Israëls landclaim

0

‘Land mag nooit verkocht worden, alleen verpand, want het land behoort Mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij Mij te gast zijn.’ Stel je voor dat ik niet wist dat dit een tekst uit Leviticus was (hoofdstuk 25:23). Wie zou zoiets ooit gezegd of geschreven kunnen hebben?

Ik denk aan een blanke boer die nog in het apartheidsverleden leeft: zijn land is van hem! Het is al generaties lang eigendom van zijn familie, die er een goed bestaan heeft opgebouwd. Het verschaft werk aan tientallen arbeiders, die er met hun families ook wonen en er een stukje grond bewerken of een paar koeien houden.

Natuurlijk, die zwarte arbeiders hebben geen recht op dat stukje grond dat ze van de boer in bruikleen gekregen hebben. Ze zijn gehuurde werkkrachten, die soms ook al generaties lang op de boerderij wonen. Maar net als vreemdelingen en gasten hebben ze geen recht op de grond, zelfs niet als ze er hun doden begraven hebben. Het land is van hem. Hij leeft op zijn boerderij als God in Israël.

Leviticus 25 slaat natuurlijk niet op willekeurig elk land, maar specifiek op het volk Israël in het beloofde land, Kanaän. Laat de Bijbeltekst binnen deze context speciaal licht vallen op de vraag of de staat Israël vandaag recht heeft op het grondgebied dat ze claimt? Ik laat het volkenrecht buiten beschouwing. Ik vraag me alleen af of ik de landclaim van de Joodse staat Bijbels behoor bij te vallen. Het antwoord hierop is voor velen glashelder: natuurlijk! God heeft duidelijk dit land binnen deze grenzen aan Abraham en zijn nakomelingen beloofd. En Gods beloften zijn toch onberouwelijk?

Na de ballingschap keerde een overblijfsel van Israël terug naar het geografisch sterk geslonken land. Israëls recht op het land werd ook toen nog door profeten naar de toekomst toe bevestigd (Zacharia 14). Er valt uiteraard onnoemelijk veel meer te zeggen. Ik beperk me alleen tot de vraag of deze Leviticustekst een ander licht werpt op Israëls landclaim.

Geen landclaim

Israel is Gods uitverkoren volk en Kanaän het door Hem aan haar beloofde land (Genesis 12:3; 15:7). Het was dit volk dat in dat land zou mogen leven – als vreemdelingen zonder rechten, als gasten naar wie hun gastheer zou omzien. Speciaal dit land koos de schepper uit voor zijn volk.

In Deuteronomium 11 lezen we met hoeveel aandacht en zorg Hij het hele jaar door het land vruchtbaar houdt. Aan water zal ondanks het droge klimaat geen gebrek zijn; het land zal rijke oogsten opleveren. Dit is het land waar het uitverkoren volk een bloeiend bestaan mag opbouwen (Deuteronomium 8:7-9). Het roept herinneringen op aan het waterrijke paradijs met nota bene vier rivieren die het bevloeiden (Genesis 2:8-14).

De gastheer stelt de regels van het huis vast, niet zijn gasten die er uiteindelijk vreemdelingen zijn. Zijn huisregels moeten zij volgen. God bepaalt hoe Israël in zíjn land leven zal (Deuteronomium 12-26). Samen met Hem horen zij in het land zo opvallend anders dan hun buren te leven dat die zullen willen weten wat het geheim is van hun samenleving (Deuteronomium 4:5-9). De gasten zullen naar hun gastheer en zijn huisregels verwijzen, en niet te vergeten naar zijn zegen. Zo zullen ze, door God gezegend, de volken tot een zegen kunnen zijn, in woord en metterdaad. Verwijst dit niet reeds naar het nieuwe paradijs met zijn rivier met water dat leven geeft (Openbaring 22:1)? Israël mocht er al van genieten. Het land maakte deel uit van Gods plan met de wereld.

Er klinkt ook een duidelijke waarschuwing: Israël heeft als gast en vreemdeling geen recht op het land waar ze wonen en werken. Hun verblijf zal er zelfs van korte duur zijn als ze Gods leefregels in de wind slaan (Deuteronomium 11:17). Dan misbruiken ze Gods land voor eigen doeleinden en loopt Gods bedoeling ermee schipbreuk. Hun verblijf dient dan geen doel meer. Ze worden uit huis gezet: de ballingschap!

De aarde

Na de ballingschap deed God nog een laatste poging om zijn landproject te laten slagen. Israëls messias kwam om het vervallen huis van David uit het puin te herbouwen (Handelingen 15:13). Zouden de volken toch nog naar Jeruzalem komen om daar te delen in Gods zegen voor de wereld?

De grote dwarsligger uit het paradijs slaagde er opnieuw in Gods plan met zijn land te dwarsbomen. Het liep stuk op het kruis waar de messias, Jezus van Nazaret, stierf. Maar tot zegen voor de wereld. Gods belofte is onberouwelijk: de kop van de oude vijand werd vermorzeld (Genesis 3:15). Zo bleef de weg naar de toekomst open – niet meer via het beloofde land, maar via het kruis.

Van nu af aan is de aarde de horizon van het heil! Van de Heer is de aarde en alles wat daar leeft (Psalm 24:1). Jezus heeft het over de aarde beërven (Matteüs 5:5), waarop wij, zoals Israël in Kanaän, als gasten en vreemdelingen mogen leven (Hebreeën 11:13), delend in de eindzege en daarnaartoe levend. In Matteüs 28 stuurt Jezus zijn leerlingen de wereld in, waar geen land nodig is om zijn kerk te bouwen. Zo wordt de aarde en alles wat daar leeft, gezegend.

Naderhand las ik over het door Steven Paas geredigeerde boek Het Israëlisme en de plaats van Christus (2017). De Bijbelse profetie wordt hier christocentrisch uitgelegd. Ik ga het lezen, want ik wil weten wat in dit boek over Israëls landclaim wordt gezegd.

Delen.

Over de auteur

Ds. Bob Wielenga is emeritus predikant van de NGK Kampen en woonachtig in Zuid-Afrika.

Laat een reactie achter