Proefschrift over Veenhof raakt een snaar

0

In het klimaat van het absolute. Zo heet het proefschrift waarmee Ab van Langevelde, lid van de NGK Groningen, op 23 september promoveerde aan de TU Kampen. Van Langevelde dook voor zijn promotie in het leven en werk van Cornelis Veenhof (1902-1983), een sleutelfiguur in de geschiedenis van de GKv en de NGK. Twee jonge theologen, Bart van Egmond en Jelle Knol, lazen de dikke pil en geven hun oordeel.

Bart van Egmond (30) was werkzaam als junior-onderzoeker aan de TU Kampen, promoveerde deze zomer op Augustinus en is sinds 18 juni beroepbaar binnen de GKv. Hij is lid van de GKv Kampen-Noord.

Jelle Knol (27) studeerde recent af aan de TU Apeldoorn en de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding. Hij is lid van de NGK Oegstgeest.

Wat trof je al lezend in het boek het meest?
Bart van Egmond: ‘Na het lezen van het boek stond ik perplex, met name door wat ik las over de strijd en ruzie in de GKv in de jaren na de Vrijmaking. Ik herkende me erg in Veenhofs vragen over de sfeer in de GKv van die tijd: kennen wij onze zonden eigenlijk wel, en weten we ons afhankelijk van Gods genade of baseren we onze identiteit op onze trouw in de Vrijmaking en de doorgaande reformatie? Die sfeer ken ik vanuit mijn eigen jeugd. Het trof me ook dat Veenhof de dood van Schilder en Holwerda interpreteerde als een tuchtiging van God, die de mensen ertoe moest brengen stil te staan bij de gesteldheid van hun eigen hart tegenover Hem en tegenover elkaar.’

011820 VeenhofJelle Knol: ‘Nog niet eerder heeft het lezen van een proefschrift bij mij zo veel gevoelens opgeroepen. Van Langevelde citeert veel en uitgebreid uit brieven die C. Veenhof uitwisselde met vrienden en collega’s. Dat maakt het boek persoonlijk: je gaat meevoelen. Juist daardoor raakte het me hoeveel pijn de kerkelijke conflicten in aanloop naar de Vrijmaking en naar de scheuring in de jaren zestig mensen hebben gedaan. Vriendschappen verkoelden of werden verbroken, familierelaties raakten beschadigd en gemeenten werden gescheurd, dwars door de avondmaalstafel heen. Het kostte Veenhof en vele anderen hun gezondheid en hun levensvreugde. En zal het God zelf niet ook verdriet hebben gedaan?’

Moeten we als GKv en NGK – gelet op wat je gelezen hebt – nog iets met ons verleden als kerken?
Bart van Egmond: ‘Ik weet niet zo goed of wij als kerkverbanden moeten “uitpraten” wat er rondom de Open Brief gebeurd is. Ik kan me wel voorstellen dat dit voor plaatselijke herenigingen van belang is. Dat is op veel plaatsen ook al gebeurd.

Waar we voor moeten uitkijken, is dat hereniging een soort ideologie wordt, gedragen door schaamte over wat er eind jaren zestig in de GKv gebeurd is. Gemakkelijk wordt de NGK voorgesteld als de kleine Calimero die verpletterd werd onder de voortrazende trein van hardliners uit de latere GKv. Die ideologie kan een eerlijke benadering van wat er in het verleden gebeurd is in de weg staan. Als er zaken uit het verleden uitgepraat moeten worden, gaat het erom recht te doen aan onze broers en zussen van toen (zie pagina 12 van de dissertatie) en aan de zaak waar zij voor stonden, ook als dat de weg naar hereniging niet gemakkelijker maakt.’

Jelle Knol: ‘Ik merk dat veel van deze conflicten ver afstaan van de huidige beleving van veel NGK’ers en GKv’ers. Onze tijdgeest is niet meer “het klimaat van het absolute”. Daarom kun je op sommige punten een grote afstand voelen. Hoe is het mogelijk dat mensen zó overtuigd waren van hun eigen gelijk? Hoe is het mogelijk dat opinieleiders elkaar over en weer met zo veel vuur kapot schreven en dat conflicten zó konden escaleren?

Toch lijkt het me noodzakelijk om ons verleden eerlijk onder ogen te zien. De scheuring uit de jaren zestig is een wond en het proefschrift van Van Langevelde laat zien hoezeer individuele mensen gewond zijn geraakt. Om een wond zo goed mogelijk te genezen, is het belangrijk om te weten hoe hij ontstaan is.

In lijn met onze gezamenlijke traditie lijkt me dat de plaatselijke gemeenten bij het zoeken naar verzoening en hernieuwde eenheid de spits zullen vormen. Het is bemoedigend om te horen en te zien dat die plaatselijk stappen de laatste jaren steeds vaker worden gezet.’

Wat betekent het boek voor het hier en nu NGK en GKv zijn?
Bart van Egmond: ‘Na het lezen van dit boek kun je gemakkelijk hoofdschuddend zeggen: die mensen vochten elkaar de tent uit, daar wil ik niet bij horen. Dat was mijn eerste gevoel toen ik het boek uit had. Maar ik geloof dat het juist typisch christelijk is om de mensen uit dit boek te erkennen als onze vaders en moeders in het geloof. Wij horen bij elkaar als leden van hetzelfde lichaam van Christus. Wij zijn vatbaar voor dezelfde zonden als zij, maar hebben ook veel aan hen te danken.

Onze eigen kerkgeschiedenis kan zich, op z’n zachtst gezegd, niet verheugen in grote populariteit. Maar ik hoop dat een boek als dit eraan bijdraagt dat we die geschiedenis weer gaan zien als een rijke bron van geloofskennis en -ervaring.

Wat dat betreft viel me het “theologische gehalte” van het boek trouwens wel wat tegen. Er is juist theologisch zo veel moois te ontdekken dat nog steeds actueel is voor geloven en kerk zijn vandaag. Ik ben bijvoorbeeld, door dit boek, begonnen in Veenhofs Prediking en uitverkiezing. Een prachtig boek, waarin Veenhof laat zien dat je de gemeente ruimhartig kunt aanspreken als het geliefde volk van God, zonder te vervallen in een gezapig verbondsautomatisme, waarin we allemaal al binnen zijn en er niets meer op het spel staat.’

Jelle Knol: ‘Het boek maakt duidelijk hoezeer opvoeding en tijdgeest iemand beïnvloeden. Veenhof reageerde op het piëtisme waarin hij was opgegroeid en werd gestempeld door het (modernistische) klimaat van het absolute. Velen binnen de NGK en de GKv van vandaag hebben volgens mij een tegenovergestelde achtergrond: ze zijn opgegroeid in een intellectualistisch kerkklimaat en ademen de postmoderne tijdgeest met zijn relativisme. Het boek kan een waarschuwing zijn om niet van de weeromstuit te vervallen in de tegenovergestelde fout. Het streven naar kerkelijke eenheid tussen NGK en GKv moet geen gevoelskwestie zijn (als tegenreactie tegen het intellectualisme) en geen relativeren van alle verschillen (gestempeld door postmodernisme), maar – om in termen uit onze gezamenlijke voorgeschiedenis te spreken – een gehoorzaamheid aan de koning van de kerk, die blijvend zijn kerk wil vergaderen.’

Archief- en Documentatiecentrum
Het onderzoek van Ab van Langevelde was een project van het Archief- en Documentatiecentrum (ADC) in Kampen. Het ADC is de bewaarplaats voor de archieven van de GKv en stimuleert historisch onderzoek naar het gereformeerde verleden. De NGK heeft in 2009 zijn archieven bij het ADC ondergebracht. Momenteel wordt vanuit beide kerken nagedacht over verdere samenwerking binnen het ADC.

Delen.

Over de auteur

Jordi Kooiman is freelance journalist en webredacteur van OnderWeg.

Laat een reactie achter