Jaap Schaeffer: kluizenaar met ontdekkingsvreugde

Sjoerd Wielenga | 3 juli 2020
  • Achtergrond
  • Interview
  • Ontmoeting

Hij wijdde generaties gereformeerde scholieren in in de wereld van de volwassenen en vertelde over de farao’s, Napoleon en Bismarck alsof hij er zelf bij was. Vanuit Duitsland blijft voormalig geschiedenisdocent en historicus Jaap Schaeffer zich verwonderen over de raadselachtigheid van de wereld. ‘Als je in een persoonlijk God gelooft, zul je toch ook moeten aanvaarden dat Hij zichzelf niet uitlegt.’

Jacob Schaeffer (1942) studeerde geschiedenis en Nederlands. Hij was geschiedenisdocent aan de GSR in Rotterdam, hoofdredacteur van het wetenschappelijke tijdschrift Radix, redacteur van het literair tijdschrift Bloknoot, bestuurslid van het Gereformeerd Wetenschappelijk Genootschap en gaf lezingen. Ook was hij voorzitter van de Missionaire Arbeid Rijnmond en ouderling in de GKv Rotterdam-Centrum, op het laatst als coach van ouderlingen. Hij heeft drie kinderen en vier kleinkinderen.

Jaap Schaeffer is niet van de smalltalk. Ik heb mijn oud-docent een jaar of twintig niet gesproken, maar Schaeffer slaat de sociale plichtplegingen over (die volgen twee uur later) en steekt direct van wal. Binnen twee minuten gaat het over de roman ‘A la recherche du temps perdu’ van de Franse intellectueel Marcel Proust, waarvan hij in de Duitse vertaling in deze verstilde coronatijd honderdvijftig pagina’s per dag leest. Want dat is zijn leven: “Dat ik altijd maar weer lees en lees en lees. Ik verwonder me over de gecompliceerdheid en de wonderlijkheid van het bestaan.”

Jaap Schaeffer: 'De raadselachtigheid waarmee God met ons omgaat, vergeten we vaak.' (beeld Bodo Teudler)

Jaap Schaeffer: ‘De raadselachtigheid waarmee God met ons omgaat, vergeten we vaak.’ (beeld Bodo Teudler)

Het gesprek doen we telefonisch, het is coronatijd en Schaeffer een heer op leeftijd. Bovendien wil ik niet onnodig reizen naar het buitenland, want Schaeffer woont sinds 2007 in heuvelachtig Duitsland, vlakbij Daun, vijfhonderd meter boven de zeespiegel. Zijn vrouw Lies was al ziek toen ze van Rotterdam naar de rust van Duitsland verhuisden. In 2009 overleed ze, hij bleef er wonen, alleen. Vanwege de coronacrisis ziet hij zijn kinderen en kleinkinderen niet. Hij is veel thuis, maar hij verveelt zich geen moment. “Het is een soort avontuur, deze tijd. Ik ben er toeschouwer van. Aan het begin vond ik het wel angstig. Op een ochtend hoorde ik via de autoradio het lied ‘You’ll never walk alone’, dat op hetzelfde moment in heel Europa werd gedraaid. Dat ontroerde me echt. Het is natuurlijk een voetballied, maar als christen kun je het je goed toe-eigenen. Alsof God me een klopje op mijn schouder gaf: ‘Toe maar Jaap, het gaat goedkomen’.”

U publiceerde de afgelopen decennia regelmatig over de vraag of we Gods hand in de geschiedenis kunnen aanwijzen. Hoe ziet u, wat dat betreft, de coronacrisis?
“Ik ben zelf heel voorzichtig om te spreken over een straf van God. Maar natuurlijk, mensen worden beproefd. Het hele leven is een beproeving. Voor moderne christenen is dat een lastige zaak, omdat wij spreken over een persoonlijke God die nabij is in zijn liefde en goedheid. Dat is zeker zo, maar de raadselachtigheid waarmee God met ons omgaat, vergeten we vaak. Zo wordt God een therapeut, een vriend die dichtbij is. Maar als je God wérkelijk als een persoonlijk God serieus neemt, moet je ook zijn ongemakkelijke kanten accepteren. Die passen niet zo goed in het persoonlijke godsbeeld dat wij koesteren. God is geen schaakgrootmeester en wij de pionnen op het bord. Nee, God is medespeler. Hij is bij het kwaad betrokken door het te bestrijden. De kruisiging bijvoorbeeld was een afschuwelijk menselijk misdrijf. Het wonderlijke is dat Hij mensen vangt in hun eigen netten van zonde en misdrijven. Juist door die kruisiging is het kwaad overwonnen.”

Er valt dus geen duidelijk antwoord op de vraag te geven?
“Inderdaad, je krijgt het niet rond. Dat typeert het christelijk geloof. De islam legt een sterke nadruk op de almacht van God en een perfecte schepping. Maar in de Bijbel vind je waarom-vragen die geen antwoord krijgen. Jezus roept: ‘Mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ Die vraag krijgt geen antwoord. Als je in een persoonlijk God gelooft, zul je toch ook moeten aanvaarden dat Hij zichzelf niet uitlegt. Dat is een verschil met mensen onderling: als je niet begrepen wordt, vouw je jezelf als het ware uit en vertelt hoe de vouwen lopen. God doet dat niet, Hij is die Hij is, niet ‘gevouwen’, maar een ding zegt Hij wel: ‘Ik ben op jullie betrokken en ik heb een plan’. Als je beproevingen overkomen, kun je als kind van God zeggen: en tóch is Hij een liefdevolle God.”

Grijze kleikluiten

Jaap Schaeffer werd in het tweede oorlogsjaar geboren in Amsterdam-West als oudste in een gezin van vier. “Mijn vader was een bevlogen man, zeer gelovig en – anders dan ik later – voorstander van doorgaande reformatie (het idee dat het vrijgemaakte gedachtegoed ook moest doorwerken in eigen maatschappelijke organisaties, SW). Hij wilde ook doorgaande reformatie in de opvoeding. Toen ik vijf, zes jaar was vertelde hij me al over kerkgeschiedenis. Ik vond het geweldig. Maar hij las ook gedichten van Marsman en detectives voor. Er was een zekere openheid naar de wereld. Ik had een sterke band met hem.”

(beeld Bodo Teudler)

(beeld Bodo Teudler)

In 1957, Schaeffer was vijftien jaar, gooide zijn vader het roer om. Van directeur van een brandstoffenzaak werd hij gereformeerd-vrijgemaakt predikant. Het gezin verhuisde naar Uithuizen. “Dat ik van een gewoon gezin in een pastorie kwam, was een héle aparte ervaring. Je moest je goed gedragen.”

Aansluiting met Groningse leeftijdsgenoten was aanvankelijk niet makkelijk. Hij verstond ze niet en hij had niets met ze. “Aan de vooravond van de intrededienst maakte ik met twee jongens een avondwandeling. Alleen al zomaar wandelen in het donker, onder het neonlicht van straatlantaarns die grijze kleikluiten beschenen, was een onbekende wereld. Ik wist absoluut niet wat ik tegen ze zeggen moest. En zij niet tegen mij. Een vervreemdende ervaring.”

Later vond hij er zijn plek. Terugblikkend constateert hij dat de vrijgemaakte kerken van toen “sektarische trekken” hadden. Niettemin ervoer hij de kerk van zijn jeugd destijds als een “geestelijke avant-garde”. “Het gevoel van een geweldig nieuw begin. Er gaat iets bijzonders gebeuren met onze kerken.”

Omdat zijn vader “een hongerloontje” kreeg en zijn inkomen erop achteruit was gegaan (“Hij werd geen predikant voor een hoger salaris”), moest de jonge Jaap op het land werken om bij te verdienen voor het huishouden.

Jac. Schaeffer die op het boerenland werkt, ik kan me er niets bij voorstellen.
“Ja man, aardappels rooien, bloemkoolbladeren toesluiten, prei poten, druiven krenten in kassen. Weet ik het wat, ik heb het allemaal gedaan.”

Het kwaad als inbreker

Zijn gelukkige jeugd nam een treurige wending tijdens zijn eerste studiejaar. Hij woonde net op kamers in Groningen toen zijn moeder, 46 jaar, kanker kreeg. “Toen ik hoorde dat ze op sterven lag, fietste ik als een gek dertig kilometer naar Uithuizen. Volstrekt uitgeput kwam ik aan. Mijn moeder zat nog op een stoel. Ze zei dat ze het belangrijk vond dat wij God trouw zouden blijven en dat we onze band met Jezus zouden behouden. Daarna ging ze op bed liggen. Die nacht is ze gestorven. Ik zie nog voor me hoe mijn vader de trouwring van haar vinger haalde. Dat was diepingrijpend. Na de begrafenis was ik echt van de kaart. De onbegrijpelijkheid van het kwaad kon ik niet bevatten. Ik kon er niet bij dat het mij moest overkomen.”

Was dat een vraag aan God?
“Dat niet. Maar ik besefte vooral hoezeer het kwaad een inbreker is als je achttien bent. En natuurlijk de ellende van de lege plek thuis. Interessant: het goede zie je nooit als inbreker en het kwaad wel. Als de wereld alleen door een blinde natuur zou zijn ontstaan, zouden we toch nooit op de gedachte komen dat het kwaad een inbreker zou zijn? Waar komt dat vandaan?”

Destijds realiseerde hij zich niet hoe jong zijn moeder eigenlijk overleed. “Pas later dacht ik: zes-en-veer-tig jaar! Als mijn moeder was blijven leven, waren mijn herinneringen aan haar vast kleurrijker geweest. Nu zijn ze goeddeels vervaagd.”

Zijn vader overleed vele jaren later, in 1994. Inmiddels, met het verstrijken van de jaren, overheersen de goede herinneringen aan zijn vader. Dat is wel eens anders geweest, want “wonderlijk genoeg” kregen Schaeffer en zijn vrouw in de jaren negentig een conflict met hem. Veel wil hij er niet over kwijt. “Maar het was raadselachtig en een zware last. Op zeker moment is de strijdbijl begraven.”

Laat je inspireren door magazine OnderWeg en neem een gratis proefabonnement!

Veertig jaar van zijn leven, tussen 1967 en 2007, stond in het teken van zijn docentschap geschiedenis aan de gereformeerde scholengemeenschap in Rotterdam, waar ook zijn vrouw docent was (maatschappijleer) en van leerlingen de bijnaam ‘Lady-Schaef’ kreeg. In Rotterdam wordt Schaeffers naam nog altijd met respect uitgesproken. Hij is het grote voorbeeld van jongere geschiedenisdocenten, soms zijn oud-leerlingen. Onderwijsminister en oud-leerling Arie Slob noemt hem in interviews zijn favoriete docent en historicus George Harinck (Vrije Universiteit en Theologische Universiteit Kampen) schreef eens over zijn geschiedenisdocent en latere vriend: “Drs. Jac. Schaeffer – de drie onderdelen van zijn naam hadden alle iets exotisch voor mij”.

Jaap Schaeffer in 1985.

Jaap Schaeffer in 1985.

Harinck herinnert zich “iets soevereins in zijn houding” en de glimlach die om Schaeffers lippen zweemde. Diens lessen waren “een uitnodiging tot bezinning dankzij een sfeer van vertrouwen”.

Ik herken deze beschrijvingen ook. De drieslag in zijn naam had iets mysterieus, evenals de man zelf die zich redelijk onopvallend – meestal in grijze of beige pakken – door het schoolgebouw bewoog. Ik herinner me de leerling die licht teleurgesteld ontdekte dat de voornaam Jaap was. Een te gewone naam voor zo’n bijzonder mens.

Dat alleen het noemen van Schaeffers naam al emoties oproept, bleek wel toen ik op sociale media liet weten hem te gaan interviewen. Dat leverde meer dan veertig enthousiaste reacties op uit verschillende generaties. Zijn wijsheid, vertellerskunst, eruditie, humor en betrokkenheid werden geroemd. “Allemachtig!” reageert Schaeffer, geconfronteerd met het aantal reacties, uit de grond van zijn hart. Het enthousiasme is wederzijds, zegt hij. “We hadden het goed bij elkaar. Ik zag het als mijn opdracht om menselijk met hen om te gaan en er samen iets moois van te maken. Dat maakt het leven boeiend en interessant. Ik schreef eens: een gelukkige klas is een van de mooiste dingen op aarde.”

Hij kijkt met “veel genoegen en vreugde” terug op zijn leraarschap, zegt hij. Jaren geleden op een terrasje in Duitsland, zijn vrouw leefde nog, zag hij een groep vijftien-, zestienjarigen voorbijkomen. “Mijn vrouw zei: ‘Je kijkt ernaar als een jachthond die het wild ruikt.’” Hij lacht hartelijk om die wonderlijke vergelijking. “Mijn leerlingen ontroerden me soms. Hun weetgierigheid en hun ongemakkelijkheid. Dat je dacht: ach, die kinderen hebben nog een heel leven voor zich… Het mooie was dat ik jonge mensen in kon leiden in de wereld van de volwassenen. Ik kon een gids zijn, hen leren hoe mensen in elkaar zitten.”

Mooi cijfer

Zoeken, tasten en vragen stellen. Dat is wat Schaeffer drijft. “De raadselachtigheid van de wereld is een voortdurende bron van verwondering, maar ook van nieuwsgierigheid. Hoe kan dat nou? Hoe werkt dat nou?” Hij stimuleerde zijn leerlingen vragen te stellen. Een goede vraag tijdens de les kon zomaar een negen opleveren. Oprechte nieuwsgierigheid werd beloond; misschien nog wel meer dan het geven van de juiste antwoorden. “Als ik dan onverwacht een mooi cijfer gaf, glansde zo’n leerling.”

Deze romantische voorstelling van het leraarschap zal niet iedereen delen. Er zijn ook docenten die leerlingen zien als etters die je het bloed onder de nagels vandaan halen en met wie ze vijftig minuten lang in staat van oorlog zijn.
“Nee, nee, natuurlijk had ik als beginnend docent m’n problemen. Bovendien, toen ik net van de universiteit kwam, wist ik eigenlijk niet meer dan in het geschiedenisboekje stond. Ik heb naast mijn werk kei- en keihard gewerkt om vertrouwd te raken met de geschiedenistijdperken. Ik wilde als een tijdgenoot van de farao’s, Napoleon of Bismarck kunnen vertellen. Mijn houvast was: ik geef alles wat ik heb en dan verwacht ik dat de leerlingen daaraan meedoen. We moeten samen iets moois bereiken. En als een jongen de orde verstoorde, nam ik hem mee de gang op en vroeg oprecht geïnteresseerd waarom hij zo deed. Zo’n jongen zweeg slechts, hij had natuurlijk geen goede reden. Terug in de klas vroegen zijn vrienden hem hoeveel straf hij gekregen had. Maar die martelaarsstatus kréég hij helemaal niet, want hij had geen straf gekregen. Hij ging met gebogen schouders weer zitten.” Hij lacht er smakelijk om.

Heeft u nooit een docentschap aan een universiteit geambieerd?
“Als veertiger heb ik me dat wel een paar jaar afgevraagd. Maar ik was gewoon in de wieg gelegd voor het lesgeven aan de GSR. En ook daar kon ik in de lessen wel iets kwijt van het laatste boek dat ik had gelezen. Dat maakte het lezen ervan ook boeiend. Om toch meer uitdaging te krijgen, werd ik in 1977 ook docent Franse, Duitse, Engelse en Nederlandse literatuur op een opleiding voor boekhandelaren. Dat was een feest! Ik las boeken die ik anders niet zou lezen, zoals Balzac en Flaubert, Jane Austen en Franz Kafka.”

Woordgrappen

In het jaar van zijn pensioen verhuisde hij met zijn vrouw Lies naar Duitsland. In zeker opzicht ging hij terug naar zijn oorsprong: de Schaeffers namen in de achttiende eeuw de wijk van Duitsland naar de Betuwe. Daarvandaan beproefde zijn grootvader, een kleermaker, zijn geluk in Amsterdam. Toen Lies overleed, vroeg hij zich af of hij wel in Duitsland zou blijven wonen. “Ik wilde het alleen als ik in staat zou zijn om dingen die ik ontdekt had door te geven aan mijn mede-gemeenteleden én als ik in het Duits woordgrappen kon maken. Dat is me allebei gegeven. Inmiddels ben ik hier geworteld.”

Maar na haar dood moest hij het geloof “voor eigen rekening nemen”. “Ik was alleen. Ik kon het niet meer delen met haar. Ik ben me toen grondig gaan verdiepen in de boeken van Klaas Schilder.”

Jaap Schaeffer voor de klas in 1990.

Jaap Schaeffer voor de klas in 1990.

Als actief lid van de ‘Bibelkreis’ vertelt hij zijn geloofsverwanten in de Evangelische Kirche, die een lutherse signatuur heeft, over de gereformeerde manier van bijbellezen. “Ik heb geleerd om de lijnen tussen het oude en nieuwe testament te herkennen. Ik ben een echte leraar en vind het heel mooi om de kennis die ik verworven heb door te geven. En zij vinden het boeiend die eenheid in de Bijbel te ontdekken.”

Ze ervaren “der Jakob” als een geschenk. Hij verzorgt inleidingen, leidt Bijbelstudies en is lid van een gospelkoor. Spanningen lost hij op met humor of een wijs woord. Zijn kennis wordt gewaardeerd. Hij introduceert er hedendaagse theologen als Tim Keller en Tom Wright. “Ik blijf op zoek: hoe kan ik het geloof overeind houden in deze cultuur? Niet dat ík het geloof moet redden, maar ik wil de vragen die leven serieus nemen. Ik ben een kluizenaar met ontdekkingsvreugde.”

Hoe kijkt u vanuit Duitsland naar de kerkelijke situatie in Nederland?
“Ik vind het prachtig om te zien dat de vrijgemaakten samengaan met de Nederlands-gereformeerden. Minder mooi vind ik dat de GKv soms een a-traditioneel zootje is. Na de Vrijmaking dachten ze dat, een beetje karikaturaal gezegd, de kerkgeschiedenis opnieuw begon. Maar het besef dat je ingebed bent in een groter geheel was afwezig. Toenmalige kerkdiensten in gymnastieklokalen symboliseerden dat als het ware: geen probleem, het ging immers om het Woord. Die houding heeft nu geleid tot een zekere vrijgevochtenheid en pedanterie. Dat mensen de zegen met eigen woorden uitspreken, bijvoorbeeld. Het is armoe als mensen de heilzame werking van de traditie niet kennen en zeggen: het gaat om mijn geloof en mijn beleving. In de apostolische geloofsbelijdenis belijden we nu juist iets over de kerk van álle eeuwen. Dat zijn schatkamers waar mensen hun geestelijke schatten verzameld hebben. Als je doet alsof je alleen maar met je eigen schatkamertje bezig hoeft te zijn, doe je de wijdheid van de christelijke traditie tekort. Die wijdheid heeft een geweldige diepte, schoonheid en rijkdom.”

Is dat in Duitsland anders?
“De liturgie is gestempeld door die traditie, dat is mooi. Maar als ik de preken hier hoor, ben ik blij dat ik mijn eigen voedselbronnen heb. Ze gaan vooral over de eigen situatie, terwijl een goede preek zou moeten gaan over dat God naar ons toe komt en niet dat wij gaan grasduinen in het Woord van God om daar de pareltjes te vinden die voor ons belangrijk zijn. Pas als je theocentrisch begint, kun je antropocentrisch zijn en leer je de ware proporties van het leven beter zien. Het vreemde van God is dat Hij ons volledig accepteert én ons duidelijk maakt dat we van geen kant deugen. Die spanning moet in de preek te horen zijn: laten merken hoever we verwijderd we zijn van hoe we bedoeld zijn zonder dat het een deprimerende boodschap is.”

Eilandje van vertrouwen

In juli hoopt hij 78 jaar te worden. Hij is gezond. Van een van zijn ogen heeft hij last, maar lezen gaat nog goed. “Ooh,” roept hij uit. “Het zou zeer rampzalig zijn als ik niet meer zou kunnen lezen!” Hij voelt zich geen “aartsvader die snel tot de vaderen verzameld zal worden”, maar weet dat het grootste deel voorbij is. “En dan moet ik me aan God toevertrouwen.”

Hoe ervaart u dat?
Voor het eerst blijft het even stil. Dan: “Ook als iets raadselachtigs. Soms verheug ik me erop om mijn vrouw te zien en om Jezus te zien. En soms denk ik: we weten er niets van. Ik moet telkens de wetenschap dat ik dan werkelijk bij God geborgen ben veroveren. Dat niet het onbekende, maar het bekende – bij God zijn – domineert.”

Enkele dagen na het interview stuur ik hem de reacties van zijn oud-leerlingen op de sociale media toe. Het maakte hem blij, mailt hij terug. “In de loop van mijn leraarschap is voor mij steeds belangrijker geworden, mijn drijfveer of misschien nog beter mijn opdracht: ik wil voor mijn leerlingen betrouwbaar zijn.” Er waren immers jonge mensen aan hem toevertrouwd en dat vertrouwen wilde hij niet beschamen. “Juist niet in een wereld waarin dat één van de grootste treurigheden is.” Het heeft, schrijft hij, te maken met de kern van zijn geloof: God is de betrouwbare. “We moeten zijn beeld zijn. God zelf gebruikt voor zichzelf meermaals het beeld van de herder. Jezus doet dat later ook. Wij moeten dus herders zijn. In mijn geval herder en leraar.”

Dus toen hij me door de telefoon zei dat een gelukkige klas één van de mooiste dingen op aarde is, “was dat een manier om uit te drukken: een eilandje van vertrouwen”. De reacties op internet waren voor hem tekenen van een gevoel: dat leerlingen zich bij hem thuis gevoeld hebben. “Veel meer heb ik niet te wensen.”

Laat je inspireren door magazine OnderWeg en neem een gratis proefabonnement!

Over de auteur
Sjoerd Wielenga

Sjoerd Wielenga (GKv) is zelfstandig journalist, tekstschrijver en eindredacteur.

Op weg met muziek

Op weg met muziek

Els Veurink (HR)
  • Reisbagage
  • Thema-artikelen
Zing een nieuw lied voor de HEER

Zing een nieuw lied voor de HEER

Jaap Cramer
  • Beschouwing
  • Thema-artikelen

Reageer op dit bericht

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief