Waarom zouden we het over Israël moeten hebben?
- Beschouwing
- Thema-artikelen
Gaandeweg is Israël een steeds moelijker gespreksonderwerp geworden. Al helemaal in de kerk. Het geweld, de haat, het onrecht van afgelopen jaren – het is onverdraaglijk. Beginnen over Israël is daarom zomaar elkaar kwijtraken. Toch staan christenen zowel in relatie tot Joden als Palestijnen. Van het Joodse volk, dat zich verwant weet met de staat Israël, zegt Paulus immers dat christenen uit de heidenen daarop geënt zijn (Romeinen 11:16-24). De Palestijnen die uit hun land werden en worden verdreven, zijn ook mensen geschapen naar Gods beeld. Velen van hen gelden bovendien als broers en zussen in het geloof. Het moet er dus over gaan. Maar hoe dan?
Volgens het Evangelie redt God niet alleen een volk, maar ook een wereld. Wie belijdt dat Hij niet loslaat wat zijn hand begon, heeft het daarom niet alleen over de zielen van zichzelf en anderen, maar over het hele leven, inclusief de vreselijke dingen die tot ons komen via het nieuws. De kerk drukt dit vanouds uit in het Kyrie dat de nood van een in zonde gevallen wereld voor God brengt: ‘Heer, ontferm u! Christus, ontferm u! Heer, ontferm u!’ In kerk, thuis en in de binnenkamer klinken daarom gebeden voor oorlogen in Oekraïne, Jemen en Ethiopië.
Open zenuw
Voor de oorlog in Gaza en de felle conflicten die sinds 7 oktober 2023 woedden tussen Israël en Iran, Hamas en Hezbollah geldt hetzelfde. Tegelijk ligt dit conflict veel moeilijker. De gruwelijke terreuraanval op Israël en de reactie daarop in Gaza, Libanon en in de bezette gebieden op de Westelijke Jordaanoever hebben een open zenuw geraakt in kerk en maatschappij. Afgelopen decennia is de vanzelfsprekende sympathie en steun voor Israël sinds de Tweede Wereldoorlog aangevochten geraakt. Hoezeer de sfeer is omgeslagen, kwam nu in alle scherpte naar voren. Voert Israël met zijn disproportionele acties eigenlijk niet een nieuwe wrede koloniale oorlog, al dan niet bewust resulterend in genocide? Of bewijst de afkeer van de poging om de enige veilige plek op aarde voor het Joodse volk te behouden juist hoezeer het monster van het antisemitisme weer de kop opsteekt? Dus klinkt er een Kyrie. Maar meer zeggen is vrijwel onmogelijk, omdat bij elke verdere invulling een deel van de kerkgangers hiermee niet van harte kan instemmen. Is er voor beide perspectieven op wat er gaande is immers niet iets te zeggen?
Met twee woorden spreken
In Israël en de Palestijnse gebieden is de realiteit van het onrecht en de gevoelde pijn aan beide zijden zo groot dat haat en wanhoop overheersen en massaradicalisering bijna onontkoombaar is geworden. Elk nieuwsfeit rond het conflict en de pogingen dit te bezweren worden erdoor gekleurd. Ook hier laat de invloed daarvan zich gelden, zodat gebeurtenissen en de berichtgeving daarover enorm verschillend worden beleefd en tegengestelde emoties oproepen. Zo woekert het kwaad voort, niet alleen in het onrecht zelf maar het in het spreken erover. Online het meest, maar als we niet uitkijken ook in gesprekken en gebeden. Zwijgen is dan een optie. Maar ook zwijgen kan bijdragen aan het onrecht. De enige manier om dan verder te gaan is met twee woorden spreken: onrecht dat redelijkerwijze als daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en plaatsvindt in alle voorzichtigheid toch echt als onrecht benoemen. En tegelijk de nuance opzoeken en ruimte laten voor meerdere perspectieven.
Sjoa en Nakba
Welke nuances zijn dat, die wellicht kunnen helpen om onze bewoordingen te kleuren? Allereerst betreffen ze de erkenning dat op de achtergrond twee grote perspectieven steeds een rol spelen. Voor de staat Israël, Joden en allen die zich bij het Joodse volk betrokken weten is dat de Sjoa, de moord op zes miljoen Joden in Europa in de vernietigingskampen van de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog, mede mogelijk gemaakt door eeuwen van antisemitisme. Juist omdat dit antisemitisme telkens weer in nieuwe gedaante de kop opsteekt, is, om met Abel Herzberg te spreken: ‘Zonder Israël elke Jood een ongedekte cheque.’ Daartegenover staat het Palestijnse perspectief van de Nakba, de ‘catastrofe’. Dit betreft de ramp die meer dan zevenhonderdduizend Arabische inwoners van het Britse mandaatgebied Palestina trof, toen ze op de vlucht sloegen voor de oorlog die direct na het uitroepen van de staat Israël in 1948 uitbrak. Later nog gevolgd door de Nakba, de ‘tegenslag’ van 1967, toen nog eens honderden Arabische dorpen werden verwoest en driehonderdduizend inwoners van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook huis en haard moesten verlaten. Het is deze ramp die ongedaan moet worden gemaakt. Praktisch is dat inmiddels vrijwel onmogelijk. Maar zolang er geen duurzame oplossing is gevonden, kunnen de Palestijnen niet verder.
Terechte claim
Natuurlijk zijn er ook Joden die zich juist keren tegen zionisme, het recht van het Joodse volk op een eigen staat, of vinden dat Joden inmiddels buiten Israël veiliger zijn dan daarbinnen. De meningen lopen ook uiteen over de vraag hoe cruciaal de negatieve rol is van de Arabische landen in het ontstaan en het voortduren van de Nakba. Maar feit is dat beide volken iets verschrikkelijks hebben meegemaakt. Bovendien zijn zowel de Joodse staat als het Palestijnse bewustzijn ontstaan door de Britse koloniale politiek en de daaropvolgende oorlogen van de Arabische landen tegen Israël. Zowel Joden als Palestijnen claimen vanwege VN-resoluties met recht in het land te mogen wonen. Maar de tragiek is dat men in de gegeven situatie en conflicten het verleden telkens opnieuw meemaakt. Terwijl het verhaal is dat het zou gaan om daden van verzet of gerechtvaardigde verdediging, is de beleefde werkelijkheid dat je wordt gedood of verdreven, omdat je Jood of Palestijn bent. Juist omdat deze tegenstelling zo diep gaat, loopt de gedachte dat Israël in wezen een Westerse koloniale macht is, stuk op dit conflict. Natuurlijk speelt Westerse geopolitiek vanouds een rol en zijn de Palestijnen ook daar slachtoffer van. Maar gezien de cultuurhistorische en religieuze binding van het Joodse volk met het land kan dat geen reden zijn hen te ontzeggen daar te wonen. Gezien de confrontatie met antisemitisch onderwijs, aanvallen op burgers en verheerlijking van geweld is het ook niet vreemd dat Israël zich verdedigt op manieren die ingaan tegen het internationaal recht. Anderzijds ontslaat dit Israël niet van de plicht Palestijnen als mensen te blijven zien en te behandelen. Israël zelf mag dan geen apartheidsstaat zijn, de Westelijke Jordaanoever is dat wel degelijk. Als Hamas volksgenoten gebruikt als menselijk schild, volgt daaruit niet automatisch dat doden door een aanval op de terreurorganisatie dan ook op hun conto komen. De Israëlische regering kan de eigen verantwoordelijkheid daarvoor niet ontlopen.
Westerse verantwoordelijkheid
Hoewel het daarom begrijpelijk en ook reëel is dat velen de oorlog tegen Hamas en andere terreurgroepen na de gruwelijke aanslag van 7 oktober 2023 zien als een existentiële strijd die koste wat het kost moet worden gewonnen, is dat nog geen reden om over te gaan tot een oorlog met genocidale trekken en tot etnische zuivering. Helaas is daar met vijftigduizend doden, onder wie meer dan vijftienduizend kinderen in Gaza en bijkomend onbestraft geweld van kolonisten in de bezette gebieden, wel degelijk sprake van. Hier verstomt ook de kritische tegenvraag waarom mensen zich wel druk maken over de slachtoffers van Israël en niet over de oorlogen in Jemen, Soedan en Ethiopië. Zeker, het betreft allemaal mensen geschapen naar het beeld van God. En ja, soms is een bijna satanische haat tegen het Joodse volk voelbaar als de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het voor de zoveelste keer nergens over eens wordt, behalve over het kwaad dat Israël heet. Maar niet voor niets voelen Westerse burgers zich in dit conflict meer in directe en toenemende zin ook zelf dader. Wij hebben immers de staat Israël om cultuurhistorische en theologische redenen lang gesteund en doen dat toch nog steeds. Daarmee rust op ons, juist nu de regering het verkregen economisch en militair overwicht van het land dat schaamteloos uitbuit, de verantwoordelijkheid, kritiek en afschuw te laten horen over deze ‘zelfverdediging’. Het is op dit punt dat de religieuze dimensie zwaar gaat wegen. Volgens sommige christenen moet de stichting van de staat Israël worden gezien als gedeeltelijke vervulling van bijbelse beloften. Maar hoe bijzonder de terugkeer van Joden naar Palestina ook was en is, dit gaat voorbij aan de beeldtaal waarmee het Oude Testament over Israëls toekomst spreekt en aan het feit dat het Nieuwe Testament de landbelofte toepast op heel de wereld (Romeinen 4:13). Als ook christenen de Westelijke Jordaanoever daarom consequent aanduiden met de namen Judea en Samaria, roept dit de kritische vraag op of dit geen legitimering betekent van geweld tegen inwoners van die gebieden. Zelfs als je zou geloven dat de landbelofte vandaag geldt, moet worden meegenomen wat de Bijbel rond de vervulling daarvan zegt. Telkens houdt God immers rekening met andere mensen in de regio en het land zelf (volgens Genesis 15:16). Van Deuteronomium tot Koningen en door de profeten wordt Israël bovendien telkens voorgehouden dat op het land geen zegen rust als men de Heer, de medemens en de schepping geen recht doet. Het oordeel van de Thora over concrete situaties tussen mensen telt daarom altijd mee of je de stichting van de staat Israël in 1948 nu ziet als goddelijke voorzienigheid of als gedeeltelijke vervulling van de profetie. Laat de profeet Elia die Achab kritisch aanspreekt op het wederrechtelijk toe-eigenen van land (1 Koningen 21) hierbij een voorbeeld zijn.
Onopgeefbare verbondenheid
Binnen de Nederlandse Gereformeerde Kerken dreigt een ander gevaar. Een deel van de kerken van de Afscheiding van 1834 voelde vanouds een bijzondere band met het Joodse volk en verwachtte een toekomstige massale bekering. Daar was zelfs een speciaal deputaatschap voor. Maar door de nadruk op de heilshistorie en de beweging van Israël naar de volken zag men in de kerken van de Vrijmaking van 1944 Israël meestal als een volk als alle andere volken. Alleen vergeet je dan hoe reëel en ook etnisch gekleurd Paulus’ verdriet over en verwachting voor het Joodse volk zijn. Voor hem is en blijft dat het geliefde volk om der vaderen wil dat nog drager is van beloften die God niet loslaat (Romeinen 9–11). Volgens Jakobus is de lezing van de Thora in de synagoge overal ter wereld van blijvende betekenis (Handelingen 15:21). Na de Tweede Wereldoorlog kwam hier in veel kerken meer oog voor en kreeg Israël een plek in de kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk (1951), de Gereformeerde Kerken (1959), de Christelijke Gereformeerde Kerken (1967). Ook de huidige Protestantse Kerk in Nederland spreekt evenwichtiger dan delen van de NGK. De kerk mag zich voluit volk van God noemen. Maar tot de definitieve vervulling van Gods beloften in Jezus Christus heeft het die kerk iets te zeggen dat ook het Joodse volk zichzelf zo ziet. Er is sprake van ‘onopgeefbare verbondenheid’. Delend in de aan Israël geschonken verwachting leeft de kerk vanuit de belofte van Gods koninkrijk. Ook hier geldt weer: juist omdat dit een rijk van vrede en recht betreft, mag deze verbondenheid met het Joodse volk geen reden zijn om onrecht te verzwijgen. Dus waarom is het goed als het toch over Israël gaat in de kerk? Omdat wat er gaande is, te erg is om over te zwijgen. Omdat Paulus en Jakobus spreken over de blijvende betekenis van het Joodse volk en de lezing van de Thora in de synagoge. Omdat de Bijbel zelf laat zien dat verbondenheid en kritiek samengaan. Ook omdat eerst de Sjoa en daarna de Nakba ons hebben geleerd hoe gevaarlijk het is groot onrecht dat mensen meemaken en wat ze daarover zeggen te negeren.
Wat er gaande is, is te erg om over te zwijgen
Koert van Bekkum is hoogleraar Oude Testament aan de ETF Leuven; hij doceert ook aan de TU Kampen.


