Rustig, we hoeven God niet te zijn

Bram Beute | 14 augustus 2021
  • Opinie
  • Thema-artikelen

Waar vind je rust en ruimte voor ontspanning als er zoveel dingen zijn om je zorgen over te maken? Hoe neem je verantwoordelijkheid zonder eraan onderdoor te gaan? Bram Beute kreeg jaren geleden een advies dat hem nog steeds op de been houdt en dat hij graag doorgeeft.

‘Hoe kan ik dominee zijn en tegelijkertijd ook nog ruimte houden voor mijn gezin en voor vrije tijd? Moet ik niet altijd beschikbaar zijn?’ Toen het einde van mijn studie theologie naderde, werd dat een vraag voor mij. Een oom die therapeut is, hielp me verder. ‘Hoe doe jij dat nou, als er een patiënt belt en je bent net met je kind aan het badmintonnen?’ vroeg ik hem. ‘Dan neem ik de telefoon niet op’, zei hij. ‘Maar als die ander nu net op dat moment een eind aan z’n leven wil maken?’ ‘Dat weet ik niet, maar ik denk dan: “Ik ben de Here God niet.”’

Dat heb ik altijd een enorm bevrijdende gedachte gevonden. Ik ben God niet. Het geeft me bij veel stress en zorgen ook veel ontspanning. Niet alles hangt van mij af. Ik hoef de wereld of een medemens niet te redden, want ik ben God niet. Ik gun veel meer mensen deze ontspanning. Met het steeds verder verdwijnen van het geloof in God is er in onze samenleving ook veel stress gekomen en dat gaat ook de kerk niet voorbij. Als God er niet is, dan moeten we misschien toch wel zelf god zijn of iets of iemand als god omhooghouden. Eigenschappen die traditioneel aan God werden verbonden als almacht, eenheid, rechtvaardigheid en alwetendheid worden nu verbonden aan mensen, instituten en instituties.

Doen alsof

Daar zijn eeuwen aan voorafgegaan, waarin we veel ontdekt en uitgevonden hebben. De verdiensten van wetenschap en techniek zijn enorm en we hebben veel om dankbaar voor te zijn. Tegelijk is de illusie geschapen dat uiteindelijk alles wel te verklaren en op te lossen is. En dat is niet alleen maar hoopvol en bevrijdend. Het schept ook de verplichting om alles te verklaren en op te lossen. Wat er toch nog misgaat, moet bovendien de volgende keer voorkomen worden.

Bij een ramp is de eerste reflex om te zoeken naar de oorzaak en de schuldige, maar vooral ook: hoe kunnen we deze ramp een volgende keer voorkomen? Die vraag beantwoorden lijkt belangrijker dan rouwen om wat er is gebeurd. Natuurlijk is het goed om van fouten en ongelukken te willen leren, maar dat alle ongelukken voorkomen hadden kunnen en moeten worden, is de illusie van de almacht. Alsof we met genoeg controle, protocollen en regels het kwaad in de greep kunnen houden. Hoe behulpzaam controle en protocollen ook kunnen zijn, de dwingende kracht ervan heeft geleid tot een enorme administratie in bijvoorbeeld de zorg of ontwikkelingssamenwerking, die mensen afhoudt van het eigenlijke werk dat ze graag doen en dat ook moet gebeuren. De illusie van menselijke almacht beperkt ons in ons menszijn. Het goede leven is niet allereerst angstig fouten voorkomen, maar kunnen rouwen, fouten mogen maken en je kunnen richten op het goede.

(beeld Solovyova/iStock)

Niet alleen techniek en controle, ook wetenschap geeft ons gemakkelijk de illusie dat we god zijn. Er is zoveel ontdekt, zoveel dat we weten, zoveel informatie beschikbaar; we lijken wel alziend, alomtegenwoordig. We verliezen uit het oog dat we sterk bepaald zijn door onze tijd, plaats en culturele context. Alsof we de werkelijkheid vanuit Gods gezichtspunt kunnen bezien. We spreken over ‘universele mensenrechten’, alsof wij in staat zijn om voor alle mensen te bepalen wat goed is. Diversiteit en multiculturaliteit omhelzen we soms in theorie, maar in de praktijk blijkt het toch maar knap lastig en gaan we toch liever uit van één geldende waarheid en moraal voor iedereen. Dat ligt nauw aan tegen ‘rechtvaardigheid’. In de klassieke theologie is dat een eigenschap van God. Alleen God is rechtvaardig. Hij alleen is de Rechter over allen. Maar als God er niet meer is, moeten we zelf rechter zijn. Over alles en iedereen. Je moet een mening hebben over tal van personen en kwesties in het nieuws. Oordelen worden hard en duidelijk geveld, zoals zichtbaar wordt in de cancel culture.

Maar we zijn God niet en we hoeven dat ook niet te zijn. We zijn niet almachtig, alwetend, alomtegenwoordig, één en rechtvaardig. We zijn beperkt in ons zijn, kunnen en weten. We zijn lokaal gebonden en met zonde bevlekt. Dat zeggen is niet jezelf een minderwaardigheidscomplex aanpraten. Het is je plaats weten, zodat je op die plaats kunt groeien en bloeien. Het bevrijdt van illusies die opjagen en overspannen maken.

Wij zijn niet volmaakt en onze systemen ook niet. We zijn gelukkig God niet en we hoeven Hem ook niet te creëren of omhoog te houden. Want ook al onze (controle)systemen zijn net als wij beperkt en ook daar werkt de zonde door.

Geïnspireerd door magazine OnderWeg? Profiteer van onze actie en sluit met korting een jaarabonnement af!

Ook aan de kerk gaat het streven om als God te zijn niet voorbij. Natuurlijk belijden we in God te geloven en niet in onszelf, maar de praktijk laat nogal eens iets anders zien. We leven elke dag in een wereld die ervan uitgaat dat God er niet is, dat maakt dat ook christenen het maar moeilijk vinden om werkelijk te geloven dat God er is en zorgt. Ook het spreken van christenen over de kerk, de samenleving en de toekomst klinkt nogal eens alsof ze de controle denken te (moeten) hebben. Alsof ze alwetend zijn en over van alles rechtvaardige oordelen kunnen vellen. Dat alles dan ook vaak in de naam van God. Soms lijkt het alsof wij God overeind moeten houden, in plaats van Hij ons.

We komen in actie als God afwezig
lijkt om Hem aanwezig te maken

Ik zie onszelf terug in die Israëlieten die bij de berg op Mozes staan te wachten. Als het te lang duurt, worden ze bang. Ze krijgen taal noch teken van Mozes of de HEER. Ze voelen: we moeten zelf in actie komen. Ze kunnen tenslotte niet altijd maar bij deze berg blijven. Ze hebben er veel voor over om te kunnen zien dat God bij hen is en hen zal leiden. Dus maakt Aäron een beeld voor hen. Ze juichen: ‘Israël, dit is je God, die je uit Egypte heeft geleid!’ (Exodus 32:1-4) Zo is het veel vaker gegaan. God lijkt afwezig, machteloos en er moet dus actie komen om Hem zichtbaar en aanwezig te maken. Dat kan door het maken van een beeld dat je goed stevig vastzet (Jesaja 41:7). Door het meenemen van een tabernakel in de oorlog (1 Samuël 4:3,4). Of door je bij dreiging vast te klampen aan het gebouw waarin Hij vereerd wordt (Jeremia 7:4).

In alle gevallen is er sprake van klein geloof of ongeloof. Je niet kunnen of willen toevertrouwen aan God van wie de naam is: de Aanwezige, Hij die er is. Dat lijkt te vaag, te ongrijpbaar. Ik zie het nog steeds gebeuren. Bijvoorbeeld wanneer christenen roepen dat we nu in actie moeten komen, want anders blijft er na corona helemaal niets meer van de kerk over. Dat we nu het roer moeten omgooien, want anders zijn er straks helemaal geen jongeren meer in de kerk. Dat we de kansen moeten grijpen die corona ons geeft, want anders…

Maar wij zijn God niet. Wij hoeven God niet overeind te houden. De kerk of deze wereld ook niet. Dat doet Hij wel.

Wie is God?

Maar hoe dan en waar is God dan aanwezig? Bij ‘god’ wordt nogal eens gedacht aan een almachtig, alwetend, alziend, eeuwigdurend opperwezen. Misschien is dat ook een vorm van projectie. Alles wat we zelf niet zijn, maar wel zouden willen zijn, projecteren we dan op God. In de Bijbel kom je dergelijke omschrijvingen van God ook wel tegen. Toch is dat niet de kern. Alleen door Jezus Christus leren wij God kennen. In Jezus blijkt God heel anders dan wij gedroomd of gedacht zouden hebben. Hij wil dicht bij ons zijn. Hij heeft ons zo lief dat Hij zichzelf geeft. Aan het kruis wordt Hij verheven. Daar wordt zijn majesteit zichtbaar (bijvoorbeeld Johannes 3:14; 12:23). In totale vernedering van Jezus aan het kruis ligt Gods verhoging. In totale machteloosheid is zijn almachtige liefde werkzaam. Dat geeft moed: nooit meer hoeven wij te denken dat God afwezig is of niets meer kan doen.

Rust vinden

We hoeven God niet te zijn of Hem overeind te houden. Hij is er en Hij is aan het werk. Dat kan je een heel andere houding geven naar je zorgen en verantwoordelijkheden. Als predikant zou ik me kunnen richten op wat er mist in de kerk en wat er anders zou moeten. Dat is op zich niet verkeerd, maar ik leer steeds meer om ergens anders te beginnen. De kerk en ook deze wereld waren er al voor mij en zullen er ook na mij nog wel zijn, want God is er. Ik vraag me steeds vaker af: waar zie ik sporen van Gods aanwezigheid en van zijn werk? Hoe kan ik die in dank aanvaarden en ook voor anderen steeds meer zichtbaar maken? In de kerk leven we niet van een tekort, maar van Gods overvloed. Vanuit die blikrichting leven geeft ontspanning, inspiratie en nieuw elan.

In de kerk leven we niet in een tekort,
maar van Gods overvloed

Zo hebben we in onze gemeente verschillende keren aan het einde van het jaar aan elkaar gevraagd: waar heb jij God aan het werk gezien? Dat leverde veel verschillende mooie antwoorden op. Als we plannen maken in de kerk, proberen we daar steeds te beginnen: wat geeft God al en wat kunnen wij daarmee doen? n het pastoraat doe ik dat vooral, ook al voel ik de verleiding om de messias te willen of te moeten zijn. Ik realiseer me steeds meer dat God allang aan het werk is. Mijn taak houdt zelden meer in dan samen met de ander zoeken naar waar God is en aan het werk is. Zelfs op de donkerste plekken, vaak juist daar, is Hij te vinden.

Zo probeer ik in de wereld te staan. Ik volg het nieuws vaak gretig, maar als het me teveel wordt, sla ik de krant dicht en denk: ‘Ik ben gelukkig God niet.’ Ik bid voor mensen ver weg die lijden en naar wie ik machteloos kijk, maar bij wie Hij is. God niet te hoeven zijn maakt, zoals Thomas Halík schrijft, het leven spannender. Er valt altijd meer te ontdekken over waar Hij al aanwezig en bezig is. Het ontspant ook. Ik hoef geen controle te hebben. Die is in goede handen. Ik kan van harte meeleven, meevieren, meelijden met anderen zonder dat ik hen hoef te bewaren tegen allerlei kwaad of hen ervan moet redden. Ik hoef niet meer te doen dan lief te hebben wat (en wie) God me geeft. Dat geeft rust en moed om de zorgen van de wereld en de kerk onder ogen te komen. Of met de woorden van Psalm 84:

‘God de HEER is een zon en een schild.
Genade en glorie schenkt de HEER
aan wie onbevangen op weg gaan.’

Leestips

Thomás Halík, De nacht van de biechtvader. Christelijk geloof in een tijd van onzekerheid, Zoetermeer (Boekencentrum), 2016, met name ‘De vreugde niet god te zijn’ (hoofdstuk 7).

Nikolaas Sintobin, Vertrouw op je gevoel. Keuzes leren maken met Ignatius van Loyola, Utrecht (Kokboekencentrum), 2021, met name ‘Onderscheiden tussen goed en kwaad’ (hoofdstuk 6).

Geïnspireerd door magazine OnderWeg? Profiteer van onze actie en sluit met korting een jaarabonnement af!

Over de auteur
Bram Beute

Bram Beute is redacteur van OnderWeg en predikant van de GKv Kampen-Zuid.

‘De huiskamer creëert een incompleet kerkgevoel’

‘De huiskamer creëert een incompleet kerkgevoel’

Arie Kok
  • Reportage
  • Thema-artikelen
Kerkcoach Klaas Quist trekt lessen uit de coronacrisis

Kerkcoach Klaas Quist trekt lessen uit de coronacrisis

Karel Smouter
  • Interview
  • Thema-artikelen

Reageer op dit bericht

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief