Waarom geen stad zonder Mozes kan

0

‘Want Mozes heeft van oude tijden af in elke stad mensen die hem prediken, want hij wordt elke sabbat in de synagogen voorgelezen.’
(Handelingen 15:21, Herziene Statenvertaling)

Waarom zou een stad Mozes nodig hebben? Met ‘Mozes’ is dan niet zozeer de Bijbelse persoon bedoeld; zijn naam staat voor de Thora en in bredere zin voor de Hebreeuwse Bijbel als geheel. De woorden van deze tekst zijn uitgesproken op een kruispunt in het Nieuwe Testament, en wel door Jakobus, de broer van Jezus. Hoewel het slechts om een verdwaalde opmerking lijkt te gaan, kan inderdaad geen stad ter wereld zonder deze ‘Mozes’, zoals we zullen zien. Zelfs de beste gemeentelijke verordening is niet opgewassen tegen Gods heilzame geboden.

Tijdens het zogeheten apostelconvent te Jeruzalem, dat gehouden werd in 48 na Christus, moest een beslissing genomen worden over de positie van messiasbelijdende niet-Joden, oftewel christenen uit de volken. Dat zijn mensen zoals de meesten van ons, die niet uit het Joodse volk stammen maar door het geloof in Jezus Christus wel tot Abrahams kinderen gerekend worden. Kan dat wel zomaar, vroegen veel messiasbelijdende Joden zich aanvankelijk af.

(blueenayim/iStock)

(blueenayim/iStock)

Eigenlijk is de ingeburgerde term apostelconvent niet helemaal correct, want het ging om een gezamenlijk beraad van de twaalf apostelen met de oudsten uit Jeruzalem. De apostelen en de oudsten werden vertegenwoordigd door respectievelijk Petrus en Jakobus, terwijl de hele gemeente (de Jeruzalemse moederkerk) bij de uitvoering van het genomen besluit betrokken werd. Daarom kan deze bijeenkomst beter worden aangeduid als het convent van Jeruzalem.

De voorgelegde kwestie betrof een meningsverschil. Sommigen uit Judea meenden dat men niet gered kan worden zonder zich te laten besnijden, in overeenstemming met het mozaïsche gebruik. Voor ons behoud door het geloof in Jezus Christus was volgens hen dus óók het onderhouden van de Thora noodzakelijk. Niet-Joodse gelovigen zouden eerst tot het volk Israël moeten toetreden. Dit was een uiterst belangrijke kwestie, die het hart van het evangelie raakte. Daarom moest deze zaak, voorgelegd vanuit de dochtergemeente te Antiochië, in Jeruzalem nader bekeken worden.

Hoewel de vergadering aanvankelijk heftig en verdeeld reageerde (het kwam tot een hevige woordenstrijd, zegt vers 7), heeft men in Jeruzalem toch een eenparige beslissing genomen, het zogeheten apostelbesluit. Lucas biedt in Handelingen 15 geen podium voor alle stemmen, hij geeft slechts het woord aan de twee belangrijkste sprekers: Petrus, die optreedt als woordvoerder van de groep apostelen, en Jakobus, die optreedt als woordvoerder van de groep oudsten. Ook lezen we welk standpunt uiteindelijk officieel uitgedragen zou worden.

Radicaal

We concentreren ons nu op de inbreng van Jakobus, de broer van Jezus. Door de uitvoerige weergave van diens bijdrage aan het beraad laat Lucas zien hoeveel gezag deze spreker had in Jeruzalem. In buiten-Bijbelse bronnen wordt hij soms Jakobus de Rechtvaardige genoemd. Jakobus zal het besluit formuleren dat uiteindelijk door de vergadering wordt overgenomen. Essentieel is dat onbesneden christenen radicaal moeten breken met de afgoderij en alle daaraan verbonden vormen van bijgeloof en ontucht.

Het voorlezen van de Thora is nooit
een intern-Joodse aangelegenheid geweest

Het was zaak de niet-Joodse christenen zo ver mogelijk bij de wereld van de afgoden vandaan te houden en op herkenbare wijze aan de God van Israël te verbinden. Om dat te bereiken hoeven zij niet gebracht te worden onder het juk van de mozaïsche wet, maar wel onder de wet van Christus, die gekomen is om wet en profeten te vervullen (vergelijk Galaten 5:1, 6:2). Hij is in eigen persoon de weg naar het leven. Wie Hem volgt, krijgt geen loden last te dragen maar een zacht juk (Matteüs 11:28-30; het vroegchristelijke geschrift Onderwijs van de twaalf apostelen spreekt in dit verband over ‘het juk van de Heer’).

Geruststelling

Het betoog van Jakobus betekent dat men niet eerst Jood hoeft te worden om bij de God van Israël te mogen horen. Van niet-Joden wordt dus geen besnijdenis gevraagd, zoals in het jodendom gebruikelijk was bij proselieten (toetreders).

Jakobus sluit zijn bijdrage aan het beraad in Jeruzalem af met de opmerking: ‘Mozes heeft immers van oudsher in elke stad verkondigers, want zijn boeken worden elke sabbat in de synagogen voorgelezen.’ Wanneer je deze opmerking als een vorm van geruststelling opvat, zoals velen doen, is dit een nogal merkwaardig slotwoord. Jakobus zou hiermee dan aangeven dat het door hem voorgestelde besluit niet in mindering mag komen op de wekelijkse lezing en uitlegging van de Thora in de plaatselijke synagogen. Het gezag van Mozes blijft onaangetast en niet-Joden kunnen nog steeds in de Thora onderwezen worden. De Joodse gemeenschap, inclusief messiasbelijdende Joden, hoeft zich door het apostelbesluit niet bedreigd te voelen.

Zo’n interpretatie doet echter geen recht aan de argumentatieve kracht (‘immers’) van dit slotwoord. Jakobus rondt zijn oordeel over de positie van de niet-Joodse christenen af; juist deze opmerking heeft hij voor het laatst bewaard.

Rechtvaardigen vormen het geweten van de samenleving

De Griekse tekst van vers 21 bevat twee aanwijzingen die helpen om Jakobus’ bedoeling beter te begrijpen. Ten eerste de uitdrukking ‘van stad tot stad’: de synagogen worden als het ware wereldwijd in het hart van iedere stad gesitueerd. Het voorlezen van de Thora is nooit een intern-Joodse aangelegenheid geweest, betoogt Jakobus, maar raakt het welzijn van alle medemensen in de betreffende woonplaats. In zijn woorden zit dus een aspect van herinnering.

Ten tweede het ‘verkondigen’ van de Thora. Met die publiek toegankelijke verkondiging worden alle stadsbewoners, ook die van niet-Joodse afkomst, al generaties lang opgeroepen de HEER te zoeken. Laten we dan niet bezorgd zijn, maar ons verheugen wanneer zij dat inderdaad doen, bedoelt Jakobus te zeggen. Dat is het signaalaspect van zijn woorden.

Kortom, waar Mozes wordt voorgelezen, is er niets nieuws onder de zon!

Rechtvaardigen

Bij het voorlezen van de Thora komt op een gegeven moment ook Genesis 18:16-33 aan de orde, waar het pleidooi van Abraham voor de goddeloze stad Sodom beschreven staat. Hoeveel rechtvaardigen zijn minimaal nodig om het aangekondigde godsoordeel op te schorten? Na lang aandringen houdt de HEER het op tien. Maar wat blijkt? In Sodom waren zelfs geen tien rechtvaardigen meer te vinden. Voordat de stad werd verwoest met vuur en zwavel, kreeg alleen de rechtvaardige Lot gelegenheid zichzelf en zijn gezin in veiligheid te brengen (2 Petrus 2:7-8). Uit deze Bijbelse geschiedenis blijkt dat rechtvaardigheid het fundament is van een samenleving. Ook een kleine minderheid van rechtvaardigen kan de redding zijn voor een stad vol goddeloosheid. Via hen klinkt daar nog de oproep van Mozes om Gods geboden te bewaren.

Rechtvaardigen leven de Thora aan hun medemensen voor. Zij doen voorbede voor hun woonplaats. Zij vormen het geweten van de samenleving. Hun rol doet denken aan de 36 verborgen rechtvaardigen uit de Joodse legende. Volgens die legende zijn er 36 mensen, verspreid over de hele wereld, die – zonder het van zichzelf te weten of de anderen te kennen – met hun rechtvaardigheid voorkomen dat de wereld aan Gods oordeel ten onder gaat. Beschermende rechtvaardigheid dus.

Smaakmakers

Dat is ook wat Jezus Christus bedoelde toen Hij tegen zijn leerlingen zei: ‘Jullie zijn het zout van de aarde en het licht in de wereld’ (Matteüs 5:13-16). Hij formuleerde zijn uitspraak niet als opdracht maar als feitelijk gegeven. Zo is hun positie in de samenleving, als ze Hem volgen: smaakmakend zout zijn, verhelderend licht laten schijnen.

Hetzelfde geldt voor ons als hedendaagse christenen in West-Europa, een slinkende minderheid in een postchristelijke samenleving. Onder Gods wakend oog mogen wij zout en licht zijn. Ons christelijke leven en onze gebeden komen ten goede aan de medemensen, uit onze omgeving, ook al beseffen zij dat niet. Ziedaar de macht van de minderheid. Niet om met ons voorbeeld en onze voorbede de wereld overeind te houden, maar om de tijd van Gods geduld goed te benutten (2 Petrus 3:9). Zoals zout en licht niet bestaan omwille van zichzelf, maar om iets positiefs teweeg te brengen in de omgeving, zo zijn wij in deze wereld geplaatst als smaakmakers met uitstraling.

Om over na te denken of door te praten

1. Wat betekent het voor jouw stad of dorp dat iedere week het evangelie wordt verkondigd in jouw kerkelijke gemeente?
2. Rechtvaardigheid heeft impact op onze omgeving. Wij zijn het zout van de aarde en het licht in de wereld. Hoe geef jij daar vorm aan? Wat belemmert jou daarbij?
3. De kerk als minderheid heeft toch macht. Op wat voor manier? Hoe geeft dat moed aan een gemarginaliseerde kerk?
4. Leestip: (her)lees de beroemde roman van André Schwarz-Bart: De laatste der rechtvaardigen.

Dit artikel is ontleend aan hoofdstuk 6 uit Rob van Houwelingens boek Handbagage voor Jezusvolgers (Amsterdam 2016).

Delen.

Over de auteur

Rob van Houwelingen is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit in Kampen en lid van de brede redactie van OnderWeg.

Laat een reactie achter