Belijdenis doen: toewijding onderweg
- Verdieping
De openbare geloofsbelijdenis ‘hoort erbij’ in gereformeerde kerken. Ja, is dat zo? Veel jongeren stellen ‘belijdenis doen’ uit tot ze helemaal zeker zijn van hun geloof. Kritische vragen zijn er ook: waarom zou ik überhaupt openbare geloofsbelijdenis doen? Of: waarom ‘moet’ ik openbare geloofsbelijdenis doen voordat ik aan het heilig avondmaal mag deelnemen of ambtsdrager mag worden?
Ondertussen bezinnen veel gemeenten in de Nederlandse Gereformeerde Kerken zich op kinderen aan het avondmaal. In die bezinning is de openbare geloofsbelijdenis al snel het derde wiel aan de wagen. Waar komt ze eigenlijk vandaan? In dit verdiepende artikel nemen we een duik in de geschiedenis van de openbare geloofsbelijdenis voor een frisse blik. Mijn indruk is dat belijdenis doen soms te groot wordt gemaakt. Ik stel voor om die te zien als een moment van toewijding onderweg. Voor een gedoopt mens is het een uitgesteld belijden tussen doop en avondmaal. Voor een nieuwe gelovige staat deze toewijding in het teken van de te ontvangen doop.
Vroege kerk
In het boek Handelingen lezen we over mensen die tot geloof in Jezus de Messias komen en direct ge-doopt worden (bijv. Hand. 2:41, 8:12, 8:36-38, 16:15). Aan hun bekering ging doorgaans een vorm van onderwijs vooraf. In de eerste eeuwen werd je in principe gedoopt na een catechesetraject. Belijdenis en doop hoorden bij elkaar, want de meeste dopelingen waren bekeerlingen. Zij beleden het christelijk geloof na onderwijs te hebben gekregen en werden gedoopt. Dit gebeurde vaak in de paasnacht.
Over de gevoelige vraag vanaf wanneer precies ook de kleine kinderen gedoopt werden, bestaat geen consensus onder onderzoekers. Werden in het Nieuwe Testament al kinderen gedoopt als deel van het huisgezin? Wel weten we dat de kinderdoop na Augustinus (354-430) een normale praktijk werd in de kerk. In de loop van de middeleeuwen zie je dat de doop van kleine kinderen steeds meer de standaardpraktijk werd. In de tijd van de Reformatie, de zestiende eeuw, was de kinderdoop zelfs zodanig de norm geworden, dat in de liturgische boeken geen speciale doopordes voor volwassenen meer voorkwamen.
Vormsel
Nog even over de vroege kerk. Daar ontstond het gebruik de dopeling te zalven met olie en hem of haar de handen op te leggen als teken van de gave van de heilige Geest. De bisschop deed dit direct na de doop. Deze zalving, eerst het tweede deel van de inwijding in het geloof, ontwikkelde zich tot het sacrament van het vormsel. Dat werd beschouwd als een ‘compleet maken’ van de doop. De doop zou namelijk worden bevestigd en versterkt door het ontvangen van dit genademiddel.
Het ging erom dat je als gelovige instemde met de leer, beloofde daarnaar te leven en je wilde onderwerpen aan de kerkelijke tucht.
Omdat de bisschop nodig was voor het vormsel, terwijl de kerk groeide, werd het bezoek van de bisschop steeds vaker uitgesteld. De periode tussen doop en vormsel werd langer. Het vormsel leek zo steeds meer een apart sacrament te worden, los van de doop.
Op sommige plaatsen deden kinderen al voor het vormsel mee aan de maaltijd van de Heer, maar er waren ook plaatsen waar dit niet het geval was. In ieder geval ging de leeftijd in de late middeleeuwen omhoog. Zo schrijft Thomas van Aquino (1225-1274) dat kinderen moeten kunnen onderscheiden wie er in het sacrament gegeven wordt. Een jaar of tien, elf, dat zag men als een leeftijd waarop dat mogelijk is.
In de late middeleeuwen kwamen er ook boekjes met instructies om je voor te bereiden op de jaarlijkse (!) viering van de eucharistie, het heilig avondmaal. Het advies ging over hoe je waardig deel kon nemen. Dat had ook te maken met het sacrament van de biecht. Toch was er geen structurele catechese in de kindertijd om de sacramenten en het geloof te leren begrijpen.
Reformatie: catechese en toelatingsvragen
De reformatoren verzetten zich fel tegen het sacrament van het vormsel zoals zij dat hadden leren kennen. Johannes Calvijn (1509-1654) – om ons tot hem te beperken – wees het af. De doop bezit namelijk zoveel rijkdom dat daar niets aan toegevoegd moet worden: ‘Worden we in de doop dan niet met Christus begraven en Zijn dood deelachtig gemaakt, om ook Zijn deelgenoten te zijn in de opstanding?’
Calvijn dacht dat er in de vroege kerk een praktijk van geloofsbelijdenis van gedoopte kinderen was en wilde die graag in ere herstellen, maar dan aangevuld met een grondige catechisatiepraktijk ‘waarmee kinderen of jonge mensen getuigenis van hun geloof kunnen afleggen ten overstaan van de gemeente’. Hij dacht aan kinderen van zo’n tien jaar oud. De catechese moest een voorbereiding zijn op het ontvangen van het avondmaal, maar werd door Calvijn ook begrepen als uitgesteld dooponderricht. Ook veel andere reformatoren benadrukten sterk het belang van catechese en geloofskennis. Die gingen aan de eerste deelname aan het heilig avondmaal vooraf.
Tijdens de Nadere Reformatie in de zeventiende en achttiende eeuw ontstond de volgende praktijk.
Belijdenis doen hield in dat je catechese volgde en daarna enkele toelatingsvragen beantwoordde. Dat kon op verschillende manieren vorm krijgen en in ieder geval was het geen sacrament. Opvallend is bijvoorbeeld dat er géén speciaal formulier voor geschreven werd, zoals wel voor de bediening van de doop, het vieren van het avondmaal en het zegenen van een huwelijk!
Het beantwoorden van deze toelatingsvragen – ‘belijdenis doen’, zoals wij het nu noemen – was in ieder geval sterk verbonden met de praktijk van het vieren van het avondmaal. Het was de brug die je moest overgaan. Het ging erom dat je als gelovige instemde met de leer (het evangelie zoals we dat vinden in de Bijbel), beloofde daarnaar te leven en je wilde onderwerpen aan de kerkelijke tucht. Een dergelijke drieslag vind je nog steeds in veel hedendaagse formulieren – ook in dat van de NGK. Hoe ging het beantwoorden van de toelatingsvragen voor het avondmaal er in de Nederlanden aan toe?
De Nederlanden in de zestiende eeuw
Uit de eerste kerkboeken met teksten en instructies voor eredienst en catechese uit Londen (1554), de Palts (1563) en Dordrecht (1574) weten we dat er praktijken waren ontstaan waarbij toelatingsvragen moesten worden beantwoord. Voordat dat gebeurde, was er catechisatie. In de Nederlanden ontstonden verschillende praktijken van toela-tingsvragen, en al bij de synode van Dordrecht (1574) zien we dat er een belijdenis in twee delen ontstaat: eerst de examinatie door een vertegen-woordiging van de kerkenraad en vervolgens een, bij voorkeur publieke, bevraging waarop de belijdende instemmend diende te antwoorden. Dit kennen we in verschillende protestantse gemeenten nog steeds: een gesprek met een vertegenwoordiging van de kerkenraad en vervolgens een publiek ‘ja’.
Negentiende en twintigste eeuw
We maken een flinke sprong in de tijd. In 1816 – het ontstaan van de Nederlandse Hervormde Kerk – kwam de synode met officiële toelatingsvragen. Bovendien kreeg de openbare geloofsbelijdenis een eigen vorm: ‘de bevestiging van lidmaten’, die verplicht openbaar was. Ondertussen was, onder invloed van onder andere het rationalisme en het piëtisme, de leeftijd van belijdenden in de eeuwen hiervoor omhooggegaan. In de negentiende eeuw werd over de belijdenisvragen veel gedebatteerd: het was deel van de strijd over het belijdende karakter van de Hervormde Kerk.
Abraham Kuyper schreef in 1911 dat de openbare belijdenis een ‘kerkelijke acte van het hoogste gewicht’ is en dat de kerken verplicht zijn ‘hiervoor een formulier vast te stellen’. In de Gereformeerde Kerken komt er voor het eerst een vastgesteld formulier in 1923. Als de hervormde kerkorde van 1951 spreekt van de ‘openbare belijdenis des geloofs’, wordt daarin opgenomen dat men ‘gewoonlijk’ achttien jaar oud moest zijn om belijdeniscatechese te volgen. In deze kerkorde uit 1951 staat – voor het eerst – ook dat er gebruikgemaakt zou worden van een formulier.
Belijden, zo meende men, is ook getuigen van het geloof en verantwoordelijkheid nemen in de gemeente.
Het gaan gebruiken van speciale formulieren voorafgaande aan de openbare geloofsbelijdenis markeert, dat belijdenis doen een steeds zelfstandiger en belangrijker praktijk wordt in de kerken. De synode van de Hervormde Kerk was zich daarvan bewust en duidde deze verzelfstandiging (in 1950) positief door de openbare geloofsbelijdenis bewust breder te begrijpen dan alleen als toegang tot de avondmaalstafel. Belijden, zo meende men, is ook getuigen van het geloof en verantwoordelijkheid nemen in de gemeente.
Protestantse Kerk in Nederland
De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland van 2004 noemt geen minimale leeftijd voor de belijdenis(catechese) meer. We zien daarin ook de sterke verbinding van de belijdenis met de doop en het belang van getuigen van de Heer en mede-verantwoordelijkheid dragen voor de gemeente: ‘[…] openbare geloofsbelijdenis wordt afgelegd om de doop te ontvangen of te beamen, als blijk van de bereidheid om van de Heer te getuigen, mede-verantwoordelijkheid te dragen in de gemeente van Christus en te blijven bij de gemeenschap van Woord en sacramenten’. Nog iets anders valt op: dat wat niet geschreven staat, namelijk dat de open-bare geloofsbelijdenis toegang zou verlenen tot de maaltijd van de Heer. De reden hiervoor is enerzijds dat er gemeenten in de Protestantse Kerk zijn die kinderen welkom heten aan het avondmaal, en anderzijds dat belijdenis doen steeds meer als doopbeaming gezien wordt. Onder andere de twintigste-eeuwse liturgische beweging, de oecumenische beweging en de herontdekking van de vroege kerk hebben ervoor gezorgd dat het samengaan van belijden en doop als het ware opnieuw onderstreept werden. Dat droeg bij aan het verstaan van de openbare geloofsbelijdenis als doopgedachtenis.
Het gaat hier niet over openbare geloofsbelijdenis en zelfs niet over gedoopten.
Nederlandse Gereformeerde Kerken
Als predikant die werkzaam is binnen de PKN heb ik met bijzondere interesse gekeken naar de kerk-orde van de NGK. Die is zeer beknopt in vergelijking met die van de PKN. Onder het kopje ‘openbare geloofsbelijdenis’ (C5) staan drie zinnen: ‘C5.1 De kerkenraad bevordert dat elke gedoopte toegroeit naar openbare belijdenis van zijn geloof. De kerkenraad biedt daartoe kerkelijk onderwijs aan. C5.2 Voor het doen van openbare geloofsbelijdenis is toelating door de kerkenraad en bewilliging van de gemeente nodig.’
Ten eerste valt hierbij op dat de betekenis van dit belijden niet verder uitgelegd of expliciet aan een sacrament wordt verbonden. Ten tweede heeft de kerkenraad de opdracht te bevorderen dat de gedoopte toegroeit naar openbare geloofsbelijdenis. Hierin klinkt door dat de openbare geloofsbelijdenis ook als doopbeaming wordt verstaan. Aangaande het avondmaal lezen we dat de ‘kerkenraad besluit wie worden uitgenodigd om aan het avondmaal deel te nemen’ (C6.2). Het gaat hier niet over openbare geloofsbelijdenis en zelfs niet over gedoopten. Dat valt op, omdat de kerkorde van de PKN als uitgangspunt heeft dat deelnemers aan de maaltijd van de Heer in ieder geval gedoopt zijn. Hier wordt in ordinantie 7-2-2 expliciet verwezen naar de mogelijkheid van openbare belijdenis als toelating tot het avondmaal.
Het is opvallend dat dit in de kerkorde van de NGK niet het geval is. De inleiding op de belijdenisvragen luidt: ‘Je staat hier voor God en zijn gemeente om je geloof te belijden. Ik verzoek je eerlijk antwoord te geven op de volgende vragen.’ Daarin wordt dus geen verband met de doop gelegd, al wordt in de eerste belijdenisvraag wel gesproken van de God ‘van je doop’. Ook is er geen nodiging tot de tafel van de Heer na het afleggen van belijdenis. Ik begrijp het gebrek aan inleiding als een manier om ruimte te bieden aan lokale gemeenten om de inleiding zelf in te vullen en ook af te wisselen in beelden en verwoordingen. Tegelijkertijd is het wel opvallend dat de openbare geloofsbelijdenis op deze manier als een vrij zelfstandig gebeuren opgevat kan worden, relatief los van de sacramenten.
In de toelichting op de kerkorde wordt, vanwege de openstelling van het avondmaal voor niet-belijdende leden, bewust gevraagd naar wat dan nog het nut is van de openbare geloofsbelijdenis. We vinden onder het kopje ‘dankbaar moment’ de typering van de openbare geloofsbelijdenis als ‘een groots moment, dat ze heel bewust beleven’ – een alternatief voor een volwassenendoop. Ook wordt over de openbare geloofsbelijdenis gesproken als ‘een mooie bekroning’ van het kerkelijk onderwijs dat je genoten hebt. Het helpt je ‘op langere termijn aan die keuze vast te houden’.
Onder het laatste kopje ‘rechten’ wordt onder andere genoemd dat het doen van belijdenis in veel kerken de toegang tot het avondmaal opent. In de toelichting op het artikel over het avondmaal lezen we onder het kopje ‘kinderen’: ‘Bovendien worden in steeds meer kerken ook kinderen uitgenodigd om deel te nemen. Kinderen die dooplid zijn, of zelfs dat niet eens. Maar evengoed zijn er kerken die bewust vasthouden aan de oude beperking: alleen belijdende leden.’ Laten we nog eens kijken naar de redenen voor deze ‘oude beperking’, om vervolgens te kijken of die ook geldingskracht heeft voor de kerk van vandaag.
Reflectie
In de oorspronkelijke missionaire situatie gingen belijden en doop samen. Met de kinderdoop verandert dit naar dopen zónder persoonlijk belijden. De peetouders functioneerden in de traditie vaak als waarborgen voor het geloof van het kind: zij zeggen ja in plaats van het kind dat het geloof nog niet zelf kan belijden. In de gereformeerde traditie beantwoorden ouders en doopgetuigen níét in plaats van het kind de doopvragen, want niemand mag tussen God en het kind in gaan staan. We hebben hier dan ook te maken met een ander geloofs- en genadebegrip. De mens kan recht voor God staan door het heilswerk van Christus en heeft niet de genademiddelen van de kerk nodig om te groeien in genade.
Het persoonlijke belijden dat heel vroeger aan de doop voorafging, komt nu weer scherper in beeld. Met de kinderdoop was immers ook de catechese voorafgaand aan de doop weggevallen. Best logisch dus om, als je overtuigd bent van het goed recht van de kinderdoop, de catechese na de doop heel serieus te nemen: je moet je doop leren verstaan (Mat. 28:19-20).
Belijdenis doen is als het ware een vorm van uitgesteld belijden bij de doop. Deze vorm van persoonlijke ‘belijdenis’ en het bij-behorende onderwijs moeten als brug dienen tussen doop en avondmaal. Geloof en de sacramenten moeten begrepen en geleefd worden. Het was een belangrijk uitgangspunt dat zij die aan de maaltijd van de Heer deelnemen, Hem ook – naar vermogen – belijden en daarnaar willen leven. Iedere keer dat er heilig avondmaal wordt gevierd, belijdt de gemeente namelijk ook samen het geloof; dikwijls wordt een geloofsbelijdenis gelezen of gezongen in de avondmaalsviering. Het persoonlijke belijden blijft zo verbonden met het gemeenschappelijk belijden.
Best logisch dus om, als je overtuigd bent van het goed recht van de kinderdoop, de catechese na de doop heel serieus te nemen.
Wat nu?
De inzet van de Reformatie is nog steeds actueel: geloofsleren is cruciaal. De interne secularisatie is in alle kerken volop gaande. Geloofstraining is nodig om de ‘wedstrijd van het geloof’ te kunnen spelen. Dat geldt voor alle leeftijden en als een kind gedoopt is, begint dat vroeg.
Het is haast vreemd geworden om belijdenis te doen midden in je tienertijd. Waarom eigenlijk?
De lastigheid is dat ‘belijdenis doen’ juist door de – waardevolle – nadruk op grondige catechese in combinatie met – in onze cultuur – een langere adem om volwassen te worden, verbonden is ge-raakt met een heel traject. Alsof je een diploma gaat halen. Belijdende leden zijn al snel 18+ en hoe ouder je wordt, hoe sterker de vraag: weet of geloof ik wel genoeg? Het is haast vreemd geworden om belijdenis te doen midden in je tienertijd. Waarom eigenlijk? Er is veel voor te zeggen dat dit mede komt doordat belijdenis doen in de loop van de tijd iets heel groots is geworden, een soort derde sacra-ment. Het zou mooi zijn als belijdenis doen voor tieners een serieuze optie wordt én het geloofsleren daarna ook gewoon doorgaat, omdat de gemeente allerlei leerstructuren heeft en het óók niet gek is als tieners pas later aan belijdenis doen toe zijn.
Relativeren
Als we de klassieke structuur van doop-belijdenis-avondmaal serieus willen nemen, omdat de doop om uitgesteld belijden vraagt en het avondmaal samengaat met belijden, kunnen we de open-bare geloofsbelijdenis – heel letterlijk – relativeren. Daarmee bedoel ik: haar heel eenvoudig betrekken op doop en avondmaal. Ons leven in Christus be-gint met de doop en vraagt om geloof. Als jongeren dan zelf met Jezus verder willen en bij zijn gemeente willen horen, is de openbare geloofsbelijdenis daar een markeringspunt van, een moment van toewijding onderweg, en ‘maar’ toelating tot het heilig avondmaal. Dat doet ertoe, maar we blijven leren. Openbaar ja zeggen is een belangrijke stap onderweg en we leren een leven lang.
Een voorbeeld: er is een groep jongeren die betrok-ken is bij de kerk, maar de stap naar belijdenis doen heel groot vindt. Kan ik zo’n keuze wel maken? Je kunt ze bijvoorbeeld uitnodigen in de kerkruimte waar je een opstelling van doopvont en avondmaalstafel hebt gemaakt. Je vraagt hun te gaan staan op de plek waar zij zich nu bevinden. Daarna voer je een gesprek. Het kan zomaar zijn dat zulke oefeningen en gesprekken jongeren helpen te beseffen dat zij deel uitmaken van deze gemeenschap rondom Christus en gerust op kunnen gaan voor belijdenis.
Avondmaal
De vraag zal voor sommigen blijven staan: waarom moet ik belijdenis doen om aan het heilig avond-maal deel te nemen terwijl ik gedoopt ben en geloof? De tegenvraag blijft ook staan: als je gelooft wat er in de maaltijd gebeurt, dat je Christus ontvangt en je Hem ook wílt ontvangen, waarom zou je dan geen openbare geloofsbelijdenis doen? Als je deelneemt aan het heilig avondmaal ontvang je de Heer op geestelijke wijze in brood en wijn. Wie dat wil en daarnaar wil leven, belijdt de Heer. Dit belijden wordt, zoals gezegd, ook expliciet in het spreken of zingen van de geloofsbelijdenis tijdens de viering. Ten slotte, wie aan de tafel gaat, gaat ook commitment aan om daarnaar te leven (1 Kor. 10:14-21). Dat doet wederom denken aan … de (openbare) geloofsbelijdenis.
Nieuwe missionaire situatie
Misschien dat nieuwe bekeerlingen onze kerkculturen kunnen openbreken: een veertienjarige die aanklopt bij de kerk omdat hij is gaan geloven en gedoopt wil worden, volgt eerst catechese – net als in de vroege kerk. Die catechese volgt hij uit praktische overwegingen bij voorkeur met leeftijd-genoten in een reguliere groep. Deze groep krijgt daardoor een ander karakter: belijdenis en doop liggen in het verschiet voor een leeftijdgenoot. Als na een seizoen de doop volgt op belijdenis, waarom zouden dan niet meer leeftijdgenoten die als kind gedoopt zijn hun Heer belijden? Dan komen twee aspecten prachtig samen: de missionaire praktijk van belijdenis en doop in één, en de werkelijkheid dat kinderen van gelovige ouders in het verbond ingelijfd mogen worden en vervolgens hun doop beamen.
Dr. Martine Oldhoff is universitair docent systematische theologie aan de Theologische Universiteit Utrecht en predikant van de PKN Mijnsheerenland.