Ontmoeting

0

Hoe zou het zijn als mijn vader en ik elkaar op 11 november in Kampen zouden zijn tegengekomen, op de dag dat de GKv en de NGK elkaar op landelijk niveau ontmoetten rond de avondmaalstafel?

Mijn vader was predikant in de GKv, ik ben het in de NGK. Ik studeerde aan de TU Kampen, waar hij missiologie doceerde. In 1968 vertrok ik vanwege het Attestenbesluit, hij bleef. Ik denk me in hoe het zou zijn als wij op die verzoeningsvergadering samen erbij zouden zijn geweest.

Stel je voor dat ik na bijna veertig jaar in Zuid-Afrika was langsgekomen om deze kerkhistorische ontmoeting mee te maken. En dat mijn vader toestemming had gekregen om vanuit zijn hemelse rustplaats naar Kampen te komen. Samen zitten we in de kerk aan tafel. Breken we samen het brood en drinken we uit de ene beker? De laatste keer dat we samen avondmaal vierden, moet begin jaren zestig zijn geweest.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat we daar in Kampen als eens verdeelde kerken aan de tafel van de Heer zaten? Want verdeeld waren we! De scheuring in 1967 kwam niet uit de lucht vallen, en ging ook niet over niets, ook al kan de huidige generatie er zich maar weinig bij voorstellen.

Dat laatste is natuurlijk begrijpelijk. Zelf kon ik er als jongere niet bij dat de scheuring van 1944 in de GKN echt noodzakelijk was geweest. Het ging wel ergens over, zeker. Dogmatische verschillen waren er terdege en kerkrechtelijke niet minder. Maar een scheuring, en dat in oorlogstijd? Lezing van de biografie over C. Veenhof van Ab van Langevelde bevestigde mij onlangs in mijn visie op de Vrijmaking. Wat een menselijk gedoe aan beide kanten! O ja, dat stond in de roemruchte Open Brief van 1967 als diskwalificatie van de Vrijmaking: klein vaderlands gedoe! Dat werd gezien als een minachting van het werk van God in de geschiedenis van zijn kerk; het maakte de onderlinge verdeeldheid vrijwel onoverbrugbaar.

Hierover hoorde ik thuis vroeger niet zo veel van mijn vader. Hij was beslist ‘goed vrijgemaakt’. Hij woonde zelfs de beroemde Vrijmakingsvergadering in 1944 in Den Haag bij, waar Klaas Schilder de Akte van Vrijmaking voorlas. Ook mijn vader heeft die ondertekend.

Zoals ik thuis nooit zo veel over de Vrijmaking hoorde als een werk des Heeren, zo hoor ik daar vandaag ook weinig meer over binnen de GKv. De beoordeling van 1944 houdt de kerken niet langer uiteen. Het warekerkdenken dat erachter stak is voor de huidige generatie een verstoft leerstuk uit het vergeten verleden. We zijn allang blij over kerkmuren heen mensen te kunnen herkennen die samen met ons de ene Heer willen dienen in een religieus onverschillige samenleving. Het verdwijnen van dit strijdpunt brengt in Kampen een glimlach op mijn vaders gezicht.

Betwiste belijdenis

In zijn keuze voor de GKv en tegen de NGK was de houding die men aannam tegenover de belijdenis (de Drie Formulieren van Enigheid) doorslaggevend. Mijn vader vertrouwde de NGK voor geen cent op dit voor hem cruciale punt. Wat ds. B. Telder en ds. C. Vonk geschreven hadden over de toestand van de ziel van de gestorven gelovigen voor de terugkomst van de Here Jezus, vond hij regelrecht in strijd met wat Zondag 22 van de Heidelberger Catechismus daarover leerde. De belijdenis was niet veilig in kerken die deze dominees niet schorsten en afzetten. Kun je kerken vertrouwen die zo makkelijk met de op de Bijbel gebaseerde geloofsleer omgingen?

Aan tafel in Kampen verwacht ik elk moment dat zijn glimlach plaats zal maken voor een frons. Zit het echt wel goed binnen de NGK op het punt van de belijdenis? Ze zijn inderdaad niet vrijzinnig geworden; grote (of kleine, voeg ik eraan toe) ketterijen hebben zich niet voorgedaan en echte leergeschillen zijn er niet geweest. De ‘leer van Telder’ heeft er geen wortel geschoten. Ik zie hem de NGK het voordeel van de twijfel geven.

Ik besef wel dat het nieuwere accent op het historische karakter van de belijdenis in beide ‘Huizen van de Vrijmaking’ bij hem moeilijk valt. Hij is zo gewend om de belijdenis te lezen door de bril van de Bijbel, en de Bijbel door de bril van de belijdenis. Dat de tekst van de belijdenis uit de zestiende eeuw stamt, deert hem nauwelijks. Binnen deze gereformeerde hermeneutische cirkel voelt hij zich geestelijk thuis. Toch, zijn hand strekt zich uit naar het brood.

Betwiste Bijbel?

Een nieuwe ontwikkeling – eerst binnen de NGK, maar nu toch ook binnen de GKv – is het gesprek rond de vraag: hoe lezen we de Bijbel? Dat is een vraag die niet meer zal verdwijnen uit de kerkelijke discussies op welk niveau dan ook. Het ontwerp van een gereformeerde hermeneutiek, die onlangs door de TU Kampen gepubliceerd werd, zou vragen bij hem oproepen, denk ik. Wordt het gereformeerde geloofsvooroordeel er niet door geproblematiseerd? Is de vrouw in het ambt, of de homo aan het avondmaal, geen signaal dat er confessionele onduidelijkheid rond het Schriftgezag aan het ontstaan is?

De groeiende eensgezindheid tussen de GKv en de NGK op dit aangelegen punt markeert voor hem de echte grenslijn, overigens niet langer tussen de beide kerken, maar tussen het hem vertrouwde verleden en het heden, waar hij natuurlijk geen weet meer van heeft.

Ik zie in Kampen zijn hand boven de tafel aarzelen. Zijn blijdschap over deze ontmoeting is niet onverdeeld. Zal hij toch nog opstaan en weggaan? Hij blijft! Samen vieren we het avondmaal, voor het eerst in meer dan een halve eeuw. Dat geeft hoop voor de toekomst.

Delen.

Over de auteur

Ds. Bob Wielenga is emeritus predikant van de NGK Kampen en woonachtig in Zuid-Afrika.

Reacties zijn gesloten.