‘Trouw rijmt vaak beter op discipline en geduld’

0

‘Trouw vinden we vaak maar een lastig thema,’ zegt Thijs Tromp, bijzonder hoogleraar diaconaat aan de Protestantse Theologische Universiteit in Amsterdam. ‘Trouw is het sluitstuk van een bekend riedeltje: eerst is er verliefdheid, wat schitterend is; dan komt liefde, ook mooi; en als de liefde dooft, dan rest de trouw. Dan wordt het bikkelen: trouw óndanks moeilijkheden. Daar krijgen we maar moeilijk warme gevoelens bij.’

Thijs Tromp: ‘Wat mij ontroert, is dat de trouw van mensen vaak in zo’n schril contrast staat tot wat ze ervoor terugkrijgen.’ (beeld Gert Büchner)

Thijs Tromp: ‘Wat mij ontroert, is dat de trouw van mensen vaak in zo’n schril contrast staat tot wat ze ervoor terugkrijgen.’ (beeld Gert Büchner)

Thijs Tromp (1970) studeerde theologie en promoveerde op een proefschrift over levensverhalen in de ouderenzorg. Hij werkt als directeur van Reliëf, de christelijke vereniging van zorgaanbieders, en is daarnaast bijzonder hoogleraar diaconaat. Hoe komt hij als specialist in de ouderenzorg op die leerstoel terecht?

‘De zorgsector en het diaconaat liggen dichter bij elkaar dan je zou denken. Zeer veel zorginstellingen in Nederland hebben van oorsprong een diaconaal karakter, komen voort uit diaconieën, congregaties of ordes. Inmiddels is dat bijna volledig ontvlochten en geïnstitutionaliseerd, maar de pretentie is nog steeds om de wortels te koesteren. Het interessante is dat men in de negentiende eeuw zorg wilde bieden aan eenieder die het nodig had. Pas tijdens de verzuiling werd dit verengd tot (bijvoorbeeld) christenen die hulp bieden aan medechristenen. Nieuwe diaconale projecten, zoals Present, hebben vaak wel weer die brede blik: voor álle mensen, vooral voor hen die geen anderen hebben.’

In de zorgsector is het begrip trouw van belang. Hoe zit het daar eigenlijk mee?
‘Op het eerste gezicht lijkt trouw in onze samenleving minder belangrijk geworden. We zetten makkelijker een punt achter een relatie, geven het spectaculaire voorrang op het langdurige en zijn voortdurend op zoek naar positieve emoties. Trouw lijkt daarmee iets van vroeger geworden, maar ik betwijfel of die indruk terecht is. Als diaken en voor mijn werk kom ik regelmatig in verpleeghuizen. Het raakt me telkens weer als ik zie hoeveel mensen elke dag hun partner bezoeken, soms wel twee keer op een dag, zonder dat ze er iets voor terugkrijgen.’

Waar komt volgens u het toch wat heersende beeld vandaan dat er minder sprake zou zijn van trouw?
‘Wat mij ontroert, is dat de trouw van mensen vaak in zo’n schril contrast staat tot wat ze ervoor terugkrijgen. Ik was eens betrokken bij een man die elke dag bij zijn demente vrouw op bezoek kwam. Zij moest hem niet; zodra ze hem zag, slingerde ze de meest vreselijke woorden naar zijn hoofd. De man vertrok iedere keer met de staart tussen de benen, maar kwam de volgende dag gewoon weer terug. Dan begon het opnieuw. Ik ga vanwege dit soort ervaringen niet zomaar mee in het beeld dat trouw in diskrediet is geraakt. Het is wel zo dat trouw niet zo opvalt, ze is bescheiden en komt niet per se heldhaftig over. Mensen zeggen: het is toch mijn vrouw, of mijn man? Hij of zij zou het voor mij ook gedaan hebben. Dat klinkt eenvoudig, maar gaat veel dieper dan het lijkt. En het komt in alle lagen van de samenleving voor.’

‘Als je er later terugkomt,
is het misschien weer net zo’n puinzooi’

Wat zou de kerk hierin kunnen doen?
‘Juist omdat trouw niet opvalt, zouden we hierin oplettender kunnen zijn. Het kleine is immers groot in het koninkrijk van God, en het spectaculaire is maar tijdelijk. Jezus zei: “Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in Mij gelooft.” Dan zien we al snel spectaculaire beelden voor ons, spetterende en klaterende taferelen. Maar zou die stroom van levend water in de ogen van de wereld niet ook iets heel onnozels kunnen zijn? Misschien gaat het wel over een gestaag druppende kraan.’

Hoe zou dat er concreet uit kunnen zien?
‘Voor mijn geloof is het goed dat ik diaken ben geworden. Ik begrijp het geloof gewoon wat beter als het praktischer is. Doordat ik diaken werd, betrad ik een wereld die ik nog niet kende, een wereld van vrouwen en mannen die wekelijks of tweewekelijks bij andere mensen op bezoek gaan, dingen voor elkaar doen, zaken voor elkaar regelen. Ik wist niet dat die wereld zo groot is, dat daar zo veel trouw in naar voren komt en dat het diaconale werk zo sterk gepaard gaat met bescheidenheid. Zouden we deze mensen niet ook eens in het zonnetje moeten zetten?, dachten ze bij ons in de kerk. Misschien kunnen ook zij eens een getuigenis geven voorin de kerk. Het plan is op een teleurstelling uitgelopen. Echt niemand gaat met dit verhaal voorin de kerk staan. Het gebeurt in het verborgene en het blijft in het verborgene.’

Dit artikel krijg je cadeau van ons. Probeer magazine OnderWeg drie maanden gratis. Meld je aan voor een Proefabonnement (Digitaal of Papier Plus).

Het zijn wel vaak de ouderen die dit doen, de generatie van onze ouders.
‘Jongere mensen doen dingen tegenwoordig graag projectmatig. Dat heeft stichting Present geweldig goed begrepen. Zo krijg je mensen actief in de samenleving. We willen wel wat doen, maar we willen er niet te lang aan vastzitten. Dat hoort ook bij de levensfase. Gustav Jung noemt dat de fase van de morgen, daarin ontwikkelen we onze talenten en experimenteren we met het leven. In de middag van het leven, na je vijftigste, wordt dat minder belangrijk. Dan plukken we de vruchten van de ontdekkingsreis uit de morgen. Dan worden waarden als trouw en zorg belangrijker. Doordat oudere generaties trouw zijn, kunnen jongere generaties zich in vrijheid ontwikkelen. De oudere generatie functioneert als vangnet voor de jongere als die iets van het leven wil maken en daarvoor risico’s neemt. Dat biedt zekerheid om opgevangen te worden. Wat je in die fase ontvangt, kun je in een latere fase weer doorgeven aan een volgende generatie. Dat schept vrijheid en voorkomt dat generaties elkaar in de houdgreep houden.’

(beeld Evellean/Dreamstime)

(beeld Evellean/Dreamstime)

Dan hebben we het vooral over trouw tussen generaties.
‘Het maakt nogal uit in welke relatie je tot mensen staat. Ben je getrouwd, dan heb je elkaar bewust iets beloofd. Gaat het om je ouders, dan is er sprake van een natuurlijke loyaliteit. Trouw ligt daar voor de hand. Maar soms kruist iemand je pad met een problematiek van alcohol, psychische ziekte, schulden of wat dan ook. Hoe ontstaat trouw in zulke relaties? Dat houdt me bezig. Als er verbondenheid ontstaat, moet er iets gebeuren aan de ongelijkwaardigheid van de relatie. Die ongelijkwaardigheid is inherent aan helpen, maar als je openstaat voor wat je van de ander krijgt, dan kan er toch een gelijkwaardige relatie groeien. Wat begint met helpen, kan dan vriendschap worden. In die groei zie je volgens mij iets terug van de kern van het christelijk geloof.’

Daar ligt dus een uitdaging voor de kerk.
‘Precies, juist waar mensen door een spiraal van armoede of andere problematiek in een isolement zijn geraakt, daar kunnen christenen iets betekenen. Met alle kanttekeningen van dien: dat werk kan niet iedereen, je moet je eigen grenzen goed kunnen bewaken en veel zeep op je rug hebben, zodat dingen er makkelijk vanaf kunnen glijden. Je moet niet te veel willen oplossen, beter is het om er gewoon te zijn.

Onze neiging is de ander te willen veranderen, door te helpen. Daar zit iets van een oordeel in: je bent niet oké zoals je bent. Het is de kunst om dat oordeel op te schorten. Dat vereist geduld, dat je veel door de vingers ziet en kunt relativeren en er ook met humor naar kijkt. Heb je met een Presentklus een huis opgeruimd, bereid je er dan maar op voor dat het, als je er later terugkomt, misschien weer net zo’n puinzooi is. Als je dat niet kunt relativeren, wordt het niks met trouw.

‘Trouw is niet voorbehouden aan de kerk,
maar de kerk is er wel op aanspreekbaar’

Trouw rijmt vaak beter op discipline en geduld dan op warme gevoelens. Mijn schoonvader zette vroeger gewoon in zijn agenda wanneer hij bepaalde mensen wilde bezoeken, simpelweg om het niet aan het gevoel van het moment over te laten. En daar hield hij zich aan. Ik weet hoezeer de mensen die hij bezocht dit op prijs hebben gesteld. Trouw heeft de tijd als vriend. Als je iets wilt bereiken, keert de tijd zich tegen je. Als je er wilt zijn, heb je alle tijd.’

Het zijn toch niet alleen kerkmensen die aan het bed zitten?
‘Gelukkig niet. Ook buiten de kerk tref je vormen van gemeenschap aan, op sportclubs, hobbyverenigingen, in buurten. Mijn zoon werkte in de kantine van de voetbalclub en was onder de indruk van de trouw die de club betoonde bij een overleden vrijwilliger. Iedereen leefde mee en ging naar de begrafenis. Trouw is niet voorbehouden aan de kerk, God zij dank, maar de kerk is er wel op aanspreekbaar. De kerk heeft een verhaal dat gebaseerd is op trouw, omdat God niet loslaat wat Hij begonnen is. Als dat het verhaal is van waaruit je leeft, en er vallen voortdurend mensen buiten de boot, dan is het een slordig verhaal.

Het koninkrijk van God is een akker waarin graan en onkruid samen opgroeien. We gaan niet wieden, want voor je het weet trekken we ook het graan eruit. Het koninkrijk van God wordt vergeleken met de héle akker. Daar wordt God gediend en niet gediend, dat zit door elkaar heen. Wij hoeven gelukkig niet te sorteren, niet te oordelen, en dat geeft ons vrijheid.’

Dit artikel krijg je cadeau van ons. Probeer magazine OnderWeg drie maanden gratis. Meld je aan voor een Proefabonnement (Digitaal of Papier Plus).

Delen.

Over de auteur

Arie Kok is journalist en tekstschrijver.

Laat een reactie achter