Je leven uit handen geven

0

Iemand schreef eens dat we in onze tijd steeds ouder worden, maar tegelijkertijd korter leven. Op het eerste gezicht is dit een tegenstrijdigheid. Als je ouder wordt, dan leef je toch ook langer? Maar deze tegenstrijdigheid verdwijnt als je beseft dat in onze cultuur het perspectief op de eeuwigheid is verdwenen. Pasen is geen werkelijkheid meer in onze samenleving.

(beeld Ruslan Danyliuk/iStock)

(beeld Ruslan Danyliuk/iStock)

Vroeger ging Nederland in groten getale met Pasen naar de kerk om uit volle borst ‘De Heer is waarlijk opgestaan’ te zingen. De laatste decennia gaat ons volk minder vaak naar de kerk om de opstanding van de Heer te vieren. Pasen heeft het moeten afleggen tegen de autonomie van de (post-)moderne mens. Genade komt niet meer van boven maar van beneden. Eeuwig leven is geen gave van God, maar een project van de individuele mens. Met als gevolg dat de ‘eeuwigheid’ samengebald moet worden in een kort mensenleven.

Pasen vertelt het verhaal van Jezus Christus, die in alles de weg van de Vader ging. Die weg leidde tot het kruis waar hij de bekende woorden sprak: ‘Het is volbracht’. Christus legde de regie over het einde van zijn leven in de handen van God. De (post-)moderne mens legt de regie over het einde van zijn leven in zijn eigen handen. Het is de vraag of deze handen die regie wel kunnen dragen.

Paulus

In 1 Korintiërs 15 gaat Paulus uitgebreid in op de opstanding van de doden. Hij roept zijn lezers op om vast te houden aan de boodschap over Christus die hij verkondigd heeft. Hij vat die samen in de woorden: sterven, begrafenis, opstanding en verschijning.

In de gemeente van Korinte waren gelovigen die meenden dat er geen opstanding uit de dood bestaat (vers 12). In scherpe bewoordingen maakt Paulus zijn lezers duidelijk dat deze opvatting haaks staat op zijn verkondiging: ‘Als de doden niet opstaan, is ook Christus niet opgewekt; en als Christus niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos’ (verzen 13-14). Enkele verzen later schrijft hij: ‘Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen. Zoals de dood er is gekomen door een mens, zo is ook de opstanding uit de dood gekomen door een mens. Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt. Maar ieder op de voor hem bepaalde tijd: Christus als eerste en daarna, wanneer Hij komt, zij die Hem toebehoren’ (vers 20-23).

Hiermee schetst Paulus met enkele pennenstreken de betekenis van het paasevangelie. De kernboodschap is dat Christus werkelijk is opgestaan en dat wij door Hem zullen opstaan. Met andere woorden: met Pasen staat de eeuwigheid op het spel. In de woorden van Paulus: ‘Als wij alleen voor dit leven op Christus hopen, zijn wij de beklagenswaardigste mensen die er zijn’ (vers 19).

Breuklijn

Waarom is de westerse mens korter gaan leven? Wat is er gebeurd dat die mens de betekenis van de opstanding verloren heeft? Om deze vragen te beantwoorden, ga ik terug in de geschiedenis. De Franse filosoof Luc Ferry geeft een mooie beschrijving van de geschiedenis van de westerse cultuur. Hij begint met het christendom. In zijn visie vertrouwt een christen op iemand buiten zichzelf, op een persoon die vlees en bloed is geworden, die is opgestaan uit de doden. Een persoon met een naam: Jezus Christus. Als je een christen dus vraagt: ‘wat vind je van Pasen’, dan zal hij of zij zeggen: ‘ik geloof in Jezus Christus die is opgestaan uit de doden’. Dat geloof is in het westen vele eeuwen beleden en heeft die westerse cultuur in alles gestempeld.

Maar in de zeventiende en achttiende eeuw veranderde er iets in het denken van de mens. Stap voor stap begon het vertrouwen op ‘iets buiten de mens’ plaats te maken voor vertrouwen op ‘iets in de mens’. Er is sprake van een breuklijn in het denken. Het vertrouwen in Jezus Christus wordt vervangen door het vertrouwen in de menselijke rede. Voor de moraal betekende dit dat de mens niet meer het gebod van de liefde volgde, maar op basis van de rede een nieuwe moraal ontwikkelde. Met de pretentie van een universele moraal: iedereen zou zich hieraan moeten houden. Ook de visie op het heil veranderde. Het geloof in het leven na dit leven werd vervangen door het geloof van een ‘hemel op aarde’; een geloof dat in de weg van wetenschap en techniek gerealiseerd zou moeten worden. Deze opvattingen worden vaak aangeduid als het ‘moderne denken’.

Halverwege de twintigste eeuw werd een nieuwe breuklijn zichtbaar: het postmodern denken. Het geloof in de rede begon zijn glans te verliezen en de gedachte aan een universele moraal verdween. De individuele mens kwam in beeld. Hij ontwikkelde zijn eigen moraal en gaf vorm aan zijn eigen leven, niet gehinderd door enige invloed van buiten. Op elk levensterrein. Op het gebied van relaties, seksualiteit en uiterlijk. En ook, als sluitstuk, op het gebied van het levenseinde.

Lucht

Christenen zijn altijd kinderen van hun tijd geweest. Dat kan niet anders en dat zal ook nooit anders worden. Er zit ook iets moois in: we kunnen alleen het evangelie verkondigen als we met beide benen in de cultuur staan. De tijdgeest kan vergeleken worden met lucht. We ademen die elke dag, elk uur en elke minuut in. Zo hebben christenen tot pakweg de zestiger jaren van de vorige eeuw de tijdgeest van het moderne denken ingeademd. Je ziet dit onder andere terug in de manier van redeneren (rationeel) en organiseren (beheersen).

Sinds enige decennia ademen ook christenen de tijdgeest van het postmoderne denken in. Die heeft enkele mooie kanten: meer aandacht voor de menselijke ervaring en meer respect voor individualiteit. Maar die tijdgeest vormt ook een bedreiging voor de kerk. Met name in het geloof dat ‘ik zelf wel bepaal wat goed en kwaad is’ en met de opvatting dat ‘alles draait om het individu en dat relaties daaraan ondergeschikt zijn’.

Voltooid leven

Het is een typische vrucht van het postmoderne denken dat je als mens regie moet hebben over het einde van je eigen leven. Er zit iets vreemds in de gedachte dat je zelf bepaalt wanneer je leven ‘voltooid’ is. In de eerste plaats: leven doe je niet alleen. Elk mens leeft in relatie. Elk mens is van betekenis voor de ander. Dan is het lastig om te verdedigen dat je zelf bepaalt wanneer je leven voltooid is. In de tweede plaats: niemand weet wanneer zijn leven voltooid is. Er kan nog van alles gebeuren na het geregisseerde einde. Ook activiteiten waarin je van betekenis voor een ander kunt zijn en anderen van betekenis voor jou kunnen zijn. Daar komt nog iets bij: als de mens al de regie over het leven zou hebben, geldt deze dan ook voor het sterven waarvan hij noch de betekenis, noch de zin kent of overziet?

(beeld Pearl/LigthStock)

(beeld Pearl/LigthStock)

Achter ‘voltooid leven’ gaat een problematiek schuil die het hele bestaan raakt. Els van Wijngaarden spreekt in haar boek Voltooid leven over het losraken en vervreemden van de wereld. Over onthechting en diepe eenzaamheid. Over het onvermogen en de onwil om verbinding te maken met de wereld. Als iemand zwaar lijdt onder kanker, een slopende spierziekte, dementie of een stapeling van ernstige ouderdomsklachten, raakt dat ook het hele bestaan. Het is begrijpelijk dat mensen dan zeggen ‘ik wil dit lijden niet meer’ en de vraag naar euthanasie aan de orde komt.

Zuchten

Wat betekent Pasen als de onthechting toeslaat, je diep eenzaam bent, aan een slopende spierziekte lijdt of de diagnose dementie hebt gekregen? De grootste valkuil voor christenen kan weleens zijn dat ze op dit soort vragen ‘te snel’ antwoord geven en ’te gemakkelijk’ woorden van hoop spreken. Hoe paradoxaal dat ook klinkt. Ik denk daarbij aan de bekende woorden van Paulus in Romeinen 8:22-23. ‘Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt. En dat niet alleen, ook wijzelf, die als voorschot de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn, de verlossing van ons sterfelijk bestaan.’

Deze tekst gaat over zuchten en lijden. Niet alleen het zuchten en het lijden van de schepping, maar ook het zuchten en lijden van de kinderen van God. In een tussenzin geeft Paulus een mooie karakteristiek van die kinderen van God: ‘die als voorschot de Geest hebben ontvangen’. We zuchten in afwachting van de ‘verlossing van ons sterfelijk bestaan’. ‘We zuchten’, zoals Arie de Reuver schrijft, ‘met het licht van Pasen in de rug.’ Dat licht mag ons inspireren op weg naar het eeuwige licht. Vanuit dit perspectief begint Pasen met oog hebben voor de zieke, eenzame en kwetsbare mens. Dat is ook precies wat Paulus doet: hij geeft het volle pond aan het zuchten en lijden van de kinderen van God.

Uit handen

Hoe ga je om met ‘voltooid leven’? Hoe ga je om met onthechting en eenzaamheid? Met uitzicht op nog meer lijden? Paulus benadrukt steeds weer dat wij door alle verdriet en pijn heen leven in relatie met Christus. Ik vind zo indrukwekkend aan het lijdensverhaal dat Christus de regie over het einde van zijn leven in de handen van God legt. Daar zit ook het volgende in: ik zit vast in mijn angst, ik kan het niet overzien, ik kan in deze situatie niet de beste beslissing nemen. Maar dit tekent vooral het vertrouwen van de Zoon in de Vader. Onze handen zouden wel eens een beslissing over het einde van ons leven niet kunnen dragen in tijden van onthechting, eenzaamheid en ernstig lijden; omdat een beslissing over leven en dood te groot voor ons mensen is: we overzien immers lang niet alles. Ook omdat degene die zich onthecht voelt, eenzaam is of ernstig lijdt, wellicht niet in staat is een goede beslissing te nemen.

Misschien moet diegene in gebed zo’n beslissing in de handen van Christus leggen. Want Christus werkt (ook) vaak door anderen heen. Daarom is het mooi om dit soort beslissingen (mede) te leggen in de handen van geliefden, naasten, pastores en artsen. Zij staan immers om ons heen en representeren de liefde van Christus. Lijden is een bittere werkelijkheid; een werkelijkheid die haaks staat op het refrein van Genesis 1: ‘En God zag dat het goed was’. Van de arts mag gevraagd worden dat hij of zij ‘alles uit de kast haalt’ om dat lijden te bestrijden. Uit liefde en zorg. Ook als dat betekent dat ons leven (sterk) bekort wordt. Juist aan het einde van het leven mogen we vertrouwen op de belofte van God: ‘Ik vergeet jou nooit. Ik heb je in mijn handpalm gegrift’ (Jesaja 49). Een prachtige oudtestamentische verwoording van Pasen!

Vragen

  • Hoe kun jij je verplaatsen in het verdriet, de eenzaamheid en het lijden van de ander? Welke middelen heb jij tot je beschikking?
  • Hoe kun je in tijden van verdriet, pijn en lijden het evangelie ter sprake brengen zonder dat je ‘te snel’ of ‘te gemakkelijk’ het Woord van God in de mond neemt?
  • Herken je bij jezelf dat je beïnvloed wordt door de geest van de postmoderne tijd: ‘ik heb regie over mijn eigen leven’?
  • Denk eens na over de betekenis van het gebod van Christus ‘je naaste liefhebben als jezelf’ in een situatie van onthechting en diepe eenzaamheid of in een situatie van pijn en ernstig lijden.
Delen.

Over de auteur

Maarten Verkerk is onder meer bijzonder hoogleraar filosofie aan de TU Eindhoven en de Universiteit Maastricht.

Laat een reactie achter