Kunst als gebed

0

Kunst heeft wat ongrijpbaars. Het zet je aan tot denken. Kunst drukt iets uit wat niet zomaar in woorden te vangen is. Iets hogers. Maar wat is dan dat hogere, dat schone, dat goddelijke? Schoonheidservaringen en godservaringen lijken op elkaar. Sommige kunst brengt je dichter bij God. Hoe gebeurt dat eigenlijk? Dit artikel gaat in op de vraag: hoe kan in kunst iets van Gods openbaring klinken?

In het kort
Een kunstwerk dat de schoonheid van de wereld laat zien, verwijst naar God, de schepper, naar wat door Hem zo mooi is gemaakt. Geldt dat voor alle kunst? Kun je ook God ervaren in een kunstwerk dat pijn en gebrokenheid uitdrukt, gemaakt door een christen of niet-christen? Zeker, God is ontvankelijk voor onze uitingen van schoonheid en gebrokenheid. Jezus liet zich immers ook ontvangen om pijn en kwaad te dragen. Kunst wordt dan een gebed, waarin we alles bij God kunnen brengen. Dit werkt alleen nooit automatisch.

Kippenvel. Ik beluisterde een symfonie. Op het hoogtepunt had ik het gevoel dat ik zweefde. Het was anders dan anders. Een moment van euforie had ik wel vaker ervaren; dat is wat kunst voor mij zo bijzonder maakt. Het gevoel echter fysiek te vliegen, langzaam neer te dwarrelen samen met de dalende lijnen van de melodie, dat was nieuw voor me. Een bijzondere ervaring. Eén die ik graag wilde herhalen, al is me dat helaas nooit gelukt.

Kunst heeft iets ongrijpbaars. Het ene schilderij slaat in als een bom, een ander laat je koud. Door het ene nummer krijg je kippenvel en word je tot tranen geroerd, het andere is irritante achtergrondruis. Kunst is iets bijzonders. Het zet je aan tot denken, laat je van alles ervaren of geeft een nieuw zicht op de werkelijkheid. Eigenlijk is het raar om er woorden aan te geven. Kunst drukt immers iets uit wat niet zomaar in woorden te vangen is. Iets hogers. Wat is dan dat hogere?

(beeld Johan63/iStock)

(beeld Johan63/iStock)

Schoonheidservaringen en godservaringen lijken op elkaar. Je ziet het in de bijna religieuze taal die gebruikt wordt om iets wat mooi is te beschrijven. Lange tijd hebben de kunsten in dienst van die godservaringen gestaan. Van Griekse tempels tot middeleeuwse kathedralen die de mensen imponeren met hun grootte, waarmee ze letterlijk en figuurlijk naar de hemel verwijzen. Of neem het boek der leken: de schilderingen in de kerk; glas-in-loodramen en beelden die het kerkvolk hielpen, omdat men geen Latijn begreep of lezen kon. Beelden ondersteunen dan de goddelijke boodschap. Hoewel, soms stoorde het de boodschap ook. Want hoe maak je als leek onderscheid tussen het Bijbelverhaal, de stichtelijke mythe en het prijzen van de lokale adel?

Toch brengt sommige kunst je dichter bij God. Hoe gebeurt dat eigenlijk? Als ik iets mooi vind, geniet ik dan van het mooie of van Gods stem, als ze al te onderscheiden zijn? Als een schilder me raakt, waardeer ik het vakmanschap of laat God daarin iets van zichzelf zien? Hoe kan in kunst iets van Gods openbaring doorklinken?

Maquette

Kunstenaarschap komt in de Bijbel vaak van boven. Als God Mozes de opdracht geeft om de tabernakel te maken, komen er gedetailleerde voorschriften. God zet vakmensen in om het uit te voeren. Daarvoor kiest Hij Besaleël. ‘Ik heb hem uitzonderlijke talenten geschonken, wijsheid, vakmanschap en inzicht op allerlei gebied: hij kan ontwerpen maken en ze in goud, zilver, koper en brons uitvoeren’ (Exodus 31:3-5). Vakmanschap wordt door God herkend, erkend en ingezet. Wat Besaleël en al die anderen moeten maken, wordt niet alleen zorgvuldig beschreven, maar ook getoond. ‘Ik zal je een ontwerp laten zien van de tabernakel en van alle voorwerpen die bij deze tent horen; houd je daar nauwkeurig aan’ (Exodus 25:9). Ik stel me een maquette voor die God aan Mozes laat zien die beneden nagemaakt moest worden: ‘het voorbeeld dat je hier op de berg getoond is’ (Exodus 26:30).

Wat ik voel,
is niet automatisch God zelf

Vandaag de dag zien we kunstwerken als de persoonlijke expressie van de kunstenaar, die zichzelf bij voorkeur op een originele manier uit. De kunstenaar maakt zijn eigen taal. Naar onze maatstaven zijn de mensen rond Besaleël eerder uitvoerders dan creatieve geesten. Zijn dit dan wel goede voorbeelden van Bijbelse kunstenaars? Ik denk dat we allereerst God moeten zien als de kunstenaar. Van de tabernakel en de tempel is God de ontwerper. Dat past ook bij Hem. We hebben zijn creativiteit leren kennen als schepper. Hij maakte onze leefwereld, dan is het logisch dat Hij ook zijn eigen leefwereld en plek voor ontmoeting ontwerpt. Het is beroepstrots als Hij zorgvuldigheid verlangt van de uitvoerders. Houd je nauwkeurig aan het voorbeeld!

Kopie

Je hebt in de kunst naast het origineel ook veel kopieën en namaak. Iets daarvan zien we terug in Hebreeën. De oude tabernakel moest gemaakt worden naar het hemelse voorbeeld. Hebreeën maakt er een punt van dat de oude tabernakel niet het origineel is, maar slechts een afspiegeling. Zo wordt het hiervoor aangehaalde vers gebruikt: ‘dat je alles vervaardigt volgens het ontwerp dat je op de berg getoond is’ (Hebreeën 8:5). De priesterlijke eredienst, met alle mooi ontworpen kledij en de offerplaatsen en architectuur naar Gods voorschrift, het is allemaal maar een kopie van het echte kunststuk: Jezus. God zet de vaklieden en hun talenten in. Het bouwwerk dat ze maken en de schoonheid die anderen daarin ervaren, is niet hetzelfde als de godservaring. Wat ik voel als ik van kunst geniet, is niet automatisch God zelf.

De Beeldenstorm bijvoorbeeld wilde een einde maken aan deze verwarring tussen gods- en schoonheidservaringen. Het gaat niet om die beelden, maar juist om dat hogere, om het Woord. Geloof is immers uit het horen. Toch is de geschiedenis van het christendom niet de weg van de islam gegaan, waarin figuratieve kunst niet is toegestaan. De schepping mocht wel degelijk afgebeeld worden.

De pijn op het gezicht van Laocoön is fascinerend.

De pijn op het gezicht van Laocoön is fascinerend.

De wereld die de mens aantrof was mooi. Van hernieuwde interesse in de klassieke oudheid tot nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen; over hoe mooi alles op elkaar aansloot was verwondering en ontzag. De juiste proporties die men in de schepping aantrof, kregen ook hun weerslag op de kunst. Gereformeerde kerken hebben kunst als boek der leken dan wel dichtgeslagen, maar het boek der natuur werd gretig gelezen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis noemt het zelfs een ‘prachtig boek’ waar we iets van ‘Gods eeuwige kracht en goddelijkheid’ in leren kennen. Dat boek wordt dan ook verbeeld. Er is verwondering: van heel hoge trillingen tot de trage omwentelingen van planeten rond de zon (‘De hemel verhaalt van Gods majesteit’, Psalm 19:2), alles is in harmonie. Die perfecte verhoudingen verwijzen naar God. Eeuwenlang is het christendom aanjager en opdrachtgever geweest van de kunsten. Ook een beeldenstorm heeft dat niet gestopt. De wereld verwijst immers naar God. Wat je maakt, is soli Deo gloria.

Dissonant

Is deze wereld dan zo harmonieus? Kunst was echt niet alleen maar mooi. Een piëta laat het verdriet van Maria zien, een crucifix de verbeten pijn op Jezus’ gezicht. Als in de christelijke kunst iets lelijks werd weergegeven, had dat toch een functie in het evangelie. Een morele les, een appèl. In seculiere kunst net zo. De pijn op het gezicht van Laocoön is fascinerend: naast een studie in anatomie en de werking van slangengif in de spierkramp, bevat het ook de morele les dat je de god Poseidon niet tegen je wilt krijgen.

Dan komt echter in de twintigste eeuw de enorme klap. Het levensgevoel slaat om; geschokt door de wereldoorlogen over hoe diep de nutteloze lelijkheid in de mens zit. Verwondering over techniek werd ingezet voor de diepste haat van mensen. Kunst verbeeldt niet alleen wat mooi is, maar ook wat rauw is: kunst staat hier niet in dienst van een godservaring. Gebrokenheid die nergens goed voor is. Kan zulke kunst toch soli Deo gloria zijn?

Strijkkwartet

In mijn studententijd leerde ik een strijkkwartet kennen. Het is heerlijke melancholische sombere muziek, geschreven door een getergde Russische ziel. De communistische partij schreef hem voor hoe hij zich mocht uiten en je hoort hem ermee worstelen. Het zal aan mij liggen, maar dat trekt mij aan. Ik geniet daarvan, de mineurstemming, zeker als het weer wat herfstig wordt. Ik genoot van dat strijkkwartet. Tot ik ontdekte dat hij dit schreef nadat hij beelden van het bombardement van Dresden onder ogen had gekregen. Hij schreef het ‘ter nagedachtenis van de slachtoffers van fascisme en oorlog’. Persoonlijk ging het op dat moment ook niet goed met hem, hij overwoog zelfmoord. Dit was zijn afscheidsbrief. Ik houd van getergde muziek, maar hoe kan ik met een goed geweten van deze muziek genieten, als het een product van zoveel ellende is? Mag ik God danken voor die artistieke gaven?

Wat wil je, als je de laatste
bloembol hebt gehad?

Een antwoord op deze vraag ontdekte ik in een lied. Het gaat over hongersnood. In het donker is er niets anders te eten dan een roos. Dan klinkt opeens de bede: ‘geef ons heden ons dagelijks brood’. Met daarin verweven een voorwaarde: ‘als U het geeft, verlos ons dan van het kwade, amen.’ In dat lied proef je de pijn, de twijfel. Op het eerste gehoor is dat geen echt geloof: ‘als U het geeft.’ Het amen wordt op de meest twijfelachtige manier op de piano begeleid. Het woord van zeker weten wordt in twijfel getrokken. Wat wil je, als je honger hebt en de laatste bloembol hebt gehad…

Als kunstenaars iets van de gebrokenheid verwoorden, gebeurt dat soms met een lelijke veeg uit de pan, spottend en verwijtend. Maar ik ontdekte dat ik als luisteraar, kijker, bezoeker, er mijn eigen twijfel in kwijt kan. Op dat moment wordt het een gebed, dat mijn gebrokenheid bij God brengt. Ik heb er geen woorden voor, maar dat twijfelende amen is een van de mooiste, echtste en op een bepaalde manier toch gelovigste amens die ik ken: daar is God immers.

Zelfportret

In onze menselijke creativiteit zijn we beeld van God. We drukken uit hoe mooi en ook hoe gevallen deze wereld is. Al ons kunstenaarschap is een afspiegeling van het echte werk. Ook God wil zich als kunstenaar uitdrukken. Als een beeldhouwer die versteent, als een hand van Escher die zichzelf tekent, zo stapte God, de schepper, zijn schepping in. Dit zelfportret van God is toch wel het grootste mysterie van alles. Jezus, het Woord, eigenlijk is het raar om er woorden aan te geven. Want Hij belichaamt iets wat niet zomaar in woorden te vangen is. Iets hogers. Dat hogere is nu naar beneden gekomen. Tastbaar, zodat het ons raken kan. God kan zeggen dat onze gebrokenheid ook Hem raakt.

In deze tijd van advent staan we stil bij hoe Hij in de wereld kwam: door de Geest en een ontvankelijk meisje. Die Geest kan ook intunen op onze frequentie. Op de radio, in de oude kerk. Kunst wordt dan een middel waar schoonheid en gebrokenheid ingebed worden in het verhaal van God.

Geheimtaal

Misschien vind je kunst veel te hoogdravend. Toegegeven: snel heeft het wat elitairs. Het geeft het gevoel van een besloten geheime taal. Als je de vaktermen of verwijzingen naar andere werken niet kent, werkt het als een geheime code die je buitensluit. Toch kunnen we elkaar een boodschap overbrengen, desnoods met handen en voeten. Ik hoef niet een ondoorgrondelijke kunsttaal te verstaan om opeens geraakt te worden. Net als advent is dit een mysterie, waar naast de Geest, ontvankelijkheid voor nodig is. We moeten het ontvangen van de Geest die alle talen spreekt: de taal van een beeldhouwer die zich verwondert over de schoonheid van de menselijke anatomie, maar ook de taal van de componist die, met de ruïnes van Dresden voor ogen, een hartverscheurend strijkkwartet schreef en van de schilder die zijn pijn wegdronk met absint en de wereld in nieuwe kleuren en bewegingen zag.

Schoonheidservaringen, maar ook gebrokenheidservaringen, worden alleen godservaringen als Hij zich erin openbaart. Met handen en voeten, soms gevouwen, soms doorboord. Door een kiertje zucht de Geest.

Delen.

Over de auteur

Jaap Cramer is parttime predikant van de Verbindingskerk (GKv/NGK) in Heerde en componist. Cramer is redacteur van OnderWeg.

Laat een reactie achter