Drie wetenschappers over hun geloof

0

Kun je anno 2017 met goed fatsoen zowel wetenschapper als christen op je visitekaartje schrijven? Roept dat weerstand op? Hoe ga je daar dan mee om? En wat doe je als de twijfel om de hoek komt kijken? Drie perspectieven.

Tjerk Oosterkamp (1972), hoogleraar experimentele natuurkunde aan de Universiteit Leiden

‘In de natuurkunde wordt God niet zo snel uitgesloten’

Hoe licht u uw werkzaamheden toe op een verjaardagspartijtje?
‘Ik zeg dat ik met jonge mensen werk. Dat ik ze help hun grenzen te verleggen, en dat we experimenten doen. Wie doorvraagt, vertel ik over de grondslagen van kwantummechanica. Ik leg uit dat we in een wondere wereld leven, waarin deeltjes op twee plaatsen tegelijk kunnen zijn en er tussen twee objecten die op grote afstand van elkaar staan toch een wonderlijke verstrengeling kan zijn. Zo wonderlijk dat je alleen maar kunt concluderen dat ruimtelijkheid anders in elkaar zit dan we zelf bedenken.’

Tjerk Oosterkamp: 'Ik ervaar alle vrijheid om te geloven en zie bij mijn collega’s zelfs een bepaald verlangen.'

Tjerk Oosterkamp: ‘Ik ervaar alle vrijheid om te geloven en zie bij mijn collega’s zelfs een bepaald verlangen.’

U dreigt mij nu al kwijt te raken…
‘Door middel van lichtpulsjes hebben collega’s twee stukjes diamant vragen kunnen stellen. Het bijzondere is: de antwoorden zijn niet te voorspellen, maar we weten wel dat het ene diamantje altijd het tegenovergestelde antwoord geeft als het andere. Zegt het ene diamantje “omhoog”, dan zegt het andere “omlaag”. Je zou zeggen: de enige manier waarop dat kan, is dat de twee diamantjes met elkaar overleggen. Maar daar hebben ze geen tijd voor, omdat de diamantjes op grote afstand van elkaar staan. Conclusie: er is een verbondenheid tussen die twee diamantjes, ook al zijn ze ruimtelijk van elkaar gescheiden.’

Als alfafiguur ben ik dan geneigd te zeggen: oké, maar wat kun je ermee?
‘De verstrengeling van de diamantjes is één van de ingrediënten van de kwantumcomputer, een computer die meerdere sommen tegelijk kan uitrekenen en daardoor ongekend veel sneller is dan de computers die we vandaag kennen.’

Heeft uw geloofsovertuiging ook een verstrengeling met deze diamantjes?
‘Ja, ze haalt een filosofische dimensie in mij naar boven. Onze wereld is niet zo dicht te timmeren als mensen denken. Eind negentiende eeuw werd gedacht: alles is een machine. En ook vandaag proberen mensen als neurobioloog Dick Swaab ons zoiets te vertellen: wij zijn niets meer dan de chemicaliën in ons brein. Maar dat is veel te kort door de bocht. Het gaat voorbij aan de intrinsieke willekeurigheid die bijvoorbeeld in mijn werk naar voren komt.

Mijn gedachte is dat de bizarre werkelijkheid waarin wij leven alle ruimte biedt voor de mogelijkheid dat de mens de willekeurigheid kan beïnvloeden. Met andere woorden: als mensen door de natuurwetenschap menen te moeten twijfelen of ze wel een vrije wil hebben, dan is er echt iets misgegaan. En dan worden begrippen als verantwoordelijkheid, liefde of genade – onterecht – erg problematisch.’

Hebt u het daar weleens over met collega’s?
‘Ja, daar kan ik goed met hen over praten. Dat hele absolute van “wij zijn ons brein” komt onder natuurkundigen en ook wiskundigen nauwelijks voor. De natuur- en wiskunde zijn zó rijk! Er komt telkens weer iets voor de ingang van de platonische grot voorbij – of zoals ik zou zeggen: uit de hemel neerdalen – wat heel bruikbaar blijkt. Dat zijn vraagstukken waarvan je het antwoord heel goed kunt aanvoelen, maar toch niet kunt bewijzen. Dat besef weerhoudt een wiskundige of natuurkundige van al te absolute uitspraken.’

Dus u ervaart geen spagaat tussen geloofsbeleving en wetenschapsbeoefening?
‘Nee, eerder andersom. Ik ervaar alle vrijheid om te geloven en zie bij mijn collega’s zelfs een bepaald verlangen: “Wat fijn dat je dit kunt geloven, ik zou willen dat ik het kon.” Of mensen die zeggen: “We geloven hetzelfde, maar ik noem het anders. Ik heb niet zo veel met jouw Jezus, maar God, daar kan ik best wel wat mee.”’

Hebt u met twijfels te kampen?
‘De experimenten die ik uitvoer vergen een lange adem. Het zou kunnen zijn dat ik er over twintig jaar achter kom dat ik al die tijd op een doodlopende weg heb gezeten. Maar ik ben blij dat het doen van wetenschap jonge mensen helpt in hun ontwikkeling. Daar mag ik iets aan bijdragen.’

Hoe dan?
‘Ik vind het belangrijk om studenten te laten nadenken over wat hun drijfveren zijn. Waarom neem jij later verantwoordelijkheden op je? Welke rol speelt angst bij het kiezen van de aanpak van je experiment? Hoe ga je later om met verdriet? Dat leidt ook tot de wedervraag: hoe doe ik dat zelf?’

Hoe doet u dat zelf?
‘Onlangs stond ik voor een commissie die moest beslissen over een financiering van 2,5 miljoen euro voor een lang onderzoekstraject. Dan komt ook bij mij de angst naar boven. Straks leggen ze een zwakte bloot in mijn verhaal, ontmaskeren ze me als een charlatan, zien ze een fout in mijn berekening. Op die momenten ben ik blij met mijn persoonlijke relatie met Jezus. Ik weet dat mijn succes als wetenschapper niet maatgevend is voor mijn geluk. Ik mag daar staan als een bevrijd mens.’


Herman van Eck (1961), universitair docent plantenwetenschappen aan de Universiteit Wageningen

‘Genetisch bewijs voor een zondvloed ontbreekt volledig’

Wat doet u precies?
‘Ik houd me bezig met de overerving van opbrengst- en kwaliteitseigenschappen van aardappelen, om op DNA-niveau efficiënter nieuwe rassen te kunnen selecteren. Op verjaardagsfeestjes houd ik het er liever bij dat ik “in de aardappelen” zit. Want als ik over DNA en plantenveredeling begin te praten, volgt vaak een vraag met gefronste wenkbrauwen: “Ben je dan ook aan het manipuleren?”’

En dat vindt u vervelend?
‘Je zit meteen in de verdediging. Kennis wint het zelden van de meningen op het internet. Voor soortgrensoverschrijdend knippen en plakken – de transgenese – was onvoldoende politiek draagvlak. De ChristenUnie zag ruimte om van standpunt te wisselen als het product ook via het bloemetje en het bijtje tot stand had kunnen komen, de cisgenese. Maar wat zijn soortgrenzen dan? Spreekt de Bijbel in biologische termen? Ik denk dat genetische modificatie beantwoordt aan het scheppingsmandaat: bevolk de aarde en breng haar onder je gezag.’

Herman van Eck: 'Mijn collega's weten dat ik geloof en wetenschap op een gezonde manier kan scheiden.'

Herman van Eck: ‘Mijn collega’s weten dat ik geloof en wetenschap op een gezonde manier kan scheiden.’

Onder uw expertisegebieden staat op de website van de universiteit ook evolutie. Vinden uw collega’s dat niet vreemd, een christen die ook evolutiebioloog is?
‘Ik ben geregeld ter verantwoording geroepen door collega’s die het maar een wonderlijke combinatie vonden. Maar inmiddels weet men dat ik geloof en wetenschap op een gezonde manier kan scheiden.’

Hoe doet u dat dan?
‘Ik vind dat zowel het christelijk geloof als de wetenschap zich met oorsprongsvragen moeten bezighouden. Wat is de oorsprong van alles? Waar komen we vandaan? De wetenschap moet zich noodzakelijkerwijs bepreken tot onderzoek naar reproduceerbare processen: de hoe-vragen. Ik geloof niet dat de Bijbel hier iets over zegt. Daarom is het moeilijk om in de antwoorden op hoe-vragen de plek van God aan te wijzen.’

Hoe bedoelt u?
‘Als het in de Bijbel over onze oorsprong gaat, dan gaat het over waarom-vragen. Er komt veel beeldspraak aan te pas. Denk aan Job, als God hem vraagt: “Wie sloot de zee af met een deur, toen ze uit de schoot van de aarde brak?”

Ik las eens over een experiment. Studenten kregen elk tien verschillende stukjes tekst voorgelegd; uit een krant, een gebruiksaanwijzing, een gedichtenbundel, een liefdesbrief enzovoort. Vervolgens werd hun gevraagd de stijlfiguur te onderscheiden: moet je de tekst letterlijk verstaan of als een metafoor? Wat is de bedoeling van de auteur? De studenten konden die vragen feilloos beantwoorden. Ik denk dan: waarom vinden we het als christenen zo ingewikkeld om in de Bijbel proza, liederen en poëzie van geschiedschrijving te onderscheiden?’

U maakt dat onderscheid wel?
‘Ja. Als je bijvoorbeeld het verhaal van Noach letterlijk moet nemen, dan zou de hoeveelheid genetische variatie binnen alle biologische soorten ontstaan zijn sinds een tamelijk recent tijdstip: enkele duizenden jaren geleden. Immers, elke populatie werd volgens Genesis teruggebracht tot één mannetje en één vrouwtje, en bij sommige soorten tot tien mannetjes en vrouwtjes. In DNA-onderzoek zou je een dergelijke genetische bottleneck moeten kunnen terugvinden, maar nergens in de genetica is er ook maar een spoor van bewijs. Dus een wereldwijde vloed? Vanuit de populatiegenetica kan deze reset niet worden onderbouwd.’

Bent u als gevolg van uw werk anders gaan denken?
‘Zeker. Ik begon als een product van het verlichtingsdenken. Ik dacht altijd dat ik een objectief waarheidsbegrip overeind kon houden en dat er zoiets is als zuivere wetenschap en systematische theologie. Maar het is gaan schuren. Het blijft schuren. Dat vind ik best moeilijk. Help, God! Hoe moet ik dit allemaal begrijpen?’

Krijgt u daar een antwoord op?
‘Vandaag de dag zie ik dat wetenschap en geloof allebei waarheidszoekende bewegingen zijn en dat de heuristiek, de manier waarop de wetenschap naar waarheid zoekt, heel voorlopig is. Er worden steeds modellen ontwikkeld om een stukje van de werkelijkheid te begrijpen. Daarbij moet je de ruwe data laten spreken en niet jouw stokpaardjes overeind houden. Dat wil ik ook terugzien in de theologie, waar men aan de hand van de Bijbel steeds een stukje van Gods werkelijkheid probeert te begrijpen. Ik vind dat een mooie vorm van Bijbelgetrouwheid.

Ik neem de Bijbel als ruwe data en probeer te verstaan wat ik lees over een God, een schepper, over zonde en vergeving. Dat verhaal heeft me gegrepen, waardoor ik hartstochtelijk blij ben dat God van mij houdt en een bodem onder mijn bestaan heeft gelegd, dat er een heilige Geest is die mij woorden, gedachten en beelden ingeeft en dat ik daarmee een intuïtie heb ontvangen die me altijd bij Christus laat uitkomen.’


Annemarie Walter (1985), onderzoeker bij de afdeling politicologie aan de Universiteit van Nottingham

‘Ze zeiden: we gaan je verlossen van het juk van je geloof’

Waar houdt u zich mee bezig in uw werk?
‘Ik ben onderzoeker bij de afdeling politicologie aan de Universiteit van Nottingham. Mijn onderzoek gaat over de invloed van negatieve campagnevoering op de politieke opvattingen en het kiesgedrag van mensen. Met andere woorden: helpt het om een negatief licht te schijnen op het doen en laten van je politieke tegenstanders? In Nederland was dat bijvoorbeeld Jan Peter Balkenende, die tegen Wouter Bos zei: u draait en u bent niet eerlijk. En in de Verenigde Staten zijn de voorbeelden uit de voorbije presidentscampagne natuurlijk overvloedig.

Momenteel breid ik mijn onderzoek uit naar de effecten van onbeschaafd gedrag van politici. Bijvoorbeeld: geen hand geven, de ander uitlachen of je tegenstander niet laten uitpraten.’

Annemarie Walter: 'Ik werkte in een ontzettend seculiere werkomgeving, waar mensen geregeld met me over mijn geloof in gesprek gingen.'

Annemarie Walter: ‘Ik werkte in een ontzettend seculiere werkomgeving, waar mensen geregeld met me over mijn geloof in gesprek gingen.’

En, heeft het effect?
‘Negatieve campagnevoering heeft altijd effect. De vraag is of het ook effectief is. Kun je er de verkiezingen mee winnen? Dat is moeilijk te zeggen, omdat er tal van factoren een rol spelen. Wel lijkt het erop dat je er in een tweepartijensysteem, zoals in Amerika, meer mee bereikt dan in een meerpartijensysteem, zoals in Nederland. In ons land is er simpelweg meer te kiezen. Aanvalsgedrag hoeft de aanvallende partij geen electorale winst op te leveren en kan zelfs een andere partij aan stemmen helpen. Kiezers in meerpartijensystemen hebben vaak een voorkeur voor meer dan één partij en zullen voor hun tweede voorkeur stemmen als ze, bijvoorbeeld door negatieve campagnevoering, teleurgesteld zijn in hun eerste voorkeur.’

Heb je zelf een (moreel) oordeel over negatieve campagnevoering?
‘Mijn onderzoek is kwantitatief, mijn mening doet er niet toe. Als de cijfers iets laten zien, is het belangrijk. Los daarvan vind ik negatieve campagnevoering niet per definitie slecht. Conflict is onderdeel van alle politiek. Als onderzoeker kijk ik, anders dan campagneteams, ook naar de langetermijneffecten. Mensen houden niet van negatieve campagnevoering. Een campagneleider zal daarmee kunnen leven als het toch leidt tot een stem voor zijn kandidaat, maar een gevolg kan wel zijn dat kiezers teleurgesteld raken in de politiek.’

Speelt je geloofsovertuiging een rol in je werk?
‘Niet echt. Politicologie is niet een vakgebied waarin je geloofsovertuiging op de proef wordt gesteld of schuurt met je vakinhoudelijke werk. Daarbij: sinds ik in Engeland werk, word ik er nauwelijks op bevraagd. De scheiding tussen werk en privéleven is hier veel nadrukkelijker aanwezig dan in Nederland. Mensen weten wel dat ik religieus ben, maar daarmee houdt het op.’

Was dat in Nederland anders?
‘Ja. Moeilijker ook. Ik werkte als promovenda aan de Universiteit van Amsterdam; een ontzettend seculiere werkomgeving, waar mensen ook geregeld met me over mijn geloof in gesprek gingen. Dat was niet per se vervelend, maar er is ook weleens gezegd: “We zullen je wel verlossen van het juk van je geloof.”

Ik leefde een beetje op de rand van twee gemeenschappen. Enerzijds in de wetenschappelijke wereld, waar alles ter discussie staat, en anderzijds in een vrij radicale pinkstergemeente, waar er maar één interpretatie is van het Woord van God. Dat radicale past op allerlei manieren bij me, maar het leverde ook conflict op. Ik werd er bijvoorbeeld op aangekeken dat ik te gast was op het huwelijk van één van mijn beste vrienden, die homoseksueel is. Iets wat in mijn werkomgeving natuurlijk volkomen geaccepteerd was. Ik dacht op een gegeven moment: waar hoor ik nou echt bij?’

Waar leidde dat toe?
‘Tussen God en mij is er geen frictie geweest, maar tussen mij en de christelijke gemeenschap wel. En dan met name met individuen die oordelen, die bijvoorbeeld vinden dat je als vrouw geen carrière mag nastreven of dat je ergens geen andere geloofsopvatting over mag hebben. Iemand heeft weleens tegen me gezegd: “Wat jij doet, daar heeft God de vrouw niet voor geschapen.” Tegenwoordig houd ik me wat meer op de vlakte. Ik spreek me minder vaak uit als ik ergens anders over denk. Dan krijg je ook minder weerstand.’

Delen.

Over de auteur

Felix de Fijter is journalist en als hoofdredacteur verbonden aan De Nieuwe Koers.

Laat een reactie achter