Gezagscultuur

0

Van 1964 tot en met 1968 studeerde ik in Kampen aan de Theologische Hogeschool (Universiteit) van de GKv. Over deze periode schreef Johan Schaeffer onlangs een inzichtgevende studie.

De TU Kampen. (beeld Antoine.01 / CC BY-SA 3.0)

De TU Kampen. (beeld Antoine.01 / CC BY-SA 3.0)

Schaeffers boek, Verscheurd door trouw, riep allerlei herinneringen bij me op. Hij beschrijft wat in 1967-1968 plaatsvond tussen de academische senaat en een veertiental studenten. Schaeffer typeert het als een ‘studentenprotest in Kampen in de jaren zestig’. Deze typering doet denken aan de studentenprotesten in Amsterdam in die jaren, met de bezetting van het Maagdenhuis als hoogte/dieptepunt. Zouden er in het provinciaalse Kampen aan een uiterst orthodox-christelijke predikantenopleiding studentenprotesten zijn geweest? Het was een studentenprotest, maar dan wel van een geheel eigen signatuur.

Ik haal de geschiedenis van die jaren nu niet breed op. Maar juist toen kwam een al lang smeulend conflict binnen de GKv tot ontploffing. Hoe moest de Vrijmaking van 1944 beoordeeld worden? Ik typeer de beide posities even, te kort door de bocht, als heilshistorisch of kerkhistorisch. Was het ten diepste Gods werk, een genadige uitleiding van zijn volk uit het synodale diensthuis, de valse kerk naar artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis? Of was het een al te menselijk conflict, waarin men wel goed gekozen had, maar dat men toch moest proberen op te lossen door zo mogelijk te herenigen met de Gereformeerde Kerken in Nederland? Dit conflict veroorzaakte de crisis aan de Hogeschool, waaraan Schaeffer zijn boek wijdt.

Vooral zijn analyse van de briefwisseling tussen de senaat en de protesterende studenten raakte bij mij een snaar. Hij merkt op hoe afstandelijk de toon van de brieven van de senaat aan de studenten was. Ze werden gekenmerkt door wat ik formalisme zou willen noemen.

Formalisme

De omgang tussen hoogleraren aan de ene kant en studenten aan de andere kant was strikt formeel. Ik ben geen cultuurfilosoof die dit verschijnsel in de bredere context van die tijd kan verklaren. Ik heb de indruk dat de hele cultuur toen formeel was. Er waren vaste patronen van omgang tussen gezagsdragers en burgers, werkgevers en werknemers, ambtsdragers en gemeenteleden, en dus ook tussen hoogleraren en studenten. Tegen deze verticaal gestructureerde cultuur liep men te hoop in de jaren zestig. Daarvan waren de studentenprotesten een symptoom.

Ook in Kampen leefden we in deze gezagscultuur. Christelijk onderbouwd: studenten werden geacht zich te stellen onder opzicht en tucht van de academische senaat, die door de kerken over hen was aangesteld. Het vijfde gebod klinkt hierin duidelijk door. De omgangsvormen aan de Hogeschool lagen vast in gevestigde patronen. Beleefdheid is het trefwoord hier; van gemoedelijkheid of zelfs ook broederlijkheid was geen sprake. Op de colleges werd het gedeelde geloof meer verondersteld dan dat het expliciet ter sprake kwam. Maar ik maak een uitzondering voor de preekcolleges van professor C. Veenhof.

Toch waren er wel fluisteringen van een wind van verandering, die onvermijdelijk ook Kampen zou bereiken. Zo was er veel kritiek onder studenten over het niveau van de opleiding die gegeven werd. Er kwam een studentencommissie, die overleg pleegde met de senaat over de opzet van de studie, de verplichte literatuur en andere opleidingszaken. Een begin van inspraak dus!

Briefwisseling

Het veertiental studenten schreef in die tijd een protestbrief tegen het besluit van de senaat om attesten van kerken die de roemruchte Open Brief (1966) tolereerden niet zonder meer als betrouwbaar te aanvaarden. Studenten hadden zo’n attest nodig om examen te kunnen doen. Ze gaf een getuigenis over leer en leven van de student. Maar de senaat oordeelde dat een kerk die de Vrijmaking als een kerkhistorisch feit zag, op de manier waarop de Open Brief dat deed, confessioneel onbetrouwbaar was. Een student van zo’n kerk afkomstig moest nader aan de confessionele tand gevoeld worden. Daarmee werd de kerk in kwestie als onbetrouwbaar weggezet. Dat konden deze studenten niet aanvaarden, ook niet omdat de senaat zo vooruitliep op het oordeel van het kerkverband over het lopende conflict rond de Open Brief.

Maar het gaat me om de toon van de brieven. De protestbrief van de studenten van 31 oktober 1967 was ook formeel, ja, juridisch getoonzet. Maar de brief eindigde met een hartelijke broedergroet en de bede dat de Heere de hoogleraren in deze zaak de verlichting zou geven van zijn Geest.

De antwoordbrief, die iedere student persoonlijk toegestuurd kreeg, verraadde het ongenoegen van de senaat met hun brief. Men zag het gezamenlijke schrijven als een uiting van groepsvorming en als laakbaar verzet tegen het wettige gezag aan de Hogeschool, waarvan men ten spoedigste moest terugkeren. Op de aangevoerde argumenten werd ingegaan, maar ternauwernood.

In de latere brieven die de meeste van de studenten aan de senaat schreven, werd de toon persoonlijker. Sommigen probeerden de harten van de hoogleraren te bereiken met een in de Bijbel geworteld pleidooi. Al moet gezegd dat aan het einde van deze periode, eind 1968, een enkele student de senaat scherp in Bijbelse taal aanviel. Maar toen waren er al vele senaatsepistels uitgegaan, waarin van het gedeelde geloof weinig voelbaar werd, en het voornaamste argument was dat men zich aan het wettige gezag moest onderwerpen, eventueel met behoud van bezwaren tegen het attestenbesluit.

Tijdgeest

Beide partijen in het conflict wilden trouw zijn, uiteindelijk aan de Heer der kerk. Toch heb ik de indruk dat de senaat meer door de tijdgeest werd beïnvloed dan de studenten. De verticale gezagscultuur overheerste; de horizontale protestcultuur was nauwelijks aanwezig. Maar God dank, wat toen niet mogelijk was – verzoening – blijkt nu mogelijk te zijn.

Delen.

Over de auteur

Ds. Bob Wielenga is emeritus predikant van de NGK Kampen en woonachtig in Zuid-Afrika.

Laat een reactie achter