In memoriam Gert van den Brink

0

Emeritus predikant Gert van den Brink (NGK) overleed dinsdag 8 maart op 92-jarige leeftijd. ‘Decennialang leerde hij de gemeente vervoegen: “Jezus is gestorven, ik ben gestorven. Jezus is opgestaan, ik ben opgestaan”’, schrijft Ad de Boer in een in memoriam.

Gert van den Brink. (beeld John Roeland)

Gert van den Brink. (beeld John Roeland)

‘Na de verzoeningsmaaltijd kon hij sterven’, twitterde iemand na het overlijden van ds. Gert van den Brink. Je kunt ook zeggen: na de verzoeningsmaaltijd mócht hij sterven: God gunde hem de vervulling van zijn hartsverlangen, voor Hij hem riep.

Die verzoeningsmaaltijd: het avondmaal in de GKv Eindhoven op 31 januari 2016, dat hij op uitnodiging van de kerkenraad meevierde, bijna 50 jaar na de breuk daar. Hij beleefde het als een rehabilitatie, waarvan hij lang dacht dat die er voor hem nooit zou komen. ‘Mijn naam is namelijk te zeer met de zaak-Telder verbonden en die ligt nog steeds gevoelig’, schreef hij me een paar jaar geleden. Maar het kwam er toch van, op het nippertje, en hij was er intens blij mee. ‘Ik had niet gedacht dat het zó mooi zou zijn’, zei hij achteraf.

De zaak-Telder

Na zijn jeugd in Maassluis en Voorburg en na mulo, kweekschool en staatsexamen gymnasium ging Van den Brink naar Kampen om predikant te worden. Hij studeerde er van 1947 tot 1952: jaren waarin onder de studenten de eerste tegenstellingen zichtbaar werden die later de vrijgemaakte kerken uiteen zouden scheuren. Maar in een terugblik op die tijd roemde hij de goede verhoudingen onder de Kamper hoogleraren, van wie Veenhof het sterkst zijn stempel op hem heeft gedrukt.

Drogeham was zijn eerste gemeente, na enkele jaren gevolgd door de combinatie van Veendam en Sappemeer. In 1961 nam hij het beroep aan naar Eindhoven. Daarmee kwam hij in een deel van het land terecht waar de spanningen rond de leer van ds. Telder (Breda) – dat de ziel na het sterven slaapt tot Jezus terugkomt – hoog opliepen. Zelf had hij op grond van de Bijbel moeite met die opvatting.

Binnen de classis zette Van den Brink zich ervoor in dat deze leer inhoudelijk zou worden afgewezen, maar dat gebeurde pas in 1965. Zijn inhoudelijke verzet tegen deze opvatting ging steeds gepaard met een hartstochtelijk pleidooi om in de leer van de kerk te onderscheiden tussen hoofd- en bijzaken en de band met ds. Telder en zijn gemeente vast te houden.

Tot op hoge leeftijd heeft de zaak-Telder hem beziggehouden en vroeg hij er aandacht voor. In 2010 schreef hij er in een special van Opbouw en De Reformatie nog uitvoerig over. Hij kon niet verkroppen dat het in de jaren zestig onmogelijk was gebleken om elkaar, ondanks verschillen van inzicht, in Christus te aanvaarden. Dat mildheid werd verward met slapheid, en lankmoedigheid voor broeders die mistasten met tolerantie voor ketterij.

‘Ja, zo wil ik ook dominee zijn’

In de jaren van de kerkstrijd heeft Gert van den Brink zich volhardend ingezet voor de weg van de vrede en keer op keer geprobeerd bruggen te slaan tussen broeders in Christus. Omdat (met de titel van het boekje dat hij erover schreef) ‘het schisma liegt’: want in Christus zijn we één. Terwijl hij veel liever preekte of cathechiseerde, moest hij kerkelijke vergaderingen bezoeken en rapporten of bezwaarschriften schrijven.

Toen hij met zijn gemeente was ‘weggeorganiseerd’ uit het kerkverband, is hij op de deur blijven bonzen, tot aan de synode toe: laat ons binnen! Maar in ‘het klimaat van het absolute’ hadden duiven als hij in zijn beleving geen schijn van kans tegen de haviken.

Een spoor van zegeningen

Diverse predikanten zijn door de kerkstrijd geknakt, lichamelijk of mentaal. Maar Gert is er, ondanks zijn pijn en verdriet, niet aan ten onder gegaan. Zijn jaren in de buiten het verband geraakte vrijgemaakte kerken, later de NGK, zijn zegenrijke jaren geworden, waarin hij in vreugde en vrede zijn werk heeft kunnen doen en ‘een spoor van zegeningen heeft achtergelaten’, zoals zoon Kees zei in de ‘celebration of life’, waarin werd gedankt voor zijn leven.

Van 1970 tot 1974 diende hij de kerk van Zwolle. Dat was maar kort, vanwege de spanningen tussen een rationele en een meer evangelische benadering van geloof en kerk zijn, die er later tot een breuk zouden leiden. Toch heeft hij in die paar jaar op veel gemeenteleden een onuitwisbare indruk gemaakt. Zeker vijf Zwolse jongeren van toen zijn door het voorbeeld dat hij gaf predikant geworden. ‘Ja, zo wil ik ook dominee zijn’: dichtbij, vrijmoedig, enthousiast, warm, bewogen, eigentijds.

Zijn jaren daarna in Rotterdam, waar hij werkte tot zijn emeritaat in 1988, zijn goede jaren geweest, waarin hij vanuit een nauwe verbinding tussen pastoraat en prediking de mensen heeft vertroost en vermaand met het evangelie van Jezus Christus. Voor diverse theologische stagiaires en beginnende predikanten is hij in die jaren een geestelijke vader geworden.

Gods beloften

Gert van den Brink was voluit gereformeerd. Op ‘vrijzinnige verhaaltjes’ kon hij fel reageren, net als op overspannen geestdrijverij. De Bijbel was voor hem het Woord van God en de gereformeerde confessie – een paar treden lager – was hem lief. De betrouwbare beloften van God waar de Bijbel vol van is, stonden bij hem centraal.

In veel Nederlands-gereformeerde gemeenten wordt nog steeds het door hem aangepaste doopformulier gebruikt, waarin Gods beloften bijna staccato klinken. Maar verbondsautomatisme was hem vreemd en in dat formulier klinkt daarom keer op keer, na elke belofte van God: gelóóf je dat?

Hij zei: ‘Iedereen hier in de kerk die Jezus Christus nog niet als zijn Verlosser heeft aangenomen, moet dat vandaag nog doen’

In die afkeer van een eenzijdige ‘belofte-theologie’ hebben zijn contacten met bevindelijke christelijk-gereformeerden en met baptisten zeker een rol gespeeld. Het verbond van God met mensen was de vloer waarop hij preekte, maar zonder bekering en wedergeboorte zal het niet gaan, wist hij.

Daarom waren zijn preken appellerend, zoals ik zelf in 1965 ervoer toen hij midden in een preek over ‘Euodia vermaan ik en Syntyche vermaan ik, eensgezind te zijn in de Here’ (Filippenzen 4:2) opeens zei: ‘Iedereen hier in de kerk die Jezus Christus nog niet als zijn Verlosser heeft aangenomen, moet dat vandaag nog doen.’ Wow, dat had ik nog nooit gehoord in de vrijgemaakte kerk. Het sloeg in als de bliksem en werd het begin van een ommekeer in mijn leven.

Geheim

In de dagen na zijn overlijden hebben velen getast naar het geheim van de preken van Gert van den Brink. Het taalgebruik was origineel, ze stonden midden in de actualiteit en ze waren praktisch, beeldend en indringend. Gert van den Brink was theologisch niet eenkennig, boorde nieuwe bronnen aan (Martin Lloyd Jones, John Stott) en dat hoorde je terug in zijn preken. Hij gaf de mensen zicht op de wereldwijde kerk én op de wereldwijde strijd tussen God en Satan en haalde hen daarmee weg bij veel ‘klein vaderlands gedoe’.

Wat er onder de mensen leefde en wat er in de wereld gebeurde, verwerkte hij in zijn preken. Rond 1970 liet hij herhaaldelijk liedjes van The Beatles in de dienst horen, om van daaruit vervolgens naar het diepere water van Gods Woord af te steken.

‘Hij liet de mensen dicht bij zijn eigen hart komen
en kwam zo ook dicht bij hun hart’

Ook het geheim van zijn preken gaat dieper. ‘Je geloofde elk woord dat hij zei. Voor clichés was geen plek, want hij moest het zelf ook geloven. Wat hij zei, had hij zelf bevochten en doorleefd. En je ervoer tijdens zijn preken dat Gods Woord levend en krachtig is’, zo verwoordde Gerrit Zwarts het in de dankdienst voor zijn leven. ‘Door zijn preken werd je binnengeleid in de werkelijkheid van Christus en in de ruimte van zijn genade.’ En zoon Kees zei: ‘Hij liet de mensen dicht bij zijn eigen hart komen en kwam zo ook dicht bij hun hart. Je proefde dat God het verschil maakte in zijn leven.’

Nooit kwam voor mijn gevoel de hemel dichterbij dan toen hij preekte over de Jakobsladder en Psalm 139: de preek die hij maakte in Nieuw-Zeeland in de nacht voor de begrafenis van zijn vermoorde broer, die hij plotseling moest leiden. Die preek heeft hij daarna in tal van plaatsen in Nederland gehouden. Zoveel jaren later zijn er nog mensen die zo diverse fragmenten uit die preek kunnen reproduceren. ‘Als je gelovig wilt worden, moet je naar die preek luisteren’, zei ds. Fred Blokhuis.

Eenheid

De eenheid van allen die Jezus Christus liefhebben, had zijn hart. Gert van den Brink was de eerste vrijgemaakte predikant die op een christelijk-gereformeerde preekstoel stond en in het zich vormende buitenverbandse kerkverband speelde hij na 1970 al snel een actieve rol in het contact met de CGK. Het deed hem verdriet dat er vanaf 1980 een knik kwam in die eerst zo perspectiefvolle ontwikkeling, maar hij bleef ervoor gaan.

Van den Brink stond aan de wieg van het voorstel om als CGK en NGK een federatie aan te gaan, elkaar te erkennen als ware kerken van Jezus Christus, elkaars leden te aanvaarden aan het avondmaal en elkaars dienaars te aanvaarden op de kansel, ‘ook al kan het vanwege het verschil in geloofsbeleving wijs zijn van deze vrijheden en rechten nog geen gebruik te maken’ (LV Breukelen 1981/1982).

Ds. Gert van den Brink nam recent deel aan een avondmaalsviering in zijn oude gemeente, de GKv Eindhoven.  (beeld Joost Sytsma)

Ds. Gert van den Brink nam recent deel aan een avondmaalsviering in zijn oude gemeente, de GKv Eindhoven. (beeld Joost Sytsma)

Ook bepleitte hij op die LV met succes een aanpassing van artikel 40 AKS. Ondanks het feit dat die nieuwe kerkorde na tien jaar debat net was aanvaard, vond hij dat je de inhoud daarvan principieel ter discussie moest willen stellen, als de eenheid met andere kerken daarom vroeg. En in die zin werd op zijn voorstel artikel 40 gewijzigd.

Ook de band met de GKv bleef trekken. Mede met het oog op de eenheid met die kerk schreef hij in Een kerk ging stuk samen met ds. Henk van der Kwast de geschiedenis van de kerkscheuring. Wat was hij blij, toen het na een lange poolwinter lente werd in de verhouding tussen GKv en NGK.

Voor de eenheid met andere christenen keek Gert van den Brink overigens niet één kant op. Je zou hem een evangelical avant la lettre kunnen noemen. In Eindhoven werkte hij hartelijk samen met baptisten in kinderevangelisatiewerk en in Zwolle introduceerde hij Campus Crusade for Christ. Graag ging hij het gesprek aan over het werk en de gaven van de Geest en hij wist veel over revivals in de kerkgeschiedenis.

Toch was hij huiverig dat ‘vrome ervaringen’ de plaats zouden innemen van Gods werk als grond van onze redding. ‘Hoe meer (geestes)gaven, hoe groter de risico’s. We voelen ons vromer. Maar een mens wordt nooit gered door goede werken, ook niet door de vroomste. Maar alleen door het geloof in God die de goddeloze vrijspreekt’, schreef hij in 2007 in Opbouw in een briefwisseling met zijn kleindochter Rachel.

Laatste periode

In de laatste periode van zijn leven werd zijn lichaam kwetsbaar, maar bleef zijn geest helder. Hij bleef studeren en genoot van de nieuwste theologische boeken en Bijbelvertalingen. De laatste jaren was er het verdriet om het sterven van zijn vrouw Jo en van zijn zoon Wouter, met alle waarom- en andere levensvragen die hem bij tijden besprongen en die hij in ‘het linkeronderlaatje’ stopte, zoals zijn kinderen en kleinkinderen wisten. ‘Je hoeft niet overal een antwoord op te hebben en dat krijg je ook niet. Stel je vragen maar aan de Here God als je hem later ontmoet.’

Dwars daardoorheen was er de vreugde en de verrukking (hij zette er graag een paar uitroeptekens achter) over de God die Jezus Christus ons heeft laten zien. Maar ook over zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. En natuurlijk op het laatst over dat ongedachte geschenk van de verzoening in Eindhoven, waardoor via het uitreiken van brood en wijn de wonden al hier op aarde werden geheeld: één Heer, één doop, één geloof, één brood, één lichaam. Want Christus is niet gedeeld en het schisma is dood en begraven.

‘Stel je vragen maar aan de Here God als je hem later ontmoet’

Vóór het dankgebed waarmee hij in de ochtenddienst van 31 maart de avondmaalsviering in Eindhoven afsloot, verkondigde hij, zoals hij dat zijn leven lang had gedaan, Jezus Christus. Zoals hij decennialang (met dank aan Watchman Nee) de gemeente had leren vervoegen: ‘Jezus is gestorven, ik ben gestorven. Jezus is opgestaan, ik ben opgestaan’, zo stond ook in zijn laatste publieke woorden het ‘in Christus’ zijn centraal.

‘God kijkt naar ons in Jezus Christus. Hij ziet ons niet als zondaren, maar als waren wij Christus, staat er in Romeinen 5. Dat moet je toch aanvliegen? En dat betekent dus dat wij als Christus voor elkaar zijn en elkaar als Christus ontmoeten!’ En hij zong het met de gemeente mee: ‘Ik wil jou van harte dienen en als Christus voor je zijn.’

Als tekst voor de dankdienst vóór zijn begrafenis koos hij 1 Johannes 5:20: ‘Wij weten dat Gods Zoon naar de wereld gekomen is. Hij heeft ons de ware God van dichtbij leren kennen. Wij zijn verbonden met de ware God, omdat we verbonden zijn met zijn Zoon, Jezus Christus. Hij is de ware God, alleen bij Hem is het eeuwige leven. Pas dus goed op, lieve vrienden (kindertjes), voor alle afgoden!’ Dat geloofde hij, dat leefde hij voor, dat verkondigde hij.

Dank u wel, Heer, voor die boodschap en voor deze boodschapper.

Delen.

Over de auteur

Ad de Boer is actief in het NGK-kerkverband en was hoofdredacteur van OnderWeg.

Laat een reactie achter