Lydi Schuurman ziet altijd wel lichtpuntjes

0

Als 79-jarige heeft Lydi Schuurman-Huizenga het grootste deel van haar leven erop zitten. Haar lichaam wil minder en drie jaar geleden kreeg ze het ook psychisch zwaar. Hoe blijf je als oudere hoopvol als de eindstreep dichterbij komt? ‘Ik zie in alle situaties toch wel weer een lichtpuntje, en dat komt vooral omdat ik weet dat er een God is die voor ons zorgt.’

Als ik na het aanbellen de hal binnenstap, staat ze al klaar om haar jas van de kapstok te pakken. We gaan met de auto naar Brouwerij Hoop in Zaandijk, is het plan, om te praten over haar inmiddels lange leven en hoe zij hoopvol blijft. Maar ik wil nog niet naar Zaandijk, ik wil eerst graag even de huiskamer zien.

‘Hebt u allebei een eigen, vaste stoel’, vraag ik aan Lydi Schuurman en haar man, professor Egbert Schuurman (81), die in de keuken koffie maakt. Dat hebben ze. ‘Al onze meubels hebben een verhaal’, zegt Lydi. ‘Veel meubels hebben we al vanaf ons trouwen, of ze komen uit de familie.’

Of er ook Ikeameubels in huize Schuurman staan? ‘Natuurlijk niet’, reageert haar man op bijna verontwaardigde toon. ‘Helemaal niks! En dat houden we graag zo.’

‘Ik wil allerminst de indruk wekken
dat ik iets ben’

Egbert Schuurman heeft zijn vrouw aangemoedigd om mee te doen met dit interview, vertelt hij. Al 54 jaar lang – de tijd dat ze getrouwd zijn – is Lydi de vrouw achter hém: de prater, beschouwer, debater en hoogleraar. ‘Hij praat tijdens visites, ik luister meer’, zegt ze met een bijna verlegen lachje. Hij: ‘Mijn vrouw vindt andere mensen belangrijker dan zichzelf. Ze praat het liefst nooit over zichzelf, ze is één en al dienstbaarheid.’

Hij heeft gelijk, merk ik al snel in de huiskamer en later op weg naar Zaandijk. ‘Ik heb in mijn leven gedaan wat ik dacht te moeten doen, en dat is niets bijzonders’, zal Lydi Schuurman een paar keer zeggen. Of, nadat haar man verteld heeft dat ze zo’n goede HBS-leerlinge was: ‘Nou, dat hoef je niet te vertellen hoor. Ik wil allerminst de indruk wekken dat ik iets ben.’

Mensendieck

Lydi Schuurman-Huizenga werd in 1939 geboren in Rijswijk, als jongste in een gereformeerd gezin met twee broers en twee zussen. In 1944 gingen de Huizenga’s mee met de Vrijmaking. Op peuterleeftijd kreeg Lydi beenmergontsteking, in een tijd dat er nog geen antibiotica waren. ‘Dus is dat been aan het begin van de oorlog twee keer in het ziekenhuis leeggeschept, de troep eruit. Ik was best een zorgenkind.’

Op haar dertiende ontdekte Lydi, staand voor de spiegel, dat haar ene knie lager stond dan de andere. ‘Je staat zo scheef’, zei haar moeder regelmatig bij het afspelden van de zoom van een nieuwe jurk. Voor die spiegel viel het kwartje: haar ene been moest korter zijn dan het andere, veroorzaakt door de operaties als peuter.

‘Ik dacht: dit gaat helemaal
de verkeerde kant op’

Dat kortere been heeft haar uiteindelijk op het spoor richting haar studie gezet, na de HBS-A. ‘Ik kreeg een hakverhoging onder mijn schoen en moest naar mensendieck voor oefeningen. Dat leek mij zo’n leuk vak dat ik ook mensendiecktherapeut wilde worden.’ Met een lach: ‘Mijn, ik zou bijna zeggen conservatieve, vader heeft daar nog een stokje voor willen steken. “Ik houd niet van dat blote gedoe voor de spiegel”, zei hij. Wilde ik de opleiding gaan doen, dan moest ik er zelf eerst het geld voor verdienen.’ Dat deed ze, en ze werd ‘een heel goede mensendiecktherapeute’, volgens haar echtgenoot.

Fietsen

Even later zit ze naast mij in de auto en draaien we de A2 op richting Amsterdam. Er ligt een nylon schoudertas met mooi borduursel bij haar voeten, een wandelstok op de achterbank. Het lopen blijft lastig sinds ze twee jaar geleden als uit het niets haar onderbeen op twee plekken brak. ‘Ik was niet gevallen, had mijn been niet hard gestoten, maar kreeg pijn en moeite met lopen. Toen bleek uit allerlei onderzoeken dat ik osteoporose en artrose heb, en daar kom je niet meer van af.’

Er zit een flinke titanium pen in haar onderbeen, ze krijgt wekelijks fysiotherapie en voor langere eindjes lopen gebruikt ze een rolstoel en een rollator. ‘Fietsen gaat helaas niet meer en dat vind ik heel erg jammer’, zegt ze. ‘Het maakt je toch al kleiner wordende wereldje nóg kleiner.’

Lydi Schuurman: 'Ik heb nog zo veel moois in het leven: mijn kinderen en kleinkinderen, daar wil je toch graag nog een poosje van blijven genieten.’ (beeld Jaco Klamer)

Lydi Schuurman: ‘Ik heb nog zo veel moois in het leven: mijn kinderen en kleinkinderen, daar wil je toch graag nog een poosje van blijven genieten.’ (beeld Jaco Klamer)

In hun huiskamer in Breukelen hadden we het gehad over de bezoeken die Lydi jarenlang bracht aan ouderen uit hun gemeente, de NGK Breukelen. Haar man was daarover begonnen, ook toen zij het onderwerp wilde wegwuiven. Hij vertelde over de vluchtelingengezinnen waarmee ze contact hield, ‘soms wel een paar tegelijk, ze was er maar druk mee, en altijd even lief en belangstellend’.

Haar fiets bracht haar overal, van autorijden hield ze niet. Dat fietsen nu onmogelijk is, valt haar merkbaar zwaar. ‘Mijn man ziet het begrijpelijkerwijs niet meer zitten om vaak met de auto weg te gaan. Het is toch best een gesjouw met zo’n rolstoel en rollator.’ Daarom gaan ze ook niet meer naar de Bijbelkring van de kerk. ‘Dat mis ik best wel: met elkaar de Bijbel bestuderen en daarna gezellig een glaasje drinken.’

Jonge meiden

Bij de koffie in Breukelen was het al even gegaan over haar opname in een kliniek voor psychiatrie, bijna drie jaar geleden. ‘Een diepe inzinking’, volgens haar man. Ze waren net thuis van een paar weekjes vakantie in Holten toen haar een intense vermoeidheid en lusteloosheid overviel. Egbert Schuurman belde direct de huisarts: ‘Ik dacht: dit gaat helemaal de verkeerde kant op.’ ’s Avonds was ze opgenomen in een kliniek voor ouderenpsychiatrie in Zeist.

Hoe was dat voor haar, vraag ik Lydi in de auto. Ze zucht en lacht tegelijk – dit lijkt een onderwerp waar ze niet graag over praat. ‘Ik heb altijd een beetje het gevoel gehouden dat het niet nodig was. En verder kan ik er weinig over zeggen, want ik ben heel veel kwijt uit die tijd. Het ging allemaal zo snel, opeens was ik daar en kreeg je allerlei gesprekken.’ Opnieuw lachend: ‘Aan jonge meiden moest je je hele verhaal vertellen. Ik had eigenlijk alleen vertrouwen in de specialist en het hoofd van de afdeling.’

‘Ik was vooral erg stil, zeker in het begin’

Lydi verbleef uiteindelijk een paar maanden in de kliniek in Zeist, langer dan ze gedacht had. ‘Maar ja, je schikt je erin hè, en dan gaat het ook wel weer. Daar had ik ook weer leuke contacten met mensen. Je maakt er wat van.’

Voelde ze daar weleens wanhoop? Er valt een stilte. Dan: ‘Ik was vooral erg stil, zeker in het begin. Toen ik er net was, kreeg ik opeens een trillend lijf, ik wist niet waardoor, misschien waren het de bijwerkingen van de medicijnen. Dat heb ik wel als naar ervaren. Maar of ik mij wanhopig voelde? Nee, dat denk ik niet.’

Codes

We zijn in Zaandijk aangekomen bij Brouwerij Hoop, waar ze naast allerlei soorten bier ook koffie serveren. Overal kom je het woord ‘hoop’ tegen: op de ramen, het terras, de servetten en de bierviltjes. Lydi zit op een stoel en haalt een bijbel uit haar tas: ‘Die heb ik meegenomen om een aantal hoopvolle Bijbelverzen voor te lezen’, zegt ze. ‘Alleen weet ik niet waar ik het briefje heb waar ze op geschreven staan.’

Ze is 79 jaar en heeft een lang leven achter zich. Ze realiseert zich dat de dood er ieder moment kan zijn. ‘Nadat ik zelf ging tobben met mijn gezondheid, maar ook na de heftige ziekenhuisverblijven van mijn man, werd dat meer een realiteit. Het is in Gods hand hoelang wij hier zullen leven. 79 is al een hele leeftijd. Hoeveel mensen overlijden er niet vreselijk jong?’

Toch heeft ze de map met codes en gegevens die haar man gemaakt heeft, mocht hij eerder overlijden, slechts één keer vluchtig ingekeken. ‘Ik laat dat ding liever in zijn bureau staan’, had ze onderweg verteld. Is dat toch net wat té confronterend? ‘Misschien kan ik reëler zijn over de lengte van mijn eigen leven dan over die van mijn man. Zou dat het zijn? En laten we eerlijk zijn, ik heb ook nog zo veel moois in het leven: mijn kinderen en kleinkinderen, daar wil je toch graag nog een poosje van blijven genieten.’

50.000

Op dit moment is een predikant die ze goed kennen ernstig ziek. Hij is nog relatief jong. ‘Eigenlijk weet ik niet zo goed meer wat ik op een kaartje moet schrijven en wat ik moet bidden. Is dat wanhoop? Ik denk het niet, want ik weet dat God alles in zijn hand heeft. Maar ik vind het wel heel moeilijk.’

De dag ervoor heeft ze de man en zijn echtgenote nog een kaartje gestuurd, vertelt ze. Met een Bijbeltekst erop, want dat is haar handelsmerk geworden. ‘Vroeger kochten we altijd kaarten waar Bijbelteksten op gedrukt stonden. Maar nu we geen evangelische boekhandel meer in de buurt hebben, schrijf ik er zelf een tekst op. Soms komt die vanzelf in mij op, soms blader ik door de Bijbel en kies ik een passende. Weet je, Bijbelwoorden zeggen vaak zo veel meer dan onze eigen woorden.’

‘Nu val ik ‘s middags altijd in een diepe slaap’

Haar man vertelde thuis dat Lydi tijdens hun huwelijk al zo’n 50.000 kaarten en brieven verstuurd moet hebben. Ontzettend veel, merk ik op. ‘Nou, ik weet niet of het er zo veel zijn hoor, maar ik stuur graag kaarten naar mensen, en vroeger ook brieven. Ik heb in de jaren tachtig bijvoorbeeld heel wat brieven geschreven naar dominee Busstra, die was uitgezonden naar Noord-Natal. Hij had in onze gemeente gestaan, we kenden hem goed. Als je dan met je gezin een plek krijgt op zo’n verre, afgelegen post, kun je zomaar in een isolement raken. Daarom wilde ik met hen meeleven en dat deed ik door brieven te schrijven.’

Ook haar kleinkinderen – ze hebben er elf – krijgen nog kaarten van oma, zoals laatst hun oudste kleinzoon, die trouwde. Haar eigen trouwtekst schreef ze op de kaart: ‘De Naam van de HEERE is een sterke toren, een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet’ (Spreuken 18:10 SV). Lydi zoekt de tekst op in de Bijbel die ze op haar schoot heeft liggen, terwijl het steeds voller wordt in Brouwerij Hoop. ‘Vind je daar ook geen hoop uit spreken?’ vraagt ze. ‘Dat geef je toch graag door aan anderen, en zeker aan je kinderen en kleinkinderen.’

Lichtpuntje

‘Ik ben een piekeraar, mijn vrouw is lichtvoetiger’, zei Egbert Schuurman eerder. Ik denk te begrijpen wat hij bedoelt na een paar uurtjes met Lydi op stap te zijn. Toen ze als tiener maalde over wat ze in haar ogen verkeerd deed – ‘Mijn moeder kwam uit de kerk van dominee Kersten, daar namen ze het leven heel zwaar’ – werd ze op een ochtend wakker met een Bijbeltekst in haar hoofd, Kolossenzen 2:14. ‘Daar staat dat al onze zonden door het kruis zijn weggedaan. Die ervaring is heel belangrijk geweest voor hoe ik vanaf dat moment in het leven sta. Misschien kun je dat hoopvol noemen, ja. Ik zie in alle situaties toch wel weer een lichtpuntje, en dat komt vooral omdat ik weet dat er een God is die voor ons zorgt.’

We rijden weer terug naar Breukelen. De fysiotherapeut komt nog en Lydi slaapt sinds haar opname in de kliniek iedere middag een uurtje. ‘Ik had dat voor die tijd nooit nodig. Ik was zo energiek en reed overal op de fiets heen. Maar nu val ik ‘s middags altijd in een diepe slaap.’

Fietsen gaat niet meer, maar kaarten blijft ze vast schrijven, zeg ik. Als brenger van hoop, met kaarten en brieven. Weer die bescheidenheid: ‘Nou, meet dat maar niet zo breed uit hoor. Maar als ze zo mogen werken, blijf ik het doen zolang ik het kan.’

Delen.

Over de auteur

Esther de Hek is tekstschrijver en hoofdredacteur van OnderWeg.

Laat een reactie achter