgeschouderd mannetje met daaronder “sportleraar”. Dat had met een paar dingen te maken. Ik kon gemakkelijk bewegen, ik was goed in sport, ik had er plezier in. En in mijn periode op de middelbare school groeide dit idee, ook omdat sportdocenten ernaar vroegen: moet jij geen sportleraar worden? Zo kwam de CALO, echt dé opleiding voor sportleraar, in beeld. Deze opleiding leek mij een soort combi van hobby en werk, de héle dag sporten!’

Die CALO kwam er inderdaad voor jou. En toen?
‘Ik weet niet of ik mij vooraf goed genoeg gerealiseerd heb wat ik ermee zou gaan doen. Wilde ik inderdaad sportleraar worden? Kijk, de CALO was leuk en gaf me alle gelegenheid om met sport bezig te zijn. Maar al vrij snel kwam het element van leraarschap erbij: je ging stage lopen. Ik had zelf voor die richting gekozen om sportleraar te worden, vooral ook door mijn eigen goede ervaringen met sportdocenten. Maar tijdens het stage lopen merkte ik dat ik ging twijfelen over mijn toekomst hierin. Daarom heb ik na afronding van de CALO de keus nog uitgesteld; ik ben eerst aan het werk gegaan bij het Leger des Heils onder dak- en thuislozen. Pas daarna ben ik sportleraar geworden.’

Hoe was dat?
‘Ik had een mooie eindstage gehad, dat gaf mij een bevestiging van wat ik kon als sportleraar. Ik heb mooie dingen meegemaakt, vooral over de betekenis van sport voor kinderen, voor jongeren. Ik ben vol goede moed begonnen als sportleraar op een middelbare school. In die tijd merkte ik dat ik eigenlijk intensiever contact met jongeren zou willen. Een klas komt, een klas gaat, dat heeft iets vluchtigs. Terwijl ik zo benieuwd was naar hoe jongeren in het leven staan. Ik kreeg het gevoel dat ik hen bezighield, terwijl ik vooral meer bij hen betrokken wilde zijn.’

‘Een klas komt, een klas gaat, dat heeft iets vluchtigs’

Ik stel mij even een sportles voor. Gaat het daarin alleen om bewegen, om iets doen, of kun je er meer in kwijt?
‘Voor dat laatste is er zeker ruimte. Juist daarin zitten voor mij, terugkijkend, ook de geluksmomenten. Ik denk aan een meisje dat zich zichtbaar ongelukkig met haar lichaam voelde. Stel je voor hoe dat is als je in een ruimte komt, de gymzaal, waarin dat lichaam iets moet gaan doen. Ik zag haar daarmee worstelen. Vervolgens stond ik voor de vraag: hoe breng ik haar over de grens waardoor ze zich vertrouwd en goed voelt in haar eigen lichaam? Hiervoor is turnen een heel mooi onderdeel. Dat gaat over vertrouwen hebben in je eigen lichaam. Aanvankelijk weigerde ze. Maar na veel praten deed ze mee. Als zij dan na een oefening die buiten haar comfortzone lag met een grote glimlach op de mat stond, was mijn dag geslaagd. Of aan die ene jongen die zo ontzettend boos de zaal binnenkwam. Door daar even aandacht aan te geven en daarna te sporten, kon hij zijn emoties kwijt. Even ontladen om tot rust te komen.’

Kun je zeggen dat sport iets in zich heeft van de mogelijkheid tot geluk, tot ergens bij horen?
‘Dat is zo. Het gekke daarbij is dat sport zichtbaar scherpe grenzen trekt. Neem wiskunde. Als je daar als leerling niet goed in bent, is dat wel okay; de een kan het, de ander niet. Bij sporten werkt het anders: sporten maakt de tegenstelling concreter. Want daar sta je dan, in de gymzaal. Als het heel zichtbaar wordt dat je met sport, met dat bewegen, grote moeite hebt, dat je dat eigenlijk niet goed kunt… Dat knalt!

Sport heeft toch iets bijzonders. Misschien is dat bijzondere wel dat sporten de mens de mogelijkheid geeft om naar perfectie, naar schoonheid te streven. En als dit niet lukt, niet werkt, dan doet dat zeer.’

‘Hoe breng ik haar over de grens
waardoor ze zich goed voelt in haar eigen lichaam?’

En als het wel lukt, hoor je ergens bij?
‘Ja. Je ziet dat sterk terug bij dans en acrobatiek. Ik vond dat vaak mooie en uitdagende lessen. Bij dansen moet je je grenzen willen opzoeken. De vraag is: wil ik dat? Je ziet dat jongens dan vaak wat gek gaan doen. Als je dan als docent laat zien: we doen zoiets samen, alleen dan werkt het, dan stappen ze over die drempel heen. Hetzelfde gebeurt bij acrobatiek. Sommige handelingen daarin laten zien dat je elkaar nodig hebt. Als dat besef groeit, dan merken de deelnemers als vanzelf dat het werkt, dat zwakkeren en sterkeren er voor elkaar zijn, dat ze elkaar nodig hebben. Ze merken dat sport mensen verenigt over lichamelijke of psychische grenzen heen.’

Je vertelt er enthousiast over. Toch koos je later voor theologie. Waarom?
‘Op den duur merkte ik dat ik struikelde over het ontbreken van echte betrokkenheid bij de leerlingen, bij zingeving. Waardoor ik mij afvroeg: is dit wat ik zoek? Daarna kwam de vraag: wat dan wel? Al in de CALO-tijd had ik gesprekken over God, over zingeving. Van hieruit dacht ik aan theologie, om predikant te worden. Dat komt voort uit een al oudere vraag bij mij. Als ik vroeger in de kerk zat, dacht ik vaak: waarom doen we dit zo en niet anders? Toen al had ik soms het idee: hier zou ik zelf bij betrokken willen zijn, om hier verder over na te denken.’

Hans Riemer: ‘Er zijn echt mogelijkheden voor verbinding, alleen al dat heel praktische dat ik meevoetbal, dat verbroedert.’ (beeld Hans Vel Tromp)

Hans Riemer: ‘Er zijn echt mogelijkheden voor verbinding, alleen al dat heel praktische dat ik meevoetbal, dat verbroedert.’ (beeld Hans Vel Tromp)

Je bent nu enkele jaren predikant. Heeft dit werk jou gebracht wat je ervan hoopte?
‘Wat ik nu weet, en eigenlijk al wel wist, is dat het ideaal dat je een kerk zomaar even kunt veranderen niet werkt. Dat is ook logisch. Tegelijk merk ik dat ik in de kerntaken die ik heb – catechese, pastoraat, prediking – heel veel kwijt kan. Daar komt bij dat ik inderdaad de gelegenheid heb om met jongeren meer de diepte in te duiken. Althans, dat probeer ik.’

Helpen jouw affiniteit en ervaring met sport jou bij het werk als predikant?
‘Ik denk dat dit zeker nog uitgebouwd kan worden. Ik ben nu vooral gefocust op de kerntaken van het predikantschap. Maar er leeft bij mij zeker het verlangen om die twee meer bij elkaar te brengen. Er zijn echt mogelijkheden voor verbinding, alleen al dat heel praktische dat ik meevoetbal, dat verbroedert.’

‘Je verliest niet in je eentje.
Na afloop vertel je samen een verhaal’

Met deze OnderWeg willen we in kaart brengen of de boodschap van Pasen en Pinksteren niet alleen met onze geest te maken heeft, maar ook met ons lichaam, dat ‘eigendom van Jezus Christus’ is. Herken je hier iets van?
‘Ja, de schepping en herschepping gaan ook over het lichaam. Maar zodra je dit zegt, proef je ook dualisme. Het lichamelijke lijkt in onze relatie met God, in ons hele geloofsleven, nog weinig een rol te spelen. Terwijl het anders kan: als je samen het element van lichamelijkheid ook in de kerk inbrengt – meer bewegen, meer expressie – dan groei je in verbondenheid. Mag je er zijn zoals je bent?

Een mooi voorbeeld is voetbal. Wat vind ik daar mooi aan? Zoals ik die sport beleef, zit je er met lijf en leden in, met alles. Als je voetbalt, merk je dat er van alles gebeurt, ook in het contact met anderen. Er vallen mooie én boze woorden. En toch proef je: elk karakter, iedereen heeft zijn eigen plek en met elkaar werk je aan een doel. Dat doel, winnen, wordt niet altijd gehaald. Maar ook dan helpt het dat je het samen doet: je verliest niet in je eentje. En na afloop vertel je, ook al was er tijdens de wedstrijd onderlinge boosheid, samen een verhaal: het was goed, we hebben ons best gedaan, op naar de volgende keer.’

En dan wijzelf, de kerk, wat leren wij van voetbal?
‘In een kerk, hier heel breed bedoeld, vertellen we na afloop nogal eens ons eigen verhaal. Waardoor zomaar, ook al is dat onbedoeld, het gevoel van samen, het gezamenlijke, ontbreekt. Juist daarvoor is het inbrengen van onze lichamelijkheid – meer samen vieren, meer samen treuren, elkaar uitdrukkelijk groeten, samen juichen en noem maar op – van groot belang.’

Delen.

Over de auteur

Leendert de Jong (GKv) werkt in de media en is hoofdredacteur van OnderWeg.

Laat een reactie achter