Zing, kniel, buig, beef!

Jan Mudde | 15 mei 2021
  • Eyeopener

Zing, verkondig, maak bekend, erken, draag geschenken binnen, buig u, huiver…
(Psalm 96 in de gebiedende wijs)

Misschien kent u het grapje. Je maakt kennis met de vriend van je zus: ‘Jij moet Vincent zijn!’ Zijn reactie luidt: ‘Ik moet niks!’ Het illustreert hoe allergisch wij zijn voor het woordje moeten. Aan ‘moeten’ hebben Nederlanders al helemaal een broertje dood als het om geloof en kerk gaat. Daarom kijken we wel uit om anderen in de gebiedende wijs voor Christus te winnen. Dat werkt alleen maar averechts. Bovendien: geloof laat zich niet dwingen. Dus zeggen we dat wij niet zonder God kunnen of dat geloven fijn is en dat we dit een ander ook gunnen, maar in Psalm 96 heerst een ander klimaat.

(beeld KevinCarden/Lightstock)

(beeld KevinCarden/Lightstock)

Psalm 96 begint met een drievoudig ‘zing!’ – in de gebiedende wijs. Meer dan supporters hun clublied, meer dan patriotten het volkslied, moet elk volk, ieder mens, heel de aarde zingen voor de HERE. In diezelfde gebiedende wijs wordt Gods volk opgeroepen zijn naam wereldwijd bekend te maken: verkondig van dag tot dag dat Hij ons redt. Maak aan alle volken zijn majesteit bekend… Van vrijblijvendheid is geen sprake. Net zomin als in het Nieuwe Testament. Jezus doet geen zendingsvoorstel, maar geeft een zendingsbevel: ‘Ga op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen.’

Speelbal

Nogal schokkend is het vervolg van Psalm 96. De psalm gebruikt een woordspeling als het gaat om andere goden. Het Hebreeuwse woord voor God of goden is èlohim. Het woord voor niets of niemand is èlilim. Nu, lezen we: de èlohim van andere volken zijn èlilim. Vandaar de vertaling: ‘De goden van de volken zijn minder dan niets.’ Is het niet arrogant om zo te spreken over wat voor anderen uitermate heilig is? Zeker omdat het Joodse volk naar de toenmalige maatstaven geen enkel recht van spreken had. De macht van een godheid werd namelijk afgemeten aan de mate waarin het volk dat hem of haar diende gedijde. Hoe machtiger een volk, des te machtiger klaarblijkelijk zijn god. Maar Israël was meestal de speelbal van machtigere volken. Dus stelde de HERE naar de maatstaf van die tijd weinig voor en werd de oproep van Psalm 96 pure bluf gevonden. Toch bleef dat nietige Joodse volk het zeggen: de èlohim van de volken zijn minder dan niets. Psalm 96 blijft in de sfeer van de gebiedende wijs. Israëls God zegt niet: ‘Lieve mensen, willen jullie als het jullie uitkomt en jullie er zin in hebben alsjeblieft een ogenblik van jullie kostbare tijd gebruiken om aan Mij te denken?’ Ongegeneerd eist Hij alle aandacht voor zichzelf op: ‘Erken de HEER, ​stammen​ en volken, erken de HEER, zijn majesteit en macht, erken de HEER, de majesteit van zijn naam.’ Wat een contrast met hoe wij het gewend zijn en misschien zelfs gewenst vinden.

Gods rechten

Vanuit Gods oogpunt is die gebiedende wijs vanzelfsprekend. Stel, je hebt een kind. Jij koestert en verzorgt het, jij hebt alles voor hem of haar over. Maar dan gaat je kind doen alsof de overburen papa en mama zijn. Je kind wil van hen knuffels en bij hen eten en slapen en jij wordt als een vreemde bejegend. Dat is voor hooguit een tel grappig, maar dan moet het ook afgelopen zijn. Je mag als ouders je rechten laten gelden en dat doe je, als het goed is, ook. Zo laat ook God zijn rechten gelden. Hij is de enige, ware God, ver verheven boven elke macht en kracht. Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt. Aan Hem hebben we te danken dat de aarde vast staat, ja, aan Hem hebben we al onze basiszekerheden te danken. Dat er vierentwintig uren zitten in een dag, dat op vastgestelde tijden de zon opkomt en ondergaat, dat een plus een twee is, het is allemaal Gods werk. Daarom komen de lof en aanbidding Hem toe en niet onze afgoden. Omdat de HERE God is, mag Hij ons claimen, met klem.

Niets

Maar is die soevereine claim in onze democratische, multiculturele samenleving waarin de wetenschap de dienst uitmaakt geen farce? Is het geen respectloze grootspraak: de èlohim van deze wereld (wetenschap, grootkapitaal) zijn èlilim? Het is een gegeven dat alle goden uit de oudheid (Marduk, Ra, Zeus) door geen mens meer worden aangeroepen. Alle goden van toen zijn gebleken niets te zijn. Maar overal wordt nog wel de naam van de HERE aangeroepen. Is dat toeval, een bizarre speling van het lot? Of bevestigt dit de waarheid van Psalm 96 en van heel de Bijbel dat deze God geen projectie van de menselijke geest is, maar dat Hij JHWH is? ‘Ik ben die Ik ben’, zijn naam is de naam aller namen. Bij het geopende graf van zijn Zoon, Jezus Christus belijden wij het laatste. En daarom zeggen en zingen we het Psalm 96 nog na: zing, kniel, buig, beef, roep het uit!

Koningschap

Hoofdschuddend hoort menig Nederlander dit met weerzin aan. Wat moet er veel en wat is er weinig ruimte voor andersdenkenden. Wij voelen die aversie haarfijn aan en zijn voorzichtig. Toch vraagt de HERE zelf van ons dat wij het appel van Psalm 96 integreren in ons geloof, ons leven, ons getuigenis. Maar hoe?

Om te beginnen betrek ik de gebiedende wijs op mezelf. God claimt en heeft het alleenrecht. Heeft Hij dat ook in mijn leven? Ga ik in de binnenkamer van mijn hart werkelijk voor Hem op de knieën? In het klooster wordt elke dienst meerdere keren gebogen voor God. Bij de woorden ‘ere zij de Vader en de Zoon en de heilige Geest, als in den beginne, nu en immer en van eeuwigheid tot eeuwigheid’ wordt telkens een diepe buiging gemaakt. Volg ik, volg jij, dat naar lichaam en ziel na – van harte zelfs? Het is niet kleinerend, maar heerlijk dat alleen deze God Koning is. De Vader van Jezus Christus laat ons dat tot in het diepst van onze ziel merken. Daar moeten we stil van worden in heilig ontzag, maar ook uitzinnig van blijdschap. Hij regeert, wiens openbaring in Jezus Christus is. Als we ons op zijn koningschap oriënteren, maakt dat een wereld van verschil.

Getuigen

Maar hoe voeren we dan het getuigende gesprek? Zoveel mensen, vaak heel lieve en respectabele, geloven simpelweg niets of staan uiterst argwanend tegenover God en kerk. Om domweg tegen hen te zeggen: ‘Zing voor God en dien Hem!’, werkt inderdaad averechts en doet de aversie alleen maar toenemen. Dat geldt precies zo voor de omgang met kerkverlaters die overgevoelig zijn geworden voor zelfs de meest subtiele poging om tot bekering te brengen. Niet loslaten, eerst maar eens vertrouwen winnen. We hebben hierin een lange weg te gaan, maar dan nog kan de gebiedende wijs leidend blijven. Als je bidt voor de wereld bijvoorbeeld, voor inkeer en omkeer. Of in het gesprek met degenen die geloven dat er ‘iets’ is en vervolgens een volstrekt vrijblijvende en ongeïnteresseerde houding hebben. ‘Stel’, zeg ik dan, ‘dat een verre tante jou een groot cadeau bezorgt. Jij pakt het uit, neemt het gretig aan, maar doet geen enkele moeite haar te bedanken. Is dat niet respectloos? Nu, als je zegt in ‘iets’ te geloven, maar geen enkel verlangen hebt meer van dat ‘iets’ te willen weten, betekent dat ‘iets’ dan in wezen niet ‘niets’ voor je?’ Al ligt het er niet bovenop, het kan er wel degelijk onder zitten. En als ik Psalm 96 goed begrijp, moet dat ook.

Gespreksvragen

  • Hoe reageer jij in het algemeen op het woord ‘moeten’?
  • Welke rol speelt de claim van de gebiedende wijs van de Bijbel in jouw geloof?
  • Marduk, Ra en talloze andere grote godheden van vroeger worden nergens meer aanbeden. De naam van de HEER overal op aarde. Zie jij dit ook als een bevestiging van de waarheid van Psalm 96? Waarom wel of niet?
  • Onze Heer doet geen zendingsvoorstel, maar een zendingsbevel. Hoe kunnen we dat in onze geseculariseerde, post-christelijke samenleving vormgeven? Wat werkt dat uit in jouw leven?
Over de auteur
Jan Mudde

Ds. Jan Mudde is als predikant verbonden aan de NGK Enschede-Lasonderkerk. Hij is ook kernredacteur van Onderweg.

Meest gelezen

Het publieke spreken van de NGK tegenover radicaal-rechts

Het publieke spreken van de NGK tegenover radicaal-rechts

George Harinck
  • Verdieping

De Raad van Kerken heeft in april van dit jaar het rapport ‘De weg van discipelschap. De omgang van de kerken met radicaal-rechts gedachtegoed’ gepubliceerd. Daarmee beweegt de raad zich in het spanningsveld van kerk en politiek. Hoe deden kerken dat in het verleden en hoe moeten we in dat licht dit rapport bezien? Deze vraag is mede interessant omdat de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) sinds 2025 lid zijn van deze raad. 

Lees artikel
Trouw en gedeelde pijn – gemeente-zijn na een fusie

Trouw en gedeelde pijn – gemeente-zijn na een fusie

Cors Visser
  • Alphen tot Ommen
  • Kerkelijk leven

Een bescheiden, trouwe gemeente met een gedeelde pijn en gedeeld verlangen om kerk te zijn in het dorp; dat is de NGK in IJsselmuiden. Het dorp kijkt uit over de IJssel naar wat ooit het gereformeerde Mekka was: Kampen. 

Lees artikel
Misschien heeft men in deze streken geen ontzag voor God…

Misschien heeft men in deze streken geen ontzag voor God…

Jos Colijn
  • Leespreek

Deze preek van dr. Jos Colijn (tot voor kort werkzaam als universitair docent Interculturele theologie aan de Theologische Universiteit in Utrecht) heeft een spannend onderwerp dat de gemoederen verhit: migratie. Aan de hand van het Bijbelse verhaal over Abraham en Sara die in Gerar een veilig heenkomen zoeken, laat Colijn zien dat er geen gemakkelijke antwoorden zijn als het over migratie gaat. Nee, Genesis 20 gaat niet over onze migratieproblematiek, maar er valt wel veel te leren over onze positie als vreemdeling op aarde en de manier waarop we omgaan met vreemdelingen bij ons in de straat.

Lees artikel
Wat doe jij hier?

Wat doe jij hier?

Gayle Doornbos
  • Column

Tijdens mijn eerste twee jaar aan Dordt University – de christelijke universiteit in Iowa waaraan ik doceer – begroette een van mijn collega’s van de vakgroep theologie mij met de vraag: ‘Gayle, wat doe jij hier?’ Aanvankelijk vond ik die vraag vreemd, omdat het antwoord voor de hand lag. Ik was aan Dordt University om dezelfde dingen te doen als hij: lesgeven, schrijven, studenten begeleiden en commissievergaderingen bijwonen. Maar toen ik besefte dat deze vraag zijn eigenzinnige manier was om ‘hallo’ tegen mij te zeggen, begon ik die vraag te koesteren. Zijn begroeting werd voor mij een moment om stil te staan bij wat mijn werk werkelijk betekent: niet zomaar de taken van de dag, maar leven met en voor mijn gemeenschap, in een wereld die, ondanks alle pijn, leeft van Gods genade.

Lees artikel

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief