Ruim baan voor jou

Robert Roth | 20 juni 2020
  • Opinie
  • Thema-artikelen

Schrijven over zelfverloochening vind ik pittig. Een Bijbelse verkenning is nuttig en volgt verderop. Maar om het bij mezelf te houden en vanuit eigen kaders te schrijven, vind ik belangrijk. Dan snap je als lezer vanzelf de accenten die ik zet. Jouw accenten zijn wellicht anders.

(beeld Mary Long/Shutterstock)

(beeld Mary Long/Shutterstock)

Wat wil je? Mijn levensverhaal loopt langs lijnen van ontkend worden. Zo heb ik dat tenminste gevoeld. Als er iets schrijnend is geweest in mijn leven is het dat: ontkend worden. Mijn vader en moeder dachten dat ze me zagen staan en dat ze mij erkenning gaven. Maar ze gaven het allerminst. Met alle gevolgen van dien. Ik raakte op mijn negentiende depressief, had geen basis om keuzes te maken (wat voor keuzes dan ook). Ik voelde me opgescheept met een leven dat ik niet wilde. Ik wist niet wat ik wel wilde. Nou ja, het liefst sterven, want leven als ontkende wilde ik niet.

Toen kwamen er vrienden, broers en zussen, die bij me wilden zijn en dat verdroeg ik niet altijd. Maar ze bleven en heel langzaam ontpopte ik, uiteindelijk geholpen door een fantastische therapeut. Ik ervoer dat ik werd gezien, ook als mijn binnenkant niet om aan te zien was. Ten diepste was dit waar ik naar hunkerde: gezien worden. Aangeraakt, gerespecteerd in mijn beleving, mijn zoeken, mijn vinden, mijn geloven, mijn liefhebben, mijn haat en angst. Dit wilde ik, ruim baan voor mij. ‘De ander belangrijker achten dan mijzelf’, ik heb het lange tijd geslikt als zoete koek, het was me aangeleerd. Ik heb het lange tijd vervloekt, omdat ik ontdekte hoe belangrijk het was om goede aandacht te ontwikkelen voor mijzelf. Maar inmiddels vind ik ‘de ander hoger achten dan mijzelf’ een van de mooiste dingen om te doen. Niet dat het altijd vanzelf gaat, maar toch: het is een andere, verrijkende kijkrichting.

Ruimte voor anderen

Hoe terecht het ook is om jezelf te ontwikkelen en aandacht te vragen voor wie je bent en wat je belangrijk vindt – je bent tenslotte niet voor niets op deze wereld gezet als schepsel van God – op een gegeven moment ben je daar ook wel een beetje klaar mee. Alleen maar aandacht voor meer van jezelf wordt geweldig saai. Je kunt ook zeggen: er komt (hopelijk) een moment dat er voldoende bevestiging is van wie je bent, dat er verzadiging optreedt. Dan komt er ruimte voor anderen. Dat is meestal niet een scharniermoment in je geschiedenis, maar vaker een keten van dat soort momenten. Die helpen je echter wel om te groeien. Het wordt mogelijk en vooral ook prettig om te zwijgen; fijn om te luisteren; een verlangen om anderen uit te nodigen: kom, spreek, wees aanwezig, deel jezelf mee.

Hoe ga je dit in vredesnaam voor elkaar krijgen?

Het is een voorrecht om anderen in de ruimte te zetten. Dan draait het om anderen en niet om mij. Dat heeft niks te maken met dat jezelf niet belangrijk zou zijn, maar met jezelf even parkeren. Eerder ervoer ik dat ik mezelf opzij moest zetten en dat dat pijn deed, offers kostte. Dat is nu niet meer overwegend mijn beleving. Waarom zou het erg zijn om jezelf niet in te brengen? Het geeft enorm veel ervaring van vrijheid als ik onbegrensde aandacht heb voor de ander. Die geeft me vergezichten die ik in mezelf niet vind. Die geeft me zicht op God dat ik niet heb. Die geeft me zicht op pijn en vreugde die de mijne niet zijn. Geregeld keert het gesprek zich dan om. Als er bij de ander verzadiging optreedt, ligt zomaar de vraag op tafel: hoe gaat het met jou? Geregeld is dat een schok: zo gericht op de ander dat de wedervraag als een verrassing komt. Ik, waar was ik ook alweer…?

Gezindheid van Christus

Zelfverloochening staat in het bredere kader van de gezindheid van Christus (Filippenzen 2:3-4) en de barmhartigheid van God (Romeinen 12:1-2, vooraf aan vers 9-10). Die gezindheid van Christus is de omgekeerde werkelijkheid van het leven na de zondeval. De mens (zowel de man als de vrouw) vond eigen verlangen belangrijker dan Gods verlangen; de schuld van de vrouw groter dan zijn schuld; de schuld van de slang groter dan haar schuld. De handelende en sprekende mens ging voortdurend boven de ander staan.

De gemeenschap viel vervolgens uiteen. In plaats van leven met elkaar, leefde men ten koste van elkaar: Kaïn sloeg zijn broer Abel dood. De gezindheid van Christus is hieraan tegengesteld. Mensen worden opgeroepen om zichzelf niet boven God of een medemens te plaatsen, maar zich nederig op te stellen (Matteüs 23:1-12). Hij doet er goed aan om een ander boven zichzelf te plaatsen (Romeinen 12:10), of, iets letterlijker ‘in eerbetoon elkaar voorgaand’ (Naardense Bijbel), met als bron de ‘oprechte liefde’ (Romeinen 12:9).

Liefhebben

In Matteüs 22:37-40 herinnert Jezus ons eraan dat Gods geboden zijn gegeven om lief te hebben. Ik word opgeroepen om God en mijn medemens lief te hebben zoals mezelf. Dat is de kern ervan. Een ander dienen zoals ik zelf ook graag gediend word. Eén gebod, twee kijkrichtingen. Jezus geeft dit gebod in een confrontatie met de Joodse leiders die eropuit zijn om Hem om te brengen. Het kan niet zo zijn dat je de mond vol hebt over God en tegelijk je naaste naar het leven staat. Integendeel, het is één gebod: God liefhebben en je naaste als jezelf. Ook als je de ander als een kennelijke bedreiging ziet. Ik zie hier dezelfde manier van spreken als in Romeinen en Filippenzen: de liefde van Christus laat me de ander in de ruimte plaatsen. Het gaat niet ten koste van mezelf. De naaste liefhebben ‘als mijzelf’ gaat ervanuit dat ik mezelf koester en van waarde vind.

Sterven en opstaan

Wanneer we Filippenzen 2:2-4 overwegen, worden we geconfronteerd met een nogal bruuske uitwerking van de gezindheid van Christus voor de vorming van een gemeenschap. Jezus deed afstand van zijn gelijkheid aan God. Hij werd een dienende slaaf in de persoon van een mens. Hij vernederde zich en was gehoorzaam tot in de dood aan het kruis. Hier wordt ‘de ander belangrijker achten dan jezelf’ verbonden met het lijden en sterven van Christus. Dat schetst wel hoe ingrijpend het voorstel van Paulus is. Het laat je voelen dat je zelf totaal opzij stapt voor een ander. Sterker nog, dat jij je aan de ander geeft in je wens samen te leven met hem en haar. Hoe ga je dit in vredesnaam voor elkaar krijgen? Maar lees nog even door! Dit is niet het einde van het verhaal.

(beeld Pixel Creative/Lightstock)

(beeld Pixel Creative/Lightstock)

Het vervolg van Filippenzen 2 verhaalt over Jezus die ook weer is opgericht, door zijn Vader geëerd werd met de naam die elke naam te boven gaat en met de belofte dat de hele schepping voor Hem, Jezus, buigen zal. Er zit bedoelde wederkerigheid in ‘de ander belangrijker achten dan jezelf’. Jezus heeft meegemaakt en zal meemaken dat Hij ook gediend en geëerd wordt. Als de gezindheid van Christus de grondtrek van de gemeenschap is, dan ben ik niet de enige in die gemeenschap die een stap opzij doet voor de ander, maar dan stapt de ander ook voor mij opzij en geeft me alle ruimte.

Waar samenleven in Filippenzen 2 wordt gekoppeld aan het sterven en opstaan van Jezus, is dit meer dan een voorbeeld voor de gemeente van Christus. Het sterven en opstaan van Jezus is ook bron van deze gemeenschap (Filippenzen 2:5: in jullie moet zijn wat ook in Christus Jezus was). Paulus noemt in zijn brief aan de Korintiërs (1:18) de boodschap van het kruis voor degenen die gered worden, de kracht van God. In zijn sterven versloeg Jezus de dood, onttrokken aan ons oog, maar zichtbaar in de vanzelfsprekende opstanding (wat moet je anders als je de dood hebt overwonnen?). Wie ‘in Christus’ is door op Hem te vertrouwen, is in staat om te veranderen, te groeien: (aan zich)zelf te sterven en op te staan, anderen ruimte te geven en te genieten van ruimte die je van elkaar ontvangt.

Vrijheid

Romeinen 14 leert me steeds in de omgang met anderen het belang van anderen in het oog te houden. Om bij verschillende geloofsovertuigingen in de gaten te houden of de ander door mijn geloofspraktijken in zijn gaan met God wordt geschaad. Zal het hem of haar bij God vandaan brengen? Met souplesse in geloof beweegt Paulus zich in de gemeente en geeft ruimte. Maar het brengt hem niet in de knoop. Juist zijn vrijheid voor God, zijn geloofsovertuiging die hij voor God kan verantwoorden, blijven hem de ruimte geven om zich te bewegen en de kern van gemeente-zijn in de gaten te houden.

In mij wordt Jezus zichtbaar

‘Het koninkrijk van God is een zaak van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest’ (Romeinen 14:17). Binnen het kader van Romeinen 14 zijn dat relationele begrippen: gerechtigheid onderling, vrede en vreugde onderling. Je kunt het ook wel zo weergeven: bij verschillen van inzicht (zwakken en sterken) is het belangrijk dat jij je bevrijding door Christus samen in vrede en vreugde kunt blijven vieren. Dus drijf je je eigen inzicht niet als normatief voor iedereen, maar je geeft ruimte. Zonder daarmee de suggestie te wekken dat als je ruimte geeft aan anderen, je eigen geloofsovertuiging minder belangrijk is. De ander een plek geven is een vorm van dienstbetoon die niks te maken heeft met jezelf onbelangrijk vinden, maar met ruimte geven en creëren met behoud van eigen vrijheid.

Ruimte voor God

In Marcus 8:34 spreekt Jezus de woorden uit: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter Mij aan komen.’ Om het (voor mij) maar wat spannender te vertalen: wie Jezus wil volgen, moet zichzelf ontkennen, zijn kruis op zich nemen en zo achter Hem aangaan. Dat is een vertaling die het mes in mijn hart zet. ‘Jezelf ontkennen’, ik vond het al misselijkmakend dat ik thuis ontkend werd. Nu is de pointe van Jezus: ga jezelf ontkennen. Is dat niet nog erger? Als je de tekst isoleert van alles wat gezegd is, dan wel.

Petrus krijgt in het voorafgaande vers een inzichtgevende berisping: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’ Dit is Genesis 3: niet God, maar Satan, niet de ander boven je plaatsen, maar jezelf boven anderen plaatsen. Het geeft de indruk van menselijkheid, de woorden waarmee Petrus opkomt voor Jezus (Matteüs 17:22), maar het is hoogmoed en godsontkenning. Die hoogmoed en godsontkenning moeten eraan geloven. Om ruimte te maken voor God die een mens vernieuwt. Zoals Paulus daarover spreekt in Galaten 2:20: ‘Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij.’ Als ik sterf met Jezus, kan ik alleen maar opstaan. Om anders dan voorheen te leven. In mij wordt Jezus zichtbaar.

Verwerking

1. Wat is jouw verhaal bij het thema zelfverloochening?

2. Waar ligt je verzet tegen en je sympathie voor zelfverloochening? Wat zijn voor jou sprekende voorbeelden van relaties en/of gemeenschappen waar zelfverloochening functioneert? Wat verandert er in jouw leven, als/nu je in een gemeenschap leeft waarin mensen werk maken van zelfverloochening?

3. Lees het essay van Ann Voskamp in de Gulliver van het Nederlands Dagblad (ND) van 29 mei 2020. (Oude kranten weggedaan? Raadpleeg het ND digitaal op www.nd.nl.) Welke ideeën geeft het jou in de omgang met elkaar en je omgeving vandaag?

4. Lees het gedicht ‘Vriend’ op webpagina robertrothblog.wordpress.com/vriend. Op wat voor manier associeert het met ‘zelfverloochening’?

5. Bespreek een of meer van de vijf punten die in dit artikel genoemd worden. Betrek bij de bespreking de reële mogelijkheid van terugval, frustratie en je omgang daarmee.

Over de auteur
Robert Roth

Robert Roth is predikant van de 3G-kerk in Hengelo.

Verschillende gaven, één Geest

Verschillende gaven, één Geest

Bram Beute
  • Beschouwing
  • Thema-artikelen
‘Laten we minder in ons hoofd zitten’

‘Laten we minder in ons hoofd zitten’

Arie Kok
  • Interview
  • Thema-artikelen

Reageer op dit bericht

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief