Wat de ervaringsdeskundigen over Jezus zeggen

Rob van Houwelingen | 22 oktober 2022
  • Beschouwing
  • Special 2022
  • Thema-artikelen

Is God, in de persoon van zijn Zoon, werkelijk naar deze aarde toegekomen? Hebben mensen Hem gezien, gehoord, aangeraakt? Of is dit fictie en moet je het als gelovige doen met wat anderen over die fictie opgeschreven hebben? Rob van Houwelingen zoekt het antwoord op deze vragen bij bijbelschrijver Johannes.

In praatprogramma’s op radio en televisie zijn regelmatig ervaringsdeskundigen te gast, mensen die iets bijzonders meemaakten en daarover uit de eerste hand kunnen vertellen. Hun deskundigheid komt niet voort uit opleiding, maar uit praktische ervaring. Anderen in vergelijkbare situaties zijn daarmee geholpen.

Johannes is ook zo’n ervaringsdeskundige. Zijn eerste brief begint als volgt: ‘Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is’ (1 Johannes 1:1). Johannes noemt zijn naam niet, maar voor de oorspronkelijke lezers was duidelijk: hier komt iemand aan het woord die Jezus zelf heeft meegemaakt. Johannes hoorde tot de allereerste leerlingen van Jezus, was aanwezig bij de kruisiging en ook na de opstanding heeft hij de Heer ontmoet. Johannes was de langstlevende van de twaalf apostelen; het leek of hij nooit zou sterven (Johannes 21:20-23). Maar hij moest lang blijven leven om te kunnen optreden als kroongetuige van Jezus.

Getuigenis

Johannes is niet de enige getuige. Om hem heen staat een kring van mensen die zijn apostolische getuigenis kunnen bevestigen, omdat ook zij Jezus hebben meegemaakt. Vandaar de wij-vorm in de intro van deze brief en in de proloog van het Johannesevangelie: ‘Hij heeft in ons midden gewoond en wij hebben zijn glorie aanschouwd.’ Toen een opvolger voor Judas werd gezocht, benadrukte Petrus het belang van getuige-zijn, iemand ‘die steeds bij ons is geweest, vanaf de doop door Johannes tot de dag waarop Hij in de hemel werd opgenomen, om samen met ons te getuigen van zijn opstanding’ (Handelingen 1:21-22). Wat Johannes verkondigt, is geen kerkelijke traditie of theologische redenering. Hij legt een rechtsgeldige verklaring af, gebaseerd op ervaringsdeskundigheid door zijn persoonlijke omgang met de Heer. Samen met de andere nog levende getuigen presenteert Johannes met deze brief een betrouwbaar attest.

Dwaalleraars

Dat getuigenis was hard nodig, want in de gemeente van Johannes waren dwaalleraars actief en er had zich een afsplitsing voorgedaan. Deze dwaalleraars ontkenden de menselijkheid van Jezus. Het geestelijke en het materiële zijn gescheiden domeinen, was hun basisgedachte. Zij stelden zich

voor dat God af en toe op aarde verschijnt en dan weer verdwijnt, dat Hij verschillende gestalten kan aannemen maar zelfs geen voetafdruk op de grond achterlaat. Daartegenover plaatst Johannes het mensgeworden Woord. Net zoals in de proloog van zijn evangelie: ‘In het begin was het Woord… Het Woord is mens geworden’ (Johannes 1:1,14). Het eeuwige is gematerialiseerd in een mens van vlees en bloed, zintuiglijk waarneembaar. Dat wil Johannes door middel van zijn brief verkondigen. God kwam naar ons toe in Israël, op een historisch moment en met een menselijk lichaam; zijn naam: Jezus van Nazaret. Hoe zintuiglijk was Hij waarneembaar? Jezus’ eerste volgelingen hebben zijn woorden in hun oren geknoopt, ze keken hun ogen uit en ze kwamen handen tekort. Mensen konden Hem horen, zien en aanraken.

Horen

Een mooi voorbeeld van ‘horen’ is hoe de stad Sichar reageerde op het getuigenis van de Samaritaanse vrouw. Tot het inzicht gekomen dat Jezus de messias is, trad zij op als een wervende getuige. Op dringend verzoek van de Samaritanen bleef Jezus daar twee dagen. Veel meer mensen kwamen tot geloof door wat Hij zei. Toen zeiden ze tegen de vrouw: ‘Wij geloven nu niet meer om wat jij gezegd hebt, maar we hebben Hem zelf gehoord…’ (Johannes 4:39-42).

Op welke manieren kon men Jezus te horen krijgen? Regelmatig sprak Hij in de synagoge en in de tempel, met ongeëvenaarde autoriteit. Hij vertelde gelijkenissen, onderrichtte de menigte, stond individuele mensen te woord, beantwoordde vragen van zijn leerlingen, sprak machtswoorden, bestrafte demonen, richtte zijn afscheidsgebed hardop tot de Vader en riep uiteindelijk met luide stem: ‘Het is volbracht’.

In de oudheid was de viva vox, de levende stem, van groot belang. Juist de ‘woorden van de Heer’ werden in de vroege kerk onthouden, verzameld en doorgegeven. Via de evangeliën, vooral dat van Johannes – het evangelie van het Woord, bleef Jezus’ stem doorklinken.

Zien

Ooggetuigen hebben Jezus van alles zien doen. Nadrukkelijk zegt Johannes erbij: ‘met eigen ogen’ en ‘aanschouwd’. Dus niet bij oppervlakkige aanblik, maar door zorgvuldige waarneming. Drie leerlingen zagen zijn gedaante veranderen op de berg van de verheerlijking. Ze konden Hem over het water zien lopen, brood vermenigvuldigen, in het zand schrijven, genezingswonderen verrichten, maar ook de tempel schoonvegen. Jezus maakte oogcontact met mensen die zich schaamden en ontfermde zich over hulpbehoevenden. Soms was het niet om aan te zien: dat Hij zich zonder verzet liet gevangennemen, geselen en kruisigen. Vrouwen zagen hoe zijn lichaam in het graf werd gelegd. Ook na zijn opstanding werd Hij gezien, door Maria Magdalena, vervolgens door alle apostelen en later door vijfhonderd broeders en zusters tegelijk. De Emmaüsgangers ontdekten Hem pas, nadat hun ogen geopend werden. Bij de hemelvaart steeg Hij te midden van zijn leerlingen omhoog. Het laatste wat ze van Hem zagen, waren zijn zegenende handen.

Aanraken

Jezus was ook tastbaar aanwezig. Eigenhandig (‘onze handen’) kon men Hem aanraken. Natuurlijk geldt dat voor de apostel Tomas, die eerst de littekens van de kruisiging wilde voelen voordat hij zou geloven dat de Heer was opgestaan. En dat mocht! Bij een andere verschijning meenden de leerlingen een geest te zien. Maar Jezus zei: ‘Ik ben het zélf. Raak Me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat Ik heb’ (Lucas 24:36-44). Een geest kun je nog horen en zien, maar niet aanraken. Terugblikkend zegt Petrus over deze ervaringen: ‘Wij hebben samen met Hem gegeten en gedronken, nadat Hij uit de dood was opgestaan’ (Handelingen 10:41).

De Bijbel noemt veel momenten van aanraking. Toen Petrus door het water zakte, greep Jezus hem vast. Kinderen omarmde Hij. In Naïn verloor een weduwe haar enige zoon; Jezus raakte de baar aan, beval de jongen op te staan en gaf hem terug aan zijn moeder. Later pakte Hij de gestorven dochter van Jaïrus bij de hand om haar te laten opstaan. Ook raakte Hij iemand aan die door een huidziekte onrein was. Omgekeerd probeerde menigeen Jezus aan te raken vanwege de kracht die van Hem uitging. Bijvoorbeeld een vrouw met bloedverlies, die genas zodra ze zijn mantel aantipte. Een doofstomme man kon weer horen en spreken, nadat Jezus zijn vingers in diens oren had gestoken en met speeksel zijn tong had aangeraakt. Op de ogen van een blindgeborene smeerde Jezus een mengsel van speeksel en zand. Toen de man zich ging wassen in het badhuis, vielen hem als het ware de schellen van de ogen.

Lichamelijk contact vond op meerdere manieren plaats. Johannes zelf mocht bij het laatste pesachmaal vlak naast Jezus aan tafel aanliggen, als een boezemvriend. Jozef van Arimatea en Nikodemus voerden de graflegging uit, na het dode lichaam van de Heer verzorgd te hebben. Maar na zijn opstanding zei Jezus: ‘Houd me niet vast, alsof Ik hier blijf, want Ik ga terug naar de Vader’ (Johannes 20:17). Aanraken mag, vasthouden niet.

Lege handen?

Tomas was overtuigd en riep uit: ‘Mijn Heer en mijn God!’ Hiermee is het apostolisch getuigenis van de opstanding unaniem. Jezus zei toen: ‘Omdat je Me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien (= die mij niet fysiek ontmoet hebben) en toch geloven’ (Johannes 20:29). Johannes heeft het getuigenis van de eerste generatie op schrift gesteld. Maar wat betekent dit voor ons, twintig eeuwen na dato? Staan wij met lege handen? Beslist niet, want laten we twee dingen bedenken.
Het unieke getuigenis van de eerste generatie is aan ons doorgegeven in het Nieuwe Testament. Als bijbellezers kunnen wij dus met de getuigen meeluisteren, door hun ogen kijken en hun handen gebruiken om te vatten wat zij hebben beleefd. Dan worden we deelgenoten van hun ervaring. Zij zijn onze oren, ogen en handen; wij doen mee op afstand. In wielertermen: de eerste generatie vormt een ijzersterke kopgroep, maar wij horen bij dezelfde ploeg.

Hoe kan dat? Johannes benadrukt het belang van de wereldwijde geloofsgemeenschap, waardoor er diepe verbondenheid (Grieks: koinoonia) is tussen de getuigen en de volgende generaties. Zo werkt de gemeenschap der heiligen, inclusief de heiligen die ons zijn voorgegaan. Sterker nog, Johannes geeft een hemelse dimensie aan de geloofsgemeenschap: ‘Verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus’ (vers 3b). Hier wordt voor het eerst gezegd om wie het gaat in de verkondiging van het Woord: Jezus Christus, de Zoon van God. Het eeuwige Woord is mens geworden, een medemens die ook in óns midden heeft gewoond.

Juist het Johannesevangelie laat doorschemeren dat de ervaringen met Jezus niet beperkt zouden blijven tot de eerste generatie. Hij beloofde de heilige Geest, de Trooster of Pleitbezorger. Op Pinksteren werd de Geest uitgestort. In Handelingen is de naam van Jezus volop aanwezig, hoewel Hij fysiek afwezig was. Ook wij staan door de Geest met Hem in verbinding. Bij het avondmaal is Hij aanwezig in brood en wijn. Dat Jezus zich in de hemel bevindt, staat een persoonlijke relatie met Hem niet in de weg. En aan de hand van de beeldtaal die Hij gebruikte, kunnen wij ons wel een voorstelling van Hem maken. Als Jezus bijvoorbeeld volgens Johannes 10 zegt ‘Ik ben de goede herder’, wijst dat op zijn zorgzaamheid en leiding, zowel voor de individuele gelovige als voor de geloofsgemeenschap.

De verbeeldingskracht van de Geest werkt als een tijdmachine. Kunstenaars concretiseren die werking, visueel zoals in de Witte Kruisiging van Chagall, auditief zoals in Bachs Matthäus Passion of in The Passion, materieel zoals in het enorme Christusbeeld boven Rio de Janeiro. Christelijke kunst spreekt tot de verbeelding en kan ons geloof intenser maken. Dan worden wij teruggeplaatst in de tijd, alsof Jezus wordt geprojecteerd in onze leefwereld. Stel je maar gerust voor dat je zijn stem hoort, dat je Hem kunt aankijken, dat Hij je hand vastpakt.

Niet zwijgen

Horen, zien, aanraken – maar niet zwijgen. Uiteindelijk gaat het om de verkondiging van het Woord dat leven is en leven geeft. Het eeuwige leven werd in Jezus Christus voor mensen hoorbaar, zichtbaar, aanraakbaar. De getuigen van het eerste uur zwegen niet daarover en ook de hedendaagse kerk mag ermee voor de dag komen. Zodat het getuigenis van de eerste generatie blijft doorwerken tot vandaag toe.

Johannes en de andere getuigen zijn blij dat ze Jezus hebben meegemaakt. Zij willen hun vreugde graag met ons delen: ‘Wij schrijven dit om onze vreugde volkomen te maken’ (vers 3b). Gezamenlijke geloofsvreugde, want Jezus is in staat ons allen te omarmen en aan zijn hart te drukken. Het feest wordt helemaal compleet, wanneer wij Hem in levenden lijve zullen ontmoeten. Dan zal elk oog Hem zien, ieder oor Hem horen en zijn we voorgoed veilig in Jezus’ armen, aan Jezus’ hart.

Over de auteur
Rob van Houwelingen

Rob van Houwelingen is emeritus hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit in Kampen.

Bijbels en theologisch slavernijdebat

Bijbels en theologisch slavernijdebat

Martijn Stoutjesdijk
  • Beschouwing
  • Thema-artikelen
Zending en apartheid in Zuid-Afrika

Zending en apartheid in Zuid-Afrika

Bob Wielenga
  • Beschouwing
  • Thema-artikelen

Reageer op dit bericht

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief