Zending en apartheid in Zuid-Afrika

Bob Wielenga | 12 november 2022
  • Beschouwing
  • Thema-artikelen

In Zuid-Afrika werd de slavernij in 1834 afgeschaft. Dat betekende niet dat slaven als gelijkwaardige mensen werden behandeld, zeker niet door de Afrikanen. Net als de autochtone zwarte Zuid-Afrikanen werden slaven als tweederangsburgers gezien. In de tijd van de apartheid (1948-1994) mochten zwarte mensen alleen in hun eigen thuisland wonen. Zij hadden zelfs toestemming nodig om wit Zuid-Afrika binnen te komen.

De GKv begonnen eind vijftiger jaren hun zendingswerk rond Pretoria en in het thuisland KwaZulu in de provincie Natal. De NGK gingen later een zusterkerkrelatie aan met de Gereformeerde Kerk van Suid-Afrika (GKSA) die ooit het apartheidsbeleid van de regering theologisch en geestelijk steunde. Dit roept vragen op. Hoe dacht het thuisfront over de apartheidspolitiek van de christelijk-nationale regering? Hoe gingen de zendelingen ermee om in hun dagelijkse werk? Is er reden aan te nemen dat de zendende kerken de grote apartheid, bewust of niet, steunden?

Onvermogen

Toen Jan van Riebeeck in 1653 in Zuid-Afrika voet aan wal zette, waren er geen slaven. Maar toen de slavernij in 1834 in de Kaapkolonie werd opgeheven, waren er daar meer dan 36.000. Onder leiding van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) had zich een levendige slavenhandel ontwikkeld waaraan goed verdiend werd. Aanvankelijk was zendingswerk onder slaven verboden, omdat gedoopte slaven vrijgelaten moesten worden, een opmerkelijk besluit van de Synode van Dordrecht 1618-1619. Maar een eeuw later kreeg de Moravische Zending (ook bekend als de Evangelische Broedergemeente) toch voet aan de grond en begon het aantal christelijke slaven te groeien. Ook de kerk van de Kaapkolonie, de Nederduits Gereformeerde Kerk (NdGK), begon zendingswerk onder slaven en autochtone zwarte inwoners van de Kaap. Zwarte en witte christenen kerkten in eerste instantie samen in hetzelfde gebouw.

Witte christenen aanvaardden zwarte christenen niet op gelijke voet als broeders en zusters in de Heer. Vooral Afrikaanse christenen waren fel gekant tegen sociale en politieke ‘gelykstelling’ in kerk en samenleving. Dat leverde zelfs een berucht geworden besluit op van de NdGK-synode (1857): ‘Wegens de zwakheid van sommigen’ mochten zwarte en witte kerkleden niet samen in een kerkgebouw het Woord horen en de sacramenten ontvangen. De term ‘zwakheid’ verhulde het pure racisme dat hierachter zat. Dit racisme greep om zich heen in samenleving en kerk. Het werd onmogelijk om als witten en zwarten samen het avondmaal te vieren. Witte en zwarte handen die van een en dezelfde schaal brood pakten? Zwarte en witte monden die uit een en dezelfde beker wijn dronken? Dit onvermogen vertaalde zich in aparte kerken voor witte en zwarte gelovigen. De witte kerk besloot dat ieder volk God zou dienen in de cultuur waarin men geboren was. Iedere cultuur moest zich vrij kunnen ontwikkelen in de door God gewilde richting. De gedachte hierachter was dat de witte Europese cultuur ‘natuurlijk’ superieur was en aan de top van de cultuurladder stond. Het witte volk had van Godswege de plicht om andere volken te helpen in hun ontwikkeling. Dit werd later politiek vertaald in het thuislandenbeleid, de zogenaamde grote apartheid: ieder volk in zijn eigen land binnen het ene Zuid-Afrika waar de politieke macht in handen van het Afrikaanse volk thuishoorde. Vanaf 1948 werd dit in de multiculturele samenleving van Zuid-Afrika gezien als de oplossing van de rassenproblematiek.

Zending

In de ontwikkeling van de thuislanden speelden ook de kerken die bij de overheid geregistreerd stonden een rol. De witte regering gaf kerken toestemming om in de zwarte thuislanden zendingswerk te beginnen. Dat zou het beschavingsproces van de zwarte volken vooruithelpen en hun integratie in de nieuwe politieke bedeling versnellen. Zo verkregen zendende kerken uit Nederland door middel van die Gereformeerde Kerk van Suid-Afrika (GKSA) toestemming om in KwaZulu-Natal zendingswerk op te zetten. De kerk had haar eigen roeping die goed paste binnen het kader van de nieuwe politieke bedeling. Op de achtergrond speelde mee dat sinds 1948 Zuid-Afrika een voluit christelijk land wilde zijn. In de grondwet werd verwezen naar het christelijke geloof als basis voor de samenleving. Zo was de zondag een rustdag: het publieke leven lag stil. Kerk en staat werkten nauw samen in de ontwikkeling van Zuid-Afrika als een multiculturele samenleving met de Bijbel als kompas. Door de zending werkte de kerk mee aan het grote overheidsproject van de thuislandenpolitiek. Zendingsscholen en zendingsklinieken werden van oudsher erkend als instituten voor de verbreiding van het evangelie. Zij werden ook ingezet voor de ontwikkeling van de volken in hun eigen thuisland en steunden zo het regeringsbeleid van de grote apartheid. Waren in Nederland de zendende kerken zich bewust van deze samenwerking tussen kerk en staat in de zwarte thuislanden?

Thuisfront

Binnen de vrijgemaakte zuil was in eerste instantie weinig of geen kritiek op het apartheidsbeleid van Zuid-Afrika. Men kreeg zijn informatie vooral uit de kringen van die Vrye Gereformeerde Kerke (VGK), de vrijgemaakte emigrantenkerk in Zuid-Afrika, die zich had aangepast aan de Afrikaanse normen en waarden voor de samenleving. Contacten met de GKSA waren er niet, omdat zij de synodaal Gereformeerde Kerk niet als valse kerk wilden afschrijven. Zending in de thuislanden was voor de GKv onmogelijk. Daarvoor hadden ze toestemming nodig van de regering op voorspraak van een door haar erkende kerk zoals de GKSA; de VGK was niet geregistreerd bij de overheid. De latere NGK van Kampen kreeg via de GKSA toestemming om in het thuisland KwaZulu-Natal zendingswerk te beginnen. De Kamper kerk kon dit doen, omdat zendingswerk gedecentraliseerd was: iedere plaatselijke kerk was zelf verantwoordelijk voor de invulling van de zendingsopdracht. Later kregen de gemeenten van Leerdam, Haarlem, Den Haag en Bunschoten-Spakenburg ook toestemming door bemiddeling van de GKSA. Afgesproken werd dat de zendende kerken en haar zendelingen niet in strijd zouden handelen met het GKSA-zendingsbeleid en zo ook niet met het regeringsbeleid voor de thuislanden. Toen later de kritiek van de zendelingen op de apartheidspolitiek scherper werd, bleven zij zich onthouden van publiek verzet ertegen.

Kritiek

Geen zendende kerk had problemen om onder deze voorwaarden zending te bedrijven, al had men van de rassenproblematiek kunnen weten. Al in 1955 schreef Jan Buskes een boek dat de apartheidspolitiek principieel afwees. In 1969 volgde Johannes Verkuyl met Breek de muren af. Maar beide mannen hadden een slechte naam binnen de vrijgemaakte zuil. De besluiten van de Nederlands Hervormde Kerk (NHK) en de synodaal Gereformeerde Kerk om het anti-apartheidsbeleid van de Wereldraad van Kerken te steunen, werden binnen de GKv zwaar bekritiseerd. Over het algemeen steunden de zendende kerken in Nederland de regeringspolitiek van rassenscheiding zoals uitgewerkt in het thuislandenbeleid. Zo schreef predikant G. Visée van Kampen in 1957: ‘…dat voor God alle mensen gelijk zijn. Maar daarmee is nog niet gezegd dat sociale en politieke gelijkheid onder alle mensen hier en nu een eis van onze God is.’  Doorslaggevend voor het thuisfront was de geloofsverbondenheid, verankerd in de gereformeerde traditie vanaf de zestiende eeuw. De Afrikaanse rassenpolitiek stuitte in de jaren 1950-1970 op weinig vrijgemaakte weerstand. De massamoord in Sharpeville (1961) en de moord op Steve Biko (1977) vormden het eerste begin van het bewustwordingsproces dat er inderdaad een probleem was. Eind jaren zeventig begonnen de GKv en NGK kritischer te worden onder invloed van de Kamper ethicus Jochem Douma en Aad Kamsteeg, journalist bij het Nederlands Dagblad dat onder hoofdredacteur Piet Jongeling steevast achter het Zuid-Afrikaanse rassenbeleid stond. Op een van de vergaderingen van de zendende kerk van Kampen met de zendelingen en de zelfstandige kerken op het zendingsveld, in 2001, kwam ook het apartheidsverleden ter sprake. Dat was toch de context waarbinnen de zending had gewerkt. De broeders keken elkaar in de ogen en vroegen vergeving voor wat er fout gegaan was. De schuldige onschuld van het begin kon worden vergeven, maar hoefde niet vergeten te worden.

De schuldige onschuld van het begin kon worden vergeven, maar hoefde niet vergeten te worden

Apartheidsbijbel

Binnen de Afrikaanse kerken heeft men lang gedacht dat het apartheidsbeleid bijbels verantwoord was, zoals eeuwenlang slavernij bijbels aanvaardbaar werd gevonden in kerken wereldwijd. De Afrikaanse volksdichter Totius (J.D. du Toit) was de eerste theoloog die probeerde de Afrikaanse rassenpolitiek bijbels te funderen (1944). Volgens Totius leerde de Bijbel duidelijk in Genesis 11:1-9 dat de verscheidenheid van de volken een scheppingsordening is. De gescheiden ontwikkeling van de volken in eigen thuislanden werd zo bijbels gelegitimeerd. Er stonden teksten genoeg in de apartheidsbijbel – de Bijbel gelezen door de apartheidsbril – om het apartheidsbeleid te rechtvaardigen. Maar juist ook in Zuid-Afrika verzetten al vroeg theologen zich tegen deze apartheidstheologie, zoals Bennie Keet en Christiaan Beyers Naudé, goed bekend in de kringen van de NHK en de synodaal GKN. Dat was binnen de GKv en NGK reden genoeg om hen als dwaalleraars weg te zetten. Pas eind negentiger jaren werd de apartheidsbijbel gesloten in de meeste Afrikaanse kerken. Nieuwe beleidsstukken en een geloofsbelijdenis, de Belhar Belijdenis, werden geformuleerd waarin rassendiscriminatie werd veroordeeld en afstand werd genomen van de apartheidstheologie. De gelijkwaardigheid van zwart en wit in geestelijk opzicht wordt door kerken als NdGK en GKSA erkend als het kloppende hart van de christelijke boodschap in Zuid-Afrika.

Onverdiende genade

De slavernij werd uiteindelijk in 1863 afgeschaft en de apartheid in 1994. Tegelijk is het duidelijk dat het denken erachter nog volop invloed heeft op kerk en samenleving, waar we ook wonen. In Nederland is racisme in vrijwel alle hoeken en gaten van de samenleving aanwezig. Gaat het aan de kerken voorbij? Deze terugblik op de Kamper zending in KwaZulu-Natal laat zien dat je je, met de beste bedoelingen, schuldig kunt maken aan rassendiscriminatie. Men wist zich geroepen om God te dienen en Jezus als Heer te volgen naar het zendingsveld. Daarvoor hoeven geen verontschuldigingen gemaakt te worden. Er is veel om God voor te danken. Tegelijk blijft er veel om vergeving voor te vragen: aan God, maar aan de zwarte broeders en zusters niet minder. Schuldige onschuld is gelukkig niet het laatste woord, maar onverdiende genade.

Over de auteur
Bob Wielenga

Ds. Bob Wielenga is emeritus predikant van de NGK Kampen en woonachtig in Zuid-Afrika.

Bijbels en theologisch slavernijdebat

Bijbels en theologisch slavernijdebat

Martijn Stoutjesdijk
  • Beschouwing
  • Thema-artikelen
Heilzame verwerking van het slavernijverleden

Heilzame verwerking van het slavernijverleden

Maarten Boersema
  • Reportage
  • Thema-artikelen

Reageer op dit bericht

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief