God als tegenstander
- Leespreek
In de rubriek leespreek publiceren wij een preek geschikt voor persoonlijke meditatie, ter bespreking op een Bijbelstudiekring of voor gebruik in de eredienst. In het laatste geval dien je altijd eerst contact met de auteur op te nemen om toestemming te verkrijgen (vdkampmelissa@gmail.com).
Melissa van der Kamp (als krijgsmachtpredikant verbonden aan NGK Utrecht-Rehobothkerk) is een aanstormend preektalent dat met een geheel eigen stijl Gods Woord trefzeker weet te bedienen. In deze preek over Job spaart ze noch zichzelf, noch de hoorder, noch God. Het menselijk lijden maakt ze niet kleiner dan het is, het spreken en handelen van God evenmin en zo ontstaat een preek die de kerkganger op het puntje van de stoel laat zitten om in de ziel geraakt te worden en troost te ontvangen in een aangevochten bestaan.
SCHRIFTLEZING: JOB 16:1-22
Geliefde kinderen van onze God,
‘God, waar was U?’
Alleen in die twee minuten stilte op 4 mei hoor ik geluiden die ik anders nooit zou horen, de geluiden van de natuur, de geluiden van een stad als de mens even stopt met bewegen. Maar wat ik vooral hoor, is het lijden van de wereld. Ik hoor de wonden die schreeuwen.
Heer, waar bent U?’
Het is een van de grote argumenten om God weg te doen, Hem dood te verklaren. Want, zo wordt er gezegd, als er een God zou bestaan, dan zou er geen lijden meer zijn. Ik weet niet wat jouw reactie daarop is, maar eigenlijk val ik dan altijd stil.
We leven in een wereld vol met lijden, met wonden die stinken en niet helen. En nog steeds voelen wij ook onze eigen wonden, ook na Pasen.
De wonden van deze tijd.
De wonden van niet begrepen worden of er niet bij horen, de wonden van ziekte, dood en pijn, de wonden van een slechte jeugd, de wonden die door oorlogen zijn ontstaan, de wonden van verlangens die niet worden vervuld, de wonden van… en vul je eigen wonden maar in. Die wonden doen pijn.
En ja, wat moet je dan nog met God?
Ik zal eerlijk zijn. Deze preek eindigt niet met een antwoord op de vraag waar God was in de tijd van Auschwitz. Deze preek eindigt niet met een antwoord op de wonden van de wereld en jezelf. Deze preek eindigt ook niet met een verdediging van God. Lijden is niet te begrijpen. Je kunt er geen grip op krijgen en in veel gevallen is er geen reden voor. Het kwaad blijft kwaad. Het lijden blijft lijden.
Toch wil ik hier geen punt zetten. In zijn lijden zweeg Job ook niet. Hij sprak, hij schreeuwde en hij worstelde, hij worstelde intens met God. De rijke en aanzienlijke Job, de man die in één klap alles kwijt was: zijn bezittingen, zijn gezondheid en zijn kinderen. Dit was niet de God die hij kende, maar hij keerde God niet de rug toe. De God die hem zo kwelt, laat hij niet los. Sterker nog: hij daagt God uit en sleept Hem voor het gerecht!
Vandaag zitten we hier met onze wonden, kennen we de wonden om ons heen. En samen met Job worstelen we met God. We bevinden ons in een rechtszaak: de Rechter wordt voor het gerecht gedaagd. Job maakt God tot tegenstander. Dat is punt één. En tegelijk roept Job God op als getuige, als zijn medestander. Dat is punt twee.
1. God als tegenstander
Zoals we net lazen, wijst Job priemend met zijn vinger naar zijn vijand, naar God:
Maar nu heeft Hij mijn krachten uitgeput.
U hebt al mijn naasten weggevaagd!
Zijn woede verscheurt me, Hij valt aan,
tandenknarsend staat Hij tegenover me, mijn vijand – Hij richt zijn stekende blik op mij. (…)
Hij heeft me gebroken. Hij grijpt me bij de nek, Hij smijt me neer.
Zijn pijlen richten zich op mij van alle kanten. Hij doorboort mijn nieren zonder enig medelijden, Hij giet mijn gal uit op de grond.
Mijn gezicht ziet rood van tranen, over mijn ogen daalt de diepste duisternis.
(uit: Job 16:7-16)
Aangevallen voelt hij zich. Meermaals geraakt door pijlen die van alle kanten komen. Een rouwgewaad over zijn huid genaaid: het heftige verdriet is er voortdurend en er is een constante en oneindige pijn. Dodelijk getroffen is hij, maar misschien is hij nog wel meer getroffen door wat God met hem doet. Het is niet zozeer de ellende waar Job het zo moeilijk mee heeft. Het moeilijkste voor Job lijkt God te zijn. Job ervaart God als zijn vijand.
Het moeilijkste voor Job lijkt God te zijn. Job ervaart God als zijn vijand.
Maar hij zwijgt niet. Hij wentelt zich niet in zijn ellende. Nog belangrijker: Job keert zich niet af van zijn tegenstander. Hij keert zich niet af van God – het zou een heel menselijke reactie zijn om je wel af te keren. Ik noemde in het begin dat argument: als God zou bestaan, zou er geen lijden zijn. Er is lijden dus God bestaat niet, of ik kan niet geloven in een God die lijden toestaat. Job gaat daar niet in mee. Opvallend is dat Job ook niet om steun, kracht, rust en vertrouwen vraagt. Dingen waar ik zelf wel om bid als ik te maken heb met moeilijkheden of vooral met pijn van andere mensen. Woorden die soms in mijn gebed gedachteloos uit mijn mond vloeien.
Job doet dit niet. Wat Job doet, is opstaan. Hij staat op en zegt: ik ben onschuldig. Aan mijn handen kleeft geen geweld, al mijn gebeden zijn zuiver. Zijn vrienden schrikken hiervan. Zij leggen de schuld bij Job. Ik schrik hier ook van. Als Job onschuldig is, wie heeft dan de schuld?
Hij is het! Niet ik ben schuldig, maar U, God! U hebt mijn krachten uitgeput, U hebt mij aangetast. U hebt al mijn naasten weggevaagd. Niet alleen mijn familie, maar ook mijn vrienden. Zij verdedigen U en zeggen dat het mijn schuld is, en dat ik iets verkeerds heb gedaan. Maar U bent de schuldige, niet ik.
Ik weet niet hoe het jou nu vergaat, maar toen ik deze woorden las, kwamen ze hard binnen. Het zijn woorden met impact, vol emotie. En mijn eerste gedachte was: wat een lef! Hoe durft Job God zo te beschuldigen, zo aan te klagen?!
Zijn vrienden schrikken ook en gaan tegen Job in. Zij verdedigen God liever. Jobs vrienden zou je kunnen zien als Gods advocaten. Zij leggen een dekentje op het lijden, stoppen het toe en maken het allemaal iets minder erg. Zij halen God uit de strijdlinie en vinden dat Job naar zichzelf moet kijken. En zeg nu eens eerlijk hoe bekend de volgende uitspraken jou in de oren klinken: ‘Het kan ieder mens overkomen’ of ‘het valt wel mee’ of ‘kijk naar wat je wel hebt’ of ‘misschien heb je het wel gewoon verdiend’ of ‘God heeft er vast een bedoeling mee, alleen die zie je nog niet’. Uitspraken die troostvol, steunend of verklarend zijn bedoeld. Woorden die tegenwicht proberen te geven aan de situatie. Denk maar eens aan deze: ‘Na regen komt zonneschijn.’
Weet je wat Job daarop zegt? ‘Dit soort dingen heb ik al zo vaak gehoord, jullie troost brengt mij niets dan ellende. Een eindeloze stroom van lege woorden!’ Als je zelf midden in je lijden zit, zijn dit soort uitspraken vaak dooddoeners. Op dat moment wil je vaak alleen maar gehoord worden, begrepen worden, erkend worden in je verdriet en in je pijn. Liefde heeft bevestiging nodig, maar lijden heeft die bevestiging ook nodig. Een van de moeilijkste dingen vind ik zelf: naast iemand staan in zijn lijden. De machteloosheid laten staan en onderdeel daarvan worden.
Voor het grote onrecht dat Job wordt aangedaan, wil hij erkenning. Hij wenst dan ook dat zijn bloed op de aarde zal liggen, onbedekt. Iedereen ziet het. Het bloed schreeuwt, het schreeuwt tot God. Net zoals het bloed van Abel schreeuwde tot God: mij is onrecht aangedaan! Het bloed als bewijs van doodslag en onrecht. Het bloed schreeuwt om recht en Job weet bij wie hij dat recht moet zoeken: bij de rechtvaardige God. Voel je het paradoxale van dit hoofdstuk? Job klaagt God aan, want Hij heeft onrecht gedaan en tegelijkertijd beroept Job zich op diezelfde God, omdat hij weet dat God rechtvaardig is en onrecht straft. Het is alsof een rechter moet oordelen over zijn eigen onrecht.
Wij proberen de absurditeit van het lijden te begrijpen. Het verschrikkelijke misverstand te onthullen, te zeggen dat dit niet klopt. Job daagt daarvoor de Rechter voor het gerecht. Het kan zijn dat dit indruist tegen alles wat je gelooft: dat Job God hier beledigt of geen gezag voor Hem toont. Van een belediging of geen respect zou echter pas sprake geweest zijn als Job God de rug had toegekeerd. Maar Job heeft zo’n groot vertrouwen in Gods rechtvaardigheid dat hij weet bij wie hij wezen moet met zijn klacht.
2. God als medestander
Job worstelt met God, ik worstel met hem mee, wij worstelen met hem mee. Wat hij nodig heeft, is een getuige. Iemand die zijn zaak bepleit. Een getuige die kan zeggen: ja, er is je onrecht aangedaan. Ik heb het zelf gezien. Je staat sterker wanneer niet alleen jij maar ook iemand anders voor je onschuld pleit. En wat is dan beter dan om een getuige in de hemel te hebben?
Zo wordt God ook zijn getuige, zijn medestander. Die paradox van God als tegenstander en als medestander wisselt bij Job steeds af. Voortdurend is hij aan het worstelen met God. Voordat hem al dit leed overkwam, wist hij wie God was. Maar nu, in het lijden, weet hij het niet meer. Zijn vrienden wel. Die praten tegen Job veel over God. En als Job niet in dit lijden was geweest, had hij waarschijnlijk dezelfde woorden gesproken. Maar nu kan hij dat niet meer. Hij worstelt met deze God, want hoe kan het dat hij zoveel moet lijden?
In dit boek houden Jobs vrienden veel betogen en Job is ook veel aan het woord. Maar aan het eind van het boek spreekt God, en weet je wat God doet? Hij stelt Job in zijn recht. Niet zijn vrienden hebben recht van God gesproken, maar Job heeft dat gedaan. Eén ding moet hij terugnemen, namelijk dat hij de rechtvaardigheid van God in twijfel heeft getrokken. Daar ging Job te ver. Daar gaat hij een grens over. Niemand is namelijk in de positie om Gods rechtvaardigheid in diskrediet te brengen, ook al begrijp je vaak niet waarom God ellende toelaat in je leven. Maar in zijn schreeuw om recht heeft Job goed van God gesproken.
Weet je waarom? Job sprak niet óver God, zoals zijn vrienden over God spraken. Job sprak God Zelf aan. En daar zit het verschil. Ik kan dingen over iemand weten, maar ik ken iemand pas echt als ik met diegene zelf spreek. Dat is het verschil tussen iets weten over God en God kennen. Job worstelt met God, hij graaft in God en ontdekt de diepten van God. God is anders, anders dat hij eerst dacht.
Job komt erachter dat God niet in ons systeem past. Er zijn dingen in ons leven die niet kloppen, die onrechtvaardig en oneerlijk zijn. Dingen waar je niets van begrijpt. En op dat lijden, op die wonden krijgen we geen antwoord. Geen uitleg en geen verklaring. En dan mag je je klacht naar God schreeuwen, je mag het uitroepen: ‘Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?!’ Woorden die uit Jezus’ mond klonken toen Hij aan het kruis hing in zijn grote doodsnood. Mijn God, waarom hebt U mij verlaten? Jezus was verlaten door God. God liet de machten van de duisternis op Hem los en God verborg zijn aangezicht voor Hem. De duisternis viel om het kruis heen. Maar Jezus stuurt met luide stem een klacht naar boven: ‘Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ Het is een klacht naar zijn God.
Job worstelt met God, hij graaft in God en ontdekt de diepten van God.
Bij Dodenherdenking staan we oog in oog met het lijden van deze wereld, met de gruwelijkheden, met het kwaad. Met grote, gapende wonden die schreeuwen om recht. Maar op Dodenherdenking volgt Bevrijdingsdag. Na jaren van lijden werd Nederland bevrijd van zijn vijand. En ooit op een dag komt die bevrijdingsdag voor de hele wereld en zal met het kwaad en het lijden afgerekend worden. In de wanhoop is hoop. Blijf tot die tijd worstelen met deze God. Sta iemand bij in zijn lijden, word daar onderdeel van en spreek God aan op zijn rechtvaardigheid. Moeilijk? Jazeker!
Het eerste wat Jezus laat zien als Hij na zijn opstanding aan mensen verschijnt, zijn zijn handen. Hij heeft een verheerlijkt lichaam, maar zijn handen tonen de wonden van het kruis, de wonden van de wereld. Hij is in ons lijden nabij. Onze getuige, onze medestander.
Amen.
