Door het vuur heen

0

Sadrach, Mesach en Abed-Nego antwoordden en zeiden tegen koning Nebukadnezar: Wij hoeven u hierop geen antwoord te geven. Als het moet, kan onze God, Die wij vereren, ons verlossen uit de brandende vuuroven, en Hij zal ons, o koning, uit uw hand verlossen. En zo niet, het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet zullen vereren en het gouden beeld dat u hebt opgericht, niet zullen aanbidden.
(Daniël 3:16-18, HSV)

Drie mannen zijn als ballingen meegevoerd. Ze hebben andere namen gekregen, namen die klinken naar vreemde goden. Ze hebben belangrijke posities gekregen en zijn ongetwijfeld loyaal aan de koning die hun vaderland heeft verwoest. Maar als de koning een beeld laat neerzetten dat zijn macht symboliseert, blijkt waar ze voor staan en waar ze niet voor buigen. Wat er ook van komt.

Er staat een grote menigte rond een kolossaal beeld. Als de muziek schalt, buigt iedereen met het hoofd naar de grond. Tussen al die ruggen en bipsen worden drie mannen zichtbaar. Rechtop. Heeft de koning het niet gezien? Er zijn mensen die de koning er graag op wijzen: die Judeeërs die u op hoge posten hebt aangesteld, storen zich niet aan uw bevel. Er zijn altijd mensen die moeite hebben met buitenlanders. Ze vertellen de koning graag dat die getalenteerde vreemdelingen niet echt ingeburgerd zijn: zie je wel, ze buigen niet.

040420 Eyeopener new

(beeld linzyslusher/iStock)

Nebukadnezar vraagt niet dat ze hun eigen goden weg doen. Hij vindt het waarschijnlijk prima: kom maar met je goden, het komt toch allemaal op hetzelfde neer. Zolang maar duidelijk is wie de baas is: de koning die alle goden van alle landen te sterk af was. Buig voor zijn god, de god van de macht.

Respect

In de jeugdinrichting waar ik werk, lunch ik regelmatig met de groepen tieners en hun begeleiders. Dan zien ze even wie ik ben. ‘Jongens’, zegt de groepsleider, ‘dit is de dominee. Christelijk. We hebben ook een imam. Het komt allemaal op hetzelfde neer en het is prima om te geloven. Al weten we toch niet wat er is na de dood. Maar deze mensen willen er graag met je over praten. Gezellig dat u mee komt eten.’ Wat moet ik zeggen na zo’n introductie? Ik doe een plakje kaas op mijn brood en zeg: ‘Fijn dat ik mee kan eten. De imam en ik kunnen het goed met elkaar vinden. We respecteren elkaar, al zijn we het niet eens over het geloof.’

Ik denk: Alle geloven hetzelfde? De nieuwe aarde hetzelfde als het paradijs van de moslims? Genade hetzelfde als karma? Ik wil er graag met de groepsleider over praten, maar niet hier en nu. Hier moet duidelijk zijn: we hebben respect voor elkaar. Eén van de jongens zegt lachend: ‘Denkt u dat ik naar de hemel ga?’ ‘Wil je dat?’, vraag ik, ‘Hoe stel je je dat eigenlijk voor?’ En zo krijgen we toch een zinnig gesprek.

Heb ik nu gebogen voor het beeld van ‘je-mag-geloven-wat-je-wilt-als-je-maar-niet-zegt-dat-er-één-waarheid-is’? Of heb ik een taal geleerd waardoor ik iets kan betekenen in een omgeving die God niet kent? Waar zijn de grenzen? Hoe kan ik kind van God zijn in een omgeving die denkt dat het geloof achterhaald is?

Minimumbelijdenis

Sadrach, Mesach en Abed-Nego worden bij de koning geroepen. Ze krijgen nog een kans, maar ze zullen moeten buigen. Er staat een brandende oven klaar. ‘Wie is dan de god die u uit mijn handen kan verlossen?’ zegt Nebukadnezar. Zeiden ze in Jeruzalem niet: ‘God zal ons verlossen. God zal zijn tempel niet laten verwoesten’? Toch heeft Nebukadnezar de tempel laten plunderen en platbranden. En waar was God? De mensen die maandenlang als gevangenen onderweg waren naar Babel moeten het zich vaak hebben afgevraagd: is Babel toch sterker? Waar zijn de wonderen die de verkondiging moeten onderstrepen? Wie durft nog te zeggen: God zal dit of dat niet toelaten?

‘Als het moet kan onze God, Die wij vereren, ons verlossen uit de brandende oven. En Hij zal ons, o koning, uit uw hand verlossen. En zo niet, het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet zullen vereren en het gouden beeld dat u hebt opgericht, niet zullen aanbidden.’ De drie mannen zijn niet gaan twijfelen aan de macht van God, maar ze geven toe dat ze niet weten of God zal ingrijpen. Dat maakt echter niet uit voor hun handelen: ze zullen niet buigen. En dus zullen ze ofwel verbranden of gered worden. Wat een lef. Maar ook: wat een rust geeft die uitspraak.

Ik hoef niet te bewijzen dat God machtig is. Ik hoef niet op een bepaalde manier te bidden. God is machtig en ik moet datgene doen waarvan ik weet dat het goed is. Wat er verder ook gebeurt, niets kan me scheiden van de liefde van Christus. Het klinkt als de minimumbelijdenis van de discipelen, als Jezus hun vraagt: ‘Willen jullie ook niet weg?’ en zij zeggen: ‘Waar moeten we heen?’

Veertig messteken

En dan gebeurt het wonder. De mannen worden door het vuur heen gered. God woont niet alleen in Jeruzalem, Hij is daar in Babel. Voor de koning en voor alle mensen rond het beeld is duidelijk: de God van Sadrach, Mesach en Abed-Nego is de hoogste God. Nebukadnezar roept nu dat iedereen die deze God niet serieus neemt in stukken zal worden gehakt. Sadrach, Mesach en Abed-Nego worden gepromoveerd. Maar de koning, in zijn zorgeloze rijkdom en macht, is God na een tijdje weer vergeten.

Hoe vaak heb ik gebeden voor zieken en ook voor niet-christenen en geroepen: ‘Waarom laat U zich niet zien, God?’ Is het niet eenvoudiger om maar niets van Hem te verwachten? Je raakt zo makkelijk teleurgesteld. Maar ik heb ook heel onverwachte wonderen gezien. In de vrouwengevangenis vroeg ik een keer: ‘Wie heeft er weleens een wonder meegemaakt?’ Een vrouw schiet overeind en vertelt dat haar zoon veertig messteken overleefde, terwijl zijn vriend aan twee overleed. Na het eerste wonderverhaal komen er meer. Andere vrouwen zeggen: ‘Ik heb het nooit als wonder gezien, maar…’ Hebben die wonderen levens veranderd? De meeste niet. Ik vertel het verhaal van een matroos die uit een mast viel. Voor het eerst van zijn leven bad hij: ‘God, help!’ Onmiddellijk bleef hij hangen aan een uitsteeksel. ‘Laat maar, ik hang al’, zei hij toen. Veel vrouwen lachen herkennend: ‘Ja, zo ben ik ook.’

Een wonder is snel vergeten, roept ook vragen op. En toch, voor wie het wil zien geeft God midden in de puinhopen van het leven soms een teken: Ik ben hier. Grote dingen: botten die vastgroeien. Kleine dingen: een zonnestraal. Voor de één een bevestiging, voor de ander levensveranderend. Voor wie ze niet ziet: een gemiste kans.

Wereldmachten

In het boek Daniel vinden we eerst zes hoofdstukken met zes verhalen waarin God zich laat zien als een God van wonderen voor mensen die ver verdreven zijn van het land van de belofte. Als een getuigenis voor de ongelovige omgeving. God is niet ver, ook daar en toen niet.

Als Daniel zelf gaat dromen in de tweede reeks van zes hoofdstukken, is het alsof hij hoog boven de aarde en de geschiedenis wordt getild. Niets ontziende wrede wereldmachten vermorzelen elkaar. Zoals ze in Afrika zeggen: waar olifanten vechten, lijdt het gras. Maar God bekommert zich ook om details: de kleren van de mannen roken niet eens naar vuur toen ze uit de oven kwamen. Zo grijpt Hij ook in in de wereldgeschiedenis, waarbij we nauwelijks beseffen wat voor gruwelijke machten erachter zitten. Dat geeft de hoop en de moed om niet van God af te buigen.

Om over na te denken of door te praten

  • Weten de mensen in jouw omgeving dat je christen bent? Waarom zeg je dat wel of juist niet?
  • Waaraan zou je willen dat niet-christenen zien dat je christen bent?
  • Herken je op je werk, bij familie of in een andere omgeving dat je een vreemdeling bent met je geloof? In hoeverre pas je je aan om geloofwaardig te zijn voor de mensen om je heen, en wat is voor jou het beeld waarvoor je niet buigt?
  • Heb je weleens meegemaakt dat het je echt wat kostte, omdat je iets niet kon of wilde doen als christen?
  • Heb je weleens meegemaakt dat je iets deed of juist niet deed op grond van je geloof en dat dat juist een opening werd waardoor een ander door God werd aangeraakt?
  • Zijn er mensen in je omgeving die de dilemma’s die jij ervaart kennen en kunnen jullie daar samen over praten en voor bidden?
  • We bidden in de kerkdiensten regelmatig voor de vervolgde kerk. Het is goed om ook eens voor artsen te bidden en de ethische dilemma’s waar zij mee te maken krijgen, voor onderwijzers, zakenmensen, enzovoort.
Delen.

Over de auteur

westerjea@gmail.com'

Jeannette Westerkamp is parttime justitiepredikant namens de NGK Houten.

Reacties zijn gesloten.