‘Het is toch mooi om de kerken te dienen!?’

0

Emeritus predikant dr. Melle Oosterhuis werd in november 2019 voorzitter van de GKv-synode. Eerder zat hij de synode van Meppel voor die de kerkelijke ambten voor vrouwen openstelde. ‘Wat die synode uitsprak, wil niet zeggen dat de Bijbel met twee monden spreekt, wél dat wij de Bijbel op dit punt verschillend verstaan.’

(beeld Heleen Sytsma-van Loo)

(beeld Heleen Sytsma-van Loo)

Ds. Melle Oosterhuis woont sinds enkele jaren in Wezep. Landelijk, je ruikt de Veluwe. Ook de snelweg is dichtbij. Iets van deze tweeslag lijkt ook in Oosterhuis te zitten. Geëmeriteerd, met als persoonlijke drijfveer ‘verlangen naar de komst van Gods Koninkrijk.’ Intussen moet er gewoon gewerkt worden, nu opnieuw als synodevoorzitter: ‘Ik ben gezond, ik heb de handen vrij’. En nee, hij heeft niet gesolliciteerd: ‘Ik kwam er na een stemming uit als voorzitter.’

We kennen een klein stukje buitenkant. Maar wie is ds. Melle Oosterhuis?
‘Als je het zo vraagt, zeg ik: ik voel mij erg thuis in deze wereld en tegelijk ook vreemdeling. Dat laatste krijgt, denk ik, extra accent omdat ik in Indonesië geboren ben en op mijn zesde naar Nederland kwam. Ik heb dus herinneringen aan een andere plek; de eerste indrukken als kind kunnen lang hun sporen nalaten. We zijn in Dokkum gaan wonen. Daar groeide ik op. Ik genoot van het leven daar, de vrijheid qua omgeving, van schaatsen en eieren zoeken. Mijn vader was internist in het ziekenhuis, een man van aanzien in die wereld. Ook dat is een factor die meespeelt. We waren lid van de GKv; onze acht zielen betekenden een enorme uitbreiding voor de kerk daar.’

Zit in het eerste dat je noemt iets van heimwee?
‘Ja, dat is wel zo. Ik heb lang gedacht aan teruggaan naar de tropen, bijvoorbeeld door tropische bosbouw te gaan studeren. Ik heb die keus later inderdaad gemaakt en ging naar Wageningen. Toen ik daar was, in de zestiger jaren, werd er in de kerkelijke crisis van toen een appèl op jongeren gedaan om theologie te gaan studeren. Ik heb daar positief op gereageerd, mede onder invloed van mijn medestudent Riekus Hidding die hetzelfde deed en door gesprekken met dominee Henk de Jong die daar toen stond en daarvoor al veel indruk op mij gemaakt had. En zo ging ik na ongeveer twee jaar naar Kampen. Met in mijn achterhoofd: ook via deze route kan ik naar de tropen.’

Dat is niet gebeurd.
‘Nee. Ik heb wel enkele keren een beroep naar de zending gehad; ik ben daar om persoonlijke redenen niet op ingegaan. Overigens is dit later ruimschoots gecompenseerd door lange betrokkenheid bij het deputaatschap voor betrekkingen met buitenlandse kerken. Daarvoor ben ik diverse keren in het Verre Oosten geweest, ik heb veel mensen ontmoet, her en der bezoeken gebracht en lesgegeven, onder meer in India.’

‘Ik verbeeld me dat ik meegegaan ben
met de ontwikkelingen’

Als je daar was, kwam dan iets van het gevoel van vroeger terug?
‘Iets van herinnering was er steeds wel, ja. Dat heeft ook te maken met het dagelijkse leven daar. De eerste keer op weg naar de Filippijnen maakte ik een tussenlanding in Bangkok, Thailand. Toen ik het vliegtuig uitkwam, voelde ik diezelfde deken van warmte van vroeger om mij heen. En later, in een dorpje in de Filippijnen, rook ik de geur van vuurtjes en zag ik loslopende honden; toen dacht ik: ja, dit is wat ik als kind meekreeg.’

Je bent bijna veertig jaar predikant geweest. Wat was daar mooi aan?
‘Een bonte verscheidenheid aan aspecten. Mijn hart lag steeds bij de uitleg van de Bijbel, de exegese. Ik was gefascineerd door dominee Henk de Jong, door zijn preken waarin hij kon zeggen: “We gaan vanmiddag eens grasduinen in de Bijbel.” Dat vond ik zo boeiend. Daarom ben ik met de exegese verder gegaan, ik bestudeerde het Oude Testament en ben gepromoveerd op het thema ‘reinheid’. Vanuit de exegese heb ik de gemeente willen bereiken, met zogenoemde biblical preaching.

Een ander aspect was de zorg voor de gemeente, om iets met de mensen daar te krijgen, om vrede te stichten. Als ik een beroep kreeg, was een van de overwegingen: “Zou ik deze gemeente lief kunnen krijgen?” Het antwoord daarop speelde mee in de eindafweging. Dit is gevoel, ja. Maar ik ben ook sterk een gevoelsmens.’

In die jaren veranderden de GKv nogal, er kwam veel meer aandacht voor gevoel, voor veranderingen in de liturgie. Hoe stond jij in die ontwikkelingen?
‘Ik verbeeld me dat ik daarin meegegaan ben. Op een gegeven moment is het wel zo dat je hierin keuzes maakt. Als het bijvoorbeeld om preken gaat, heb ik mijn eigen stijl die redelijk klassiek is. Qua opbouw: de structuur van thema’s en verdelingen. En ook qua inhoud, met veel accent op de uitleg. Ik heb gemerkt dat daar vraag naar was en is, ook onder jongeren.’

Wat was minder mooi aan predikant zijn?
‘Je hebt altijd wel met kritiek te maken. Soms kon dat grimmige trekken krijgen, bijvoorbeeld bij iets nieuws. Ik herinner mij dat ik een keer experimenteerde met een narratieve preekstijl. Er waren er die door de verhaalstijl geholpen werden bij de les te blijven, die enthousiast waren. Maar er waren er ook die ernstig bezwaar maakten tegen deze stijl van verkondiging. Later heb ik me wel gerealiseerd dat ik de gemeente er onvoldoende op had voorbereid. Maar toch, zoiets is de minder mooie kant.’

Melle Oosterhuis: 'Jezus Christus is Heer; daar wil ik van getuigen.' (beeld Heleen Sytsma-van Loo)

Melle Oosterhuis: ‘Ik heb lang gedacht aan teruggaan naar de tropen.’ (beeld Heleen Sytsma-van Loo)

Ik kan me voorstellen dat je, na zo’n lange staat van dienst, bij nadering van een nieuwe synode denkt: ‘Mooi, maar daar ben ik niet meer bij’.
‘Sinds 1978 kunnen predikanten op de in de samenleving bestaande pensioengerechtigde leeftijd met emeritaat gaan. Maar er zijn er genoeg geweest die doorgingen tot hun zeventigste of langer. Ik ben nu zeventig, al vijf jaar met emeritaat. Wat is er mooier om dan – als je gezond bent, de handen vrij hebt en het mooi vindt om bestuurlijk bezig te zijn – de kerken nog te blijven dienen?’

Maar goed, om dan voorzitter te zijn van wat niet echt een makkelijke synode wordt…
‘Dat is waar. Wat hierin voor mij meespeelt, zijn twee dingen. Het is niet zo dat de vorige synode alleen de man/vrouw discussie bevatte. Die was pittig, ja. Tegelijk hebben we als synode een mooie, inspirerende tijd gehad, waarin we elkaar opscherpten om vanuit de Schrift bezig te zijn. Het tweede: ik heb niet gesolliciteerd. Ik werd benaderd of ik afgevaardigde wilde zijn. Dat wilde ik. Ik werk graag mee aan de synode en dacht zonder presesschap als gewoon lid de handen vrij te hebben. Uiteindelijk kwam ik er in één stemming uit als voorzitter.’

En nu zit je hier als voorzitter van een synode waarop door een aantal kerken, zo’n twintig procent, ‘gewacht’ wordt als het om de man/vrouw discussie gaat.
‘Ja, dus geven we hier heel zorgvuldig aandacht aan; primair gebeurt dit onder leiding van de tweede preses. Maar er speelt méér op deze synode, neem het proces met de NGK. Ook dat was voor mij een reden om deze functie te aanvaarden. Zodat er in dit proces, dat nog geen afgeronde zaak is, continuïteit is. Voor dat proces ben ik dankbaar: ook al verschillen we als kerken van elkaar, we hebben elkaar gevonden. Het is belangrijk om samen verder te gaan en verantwoordelijkheid te nemen voor de dienst van de Heer. Ik hoop en verwacht dat dit in 2020 verder vorm krijgt.’

En daarvoor zit nog het beladen man/vrouw dossier.
‘Ja, dat is zo. Ik denk dat dit, als je terugkijkt, vooral veroorzaakt wordt doordat het onderwerp sinds de 19e eeuw geassocieerd werd met de vrijzinnigheid die de Bijbel zag als een oud boek waaraan je geen normen ontleent. Terwijl nu, al vanaf de synode van Amersfoort in 2005, sprake is van een heel andere invalshoek, namelijk om vanuit een zuivere motivatie de Bijbel te laten spreken en te ontdekken wat de boodschap van de Bijbel is. De laatste synode stelde vast, niet dat de Bijbel met twee monden spreekt, wél dat wij die boodschap verschillend verstaan.’

‘Jezus Christus is Heer.
Daar wil ik van getuigen’

Dit is één belangrijk facet van onbehagen binnen de GKv. Ergens las ik: in de GKv gaat het nauwelijks meer over de geloofsleer; wat centraal lijkt te staan, zijn liturgie, gemeenteopbouw en vooral gevoel, beleving. Herken je dit?
‘Zeker. Je ziet dit niet zozeer op het theologische vlak, wel op het grondvlak waar geloofswaarheden plaats lijken te maken voor beleving. Op dit punt deel ik de verontrusting. Ik heb echt het verlangen dat breed weer het besef groeit van de grote betekenis van wat de heilige Geest in de loop van eeuwen aan de kerken gegeven heeft, in de geloofsleer, in belijdenissen. Als dit onverhoopt niet gebeurt, wordt de kerk een sociale beweging die zomaar in andere opgaat. Maar wie suggereert dat de man/vrouw discussie iets met het voorgaande te maken heeft, doet geen recht aan alle synodes die zich al over dit onderwerp hebben gebogen.’

Als ik vraag: wat is, vergelijkbaar met een term als ‘de oecumene van het hart’, voor jou de kern van ons kerkelijk belijden?
‘Dan zeg ik, en feitelijk zeg ik dit de Open Brief na: Jezus Christus is Heer. De Bijbel is hier vol van: “opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen en elke tong zal belijden: Jezus Christus is Heer”. Natuurlijk moet je ook zo’n kern breder omschrijven. Namelijk dat Hij Heer is over ons leven, en ook over de schepping. Zoals je ook wilt nagaan wat deze kern – de Heer die zich vernederde en aan het kruis stierf – concreet betekent voor het dagelijkse leven. Toch, in die ene zin zit heel het heil; dáár wil ik van getuigen. Deze kern zit ook dicht bij mijn persoonlijke drijfveer: het verlangen naar de komst van Gods Koninkrijk. Want dan zien we Jezus als Heer.’

Delen.

Over de auteur

Leendert de Jong werkt in de media en is hoofdredacteur van OnderWeg.

Laat een reactie achter