God is onveranderlijk trouw

0

Het kan je naar de keel grijpen: niets is meer zeker in de kerk. Op liturgisch gebied is alles aan het schuiven gegaan. Er is opeens samenwerking mogelijk met christenen van wie we vroeger zo veel mogelijk afstand hielden. Vrouwen zitten in de kerkenraad en staan op de kansel, terwijl we vroeger de afwijzing van de vrouw in het ambt zo’n beetje als maatstaf voor orthodoxie hanteerden. Waar gaan we met elkaar naartoe? Alles in de kerk hangt af van Gods onveranderlijke trouw. Door daarop te hopen en te vertrouwen kunnen we elkaar in de kerk terugvinden.

(beeld Zoey Tian/Unsplash)

(beeld Zoey Tian/Unsplash)

De zorg over de ontwikkelingen in de kerk is nog maar een van de zorgen die je over de kerk kunt hebben. We zien ook dat kerkverlating toeneemt. Kerkverlating is vaak ook godsverlating. Met tranen in de ogen zien we het gebeuren. Waar moet dat op uitlopen?

Misschien zie je dat probleem juist helemaal niet. We leven toch in de 21ste eeuw! Oude vormen en gewoonten moeten zo gauw mogelijk overboord. Een kerk die niet bij de tijd is, heeft geen toekomst. Het enige waarover je nog van mening kunt verschillen, is de vraag welke veranderingen precies noodzakelijk zijn. Maar veranderingen in de kerk kun je eigenlijk alleen maar toejuichen. Is dat ook niet de manier om kerkverlating tegen te gaan? Een eigentijdse kerk heeft de toekomst.

Rond dit soort verschillen kunnen we elkaar in de kerk gemakkelijk kwijtraken. Gemakkelijk ontstaan er over en weer clichébeelden. Somberaars tegenover naïevelingen. Pessimisten tegenover optimisten. Maar het gaat in de kerk niet om mijn behoudzucht of om jouw zoeken naar verandering. Het gaat in de kerk om God, de Vader van onze Heer Jezus Christus. Alles in de kerk hangt af van zijn onveranderlijke trouw. Door daarop te hopen en te vertrouwen kunnen we elkaar in de kerk terugvinden.

In dit artikel sta ik erbij stil wat het betekent dat God onveranderlijk is, dat Hij trouw is en hoe dat ons tot geloof roept.

Onveranderlijk

Vóór alle tijden hebt U de aarde gegrondvest,
de hemel is het werk van uw handen.
Zij zullen vergaan, maar U houdt stand,
zij zullen als kleren verslijten,
U verwisselt ze als een gewaad en zij verdwijnen,
maar U blijft dezelfde, uw jaren nemen geen einde.
(Psalm 102:26-28)

Uit deze psalm blijkt dat niets op aarde hetzelfde blijft: alles verslijt en vergaat. Mensen verouderen en sterven. Zelfs de langstlevende bomen hebben niet het eeuwige leven. Maar God blijft altijd dezelfde. Hij wordt niet aangetast door de tijd. Hij leeft in eeuwigheid.

Opvallend genoeg past de brief aan de Hebreeën dit citaat uit Psalm 102 toe op de Zoon van God, Jezus Christus (Hebreeën 1:10-12). Dit is zo wezenlijk voor deze brief, dat de schrijver er aan het eind op terugkomt: ‘Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren en vandaag en tot in eeuwigheid’ (Hebreeën 13:8).

Van Gods onveranderlijkheid is vaak
een soort onbewogenheid gemaakt

In de dogmatiek is deze belijdenis onder woorden gebracht in het leerstuk van de onveranderlijkheid van God. Tegenwoordig is dit leerstuk niet meer zo populair. Dat is wel te begrijpen. Vaak is van Gods onveranderlijkheid een soort onbewogenheid gemaakt: een God die zich niet laat raken door wat er in zijn schepping gebeurt. Maar dat idee staat ver af van de God van de Bijbel, die juist intens betrokken is bij de wereld. God kan boos worden, Hij kan verdrietig zijn, Hij leeft mee met zijn schepselen.

Ook al is dit zo, het betekent niet dat wij daarom de onveranderlijkheid van God maar moeten opgeven. Er is namelijk volgens de Bijbel een wezenlijk verschil tussen God en al zijn schepselen. Alleen God is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hij is onvergankelijk. Vanuit een wereld waarin alles wankelt en niets zeker is, slaan wij de ogen op naar God, die altijd dezelfde is. ‘Bij Hem is nooit enige verandering (…) waar te nemen’ (Jakobus 1:17).

Dat is de God die wij in Jezus Christus hebben leren kennen: een mens als wij, kwetsbaar, sterfelijk. En toch zijn die wonderlijke woorden over onze onveranderlijke, onsterfelijke God ook op Hem van toepassing. De onveranderlijkheid van God leer je pas goed kennen door Jezus.

Golfbeweging

Dat God trouw is, is geen abstracte theorie. Integendeel, het is de basis van ons bestaan. Psalm 102 is een ‘Gebed van een ongelukkige die dreigt te bezwijken en zijn klacht uitstort voor de HEER’ (vers 1). De psalm vertoont een soort golfbeweging van bittere klachten en zelfs verwijten aan God, afgewisseld met lofzeggingen en uitingen van vertrouwen. Na die verzen over God die altijd dezelfde blijft, volgt nog één vers, vers 29:

De kinderen van uw dienaren zullen veilig wonen,
ook op hun nageslacht rust uw oog.

Uit deze psalm leren we dat we kunnen rekenen op God, juist omdat Hij anders is dan wij. Je kunt vertrouwen hebben voor de toekomst, omdat Hij dezelfde is en blijft. Straks zijn wij er niet meer om voor onze kinderen te zorgen. Later vallen ook onze kinderen weg en staat zelfs hun nageslacht er alleen voor. Alleen? Nee, natuurlijk niet. God valt nooit weg. Op zijn trouw kun je rekenen, tot in eeuwigheid.

Dat ligt ook opgesloten in die wonderlijke naam die God zichzelf heeft gegeven, die haast onuitspreekbare naam JHWH: ‘IK ZAL ER ZIJN’ (Exodus 3:14). Toen God die naam aan Mozes openbaarde, leek Hij al eeuwen afwezig. Maar natuurlijk was Hij niet afwezig. Hij luisterde naar de jammerklachten van zijn volk, Hij keek om naar hun lijden. Hij was trouw aan zijn beloften aan Abraham, Isaak en Jakob. Op die trouw konden ze blijven rekenen. Hun toekomst leek verloren. Maar Gods trouw opent de toekomst.

Parallellie

Ook deze trouw van God – in voor mensen moeilijke omstandigheden – wordt in het Nieuwe Testament verbonden met Jezus Christus. In 2 Timoteüs staat een wonderlijke passage:

Als wij met Hem gestorven zijn,
zullen wij ook met Hem leven;
als wij volharden,
zullen we ook met Hem heersen;
als wij Hem verloochenen,
zal Hij ook ons verloochenen;
als wij Hem ontrouw zijn,
blijft Hij ons trouw,
want zichzelf verloochenen kan Hij niet.
(2 Timoteüs 2:11-13)

Ik noemde dit een wonderlijke passage, vanwege die laatste regels. Het lijkt een soort hymne, een oudchristelijke lofzang, waarin de parallellie tussen Christus en de gemeente wordt bezongen. De parallellie gaat zelfs door bij de verschrikkelijke mogelijkheid van de verloochening. Jezus zegt immers: ‘Ieder die Mij zal erkennen bij de mensen, zal ook Ik erkennen bij mijn Vader in de hemel. Maar wie Mij verloochent bij de mensen, zal ook Ik verloochenen bij mijn Vader in de hemel’ (Matteüs 10:32-33).

Maar aan het eind wordt de parallellie doorbroken. Ontrouw bij mensen komt maar al te vaak voor. Ook gelovige dienaren van Jezus kunnen verzaken in hun roeping voor Hem. Bij Jezus is ontrouw echter ondenkbaar. Hij is JHWH, trouw tot in eeuwigheid. Hij zal zichzelf nooit tegenspreken – Hij kan zichzelf immers niet verloochenen, Hij kan niet tegen zichzelf ingaan. Hij handhaaft zijn woord. Hij blijft ons confronteren met onze roeping. Hij zal ongetwijfeld zijn beloften vervullen.

De zekerheid van de kerk is dus niet gelegen in onze trouw. Ontrouw is een al te reële mogelijkheid. Maar tegenover die menselijke ontrouw staat de trouw van Jezus Christus, goddelijke trouw, verankerd in zijn goddelijke onveranderlijkheid. Wij kunnen al te gemakkelijk onszelf verloochenen. We draaien soms met alle winden mee. Maar de zekerheid van de kerk ligt ergens anders: Jezus Christus is onveranderlijk betrouwbaar.

Werkelijkheid

Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.
(Hebreeën 11:1)

Dit overbekende vers gaat over de kracht van het geloof: wat gebeurt er eigenlijk als je gelooft? Dat is dit: ‘Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen’. Je zou het ook zo kunnen zeggen: ’Het geloof is de realisering van wat we hopen’. Door het geloof worden de dingen waarop we hopen werkelijkheid. Dat is de wonderlijke kracht van het geloof.

Hoe dat komt? Omdat geloof zich richt op Gods beloften. En beloften zijn geen voorspellingen. Voorspellingen gaan in vervulling, of je ze gelooft of niet, als het goede voorspellingen zijn. Of ik het nu al of niet geloof, meestal krijg ik een nat pak als de buienradar regen voorspelt en ik me er niets van aantrek. Maar zo is het niet met Gods beloften. Die gaan alleen maar in vervulling in de weg van geloof. Ze vragen om geloof. En als ze geloof vinden, dan worden ze werkelijkheid. Daarom is het geloof de realisering van alles waarop we hopen op grond van Gods beloften.

Geloof is geen pessimisme,
maar ook geen optimisme.
Het is realisme

Hebreeën 11 geeft daar prachtige voorbeelden van. De muren van Jericho vielen door het geloof. Zonder geloof hadden ze er jaren omheen kunnen lopen en er was nog geen steen uit die muur gevallen. Maar omdat ze geloofden in Gods belofte vielen na zeven dagen de muren omver: door het geloof werd hun hoop werkelijkheid.

Dat geldt dus ook voor de trouw van God en Jezus. Hij blijft ons trouw, dat is ons beloofd. Maar je kunt je van die belofte afkeren, in ongeloof. Dan zul je haar niet in vervulling zien gaan. Niet omdat die belofte niet betrouwbaar was, maar omdat jij haar niet hebt aanvaard.

Selffulfilling prophecy

Het komt er heel erg op aan hoe je naar de kerk kijkt en hoe je erover spreekt. Zie je alleen maar gevaarlijke ontwikkelingen? Klaag je alleen over veranderingen? Ben je dan niet je geloof in Gods trouw aan zijn kerk kwijtgeraakt? Dan is jouw geklaag een selffulfilling prophecy, want alleen in de weg van geloof wordt Gods belofte van trouw werkelijkheid.

Geloof is echter geen vanzelfsprekendheid. Geloof is heel iets anders dan er makkelijk van uitgaan dat het wel goed komt met de kerk en dat iedere verandering vooruitgang is. Geloof is dat jij je vastklampt aan Gods beloften, dat je het daarmee waagt, desnoods tegen alle schijn in. Geloof is geen pessimisme, maar ook geen optimisme. Het is realisme. Je erkent alle gevaren, maar toch waag je het met de trouw van God.

‘Het geloof (…) overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.’ Als we het wel konden zien, hadden we geen geloof nodig. Ik heb geen geloof nodig om de lepelaars te zien in het nieuwe Reevediep bij Kampen, hoogstens een verrekijker. Geloof heb ik nodig om me te overtuigen van wat ik niet kan zien: dat die lepelaars het werk zijn van Gods handen, zijn kunstwerk.

De gelovigen uit Hebreeën 11 zagen meestal niets van wat ze geloofden. Abraham zag niet ‘de stad met fundamenten’, hij zag alleen maar zijn nomadenkamp met tenten (vers 9-10). Mozes zag de schatten van Egypte, maar dat de smaad van Christus meer waard was, dat zag hij niet (vers 26). Maar Abraham en Mozes en al die anderen geloofden Gods beloften. Ze rekenden op Gods trouw. Dat was voor hen meer dan genoeg bewijs om overtuigd te zijn, ook al zagen ze er niets van.

Vastklampen

Ik geloof dat God trouw is aan zijn kerk. Ik klamp me vast aan Gods beloften. Zie ik er iets van? Ach, ik zie zo veel tegenbewijzen. Ik ken de verhalen uit de kerkgeschiedenis over afvalligheid en ontrouw. Ik weet dat het hellende vlak al te vaak het begin is geweest van het einde. Ik zie evengoed als anderen gevaarlijke ontwikkelingen en ik houd mijn hart vast. Maar ik schuif dat allemaal aan de kant. God is toch onveranderlijk trouw? Jezus kan zichzelf niet verloochenen! Hoe zou ik hun beloften kunnen wantrouwen? Als ik geloof, dan zal ik het meemaken: de kerk die niet door de macht van de boze is te overweldigen (Matteüs 16:18), die zonder vlek of rimpel zal zijn, heilig en zuiver (Efeziërs 5:26-27). Wat een wonder, dat wij zo’n trouwe God en verlosser hebben.

Delen.

Over de auteur

Barend Kamphuis (GKv) is emeritus hoogleraar systematische theologie.

Laat een reactie achter