Commissie homoseksualiteit bepleit ‘organische omgang met Schrift’

0

De studiecommissie ‘ambt en homoseksualiteit’ heeft een verdeeld advies uitgebracht aan de Landelijke Vergadering van de NGK. De commissieleden zijn weliswaar unaniem van mening dat de Bijbel ‘uiterst negatief’ oordeelt over homoseksuele contacten, maar denken verschillend over de vertaalslag naar onze tijd en cultuur. De meerderheid vindt dat de Bijbel ruimte laat voor een duurzame en geordende homoseksuele relatie in liefde en trouw en dat gemeenteleden met zo’n relatie ouderling en diaken kunnen worden. De minderheid is van oordeel is dat die ruimte er principieel niet is.

(beeld Johanne de Heus)

(beeld Johanne de Heus)

Het hart van het NGK-rapport bestaat uit de hermeneutische keuzes van de meerderheid van de commissie en uit de bezwaren die de minderheid daartegen heeft. In de overwegingen van de minderheid speelt de moeite met diverse aspecten van de moderne (seksuele) cultuur een grote rol.

De commissie gaat in het rapport in op de vraag in hoeverre onze kennis van en ervaringen met homoseksualiteit en homoseksuele mensen een rol mogen spelen in de weging van Bijbelse voorschriften. Ook komt de betekenis van de scheppingsorde, waar Paulus in Romeinen 1 op teruggrijpt en die voorafgaat aan het Bijbelse verbod op de homoseksuele praxis, uitvoerig aan de orde.

Nadat onder meer is gewezen op onze omgang met onder meer voorbehoedsmiddelen en het eten van vlees, trekt de meerderheid van de commissie deze conclusie:

‘De HERE verzet de bakens van zijn schepping als het heil van de mens dat noodzakelijk maakt. Het is met name dit Bijbelse gezichtspunt dat wordt gemist bij degenen die zich op de scheppingsorde beroepen als het laatste woord van de Bijbel over de homoseksuele praxis. Sluit de samenhang die er bestaat tussen Paulus’ teruggrijpen op de schepping en het verbod op de homoseksuele praxis een homoseksuele relatie in liefde en trouw per definitie uit? Ons antwoord luidt: gelet op hoe er in de Bijbel zelf en hoe er door ons met de scheppingsorde wordt omgegaan, is dit niet het geval.’

Draagkracht

De commissie bespreekt ook de vraag of wij categorische geboden en verboden in de Bijbel, zoals het verbod op homoseksuele handelingen, wel ‘opzij mogen zetten’, zoals het verwijt vaak klinkt. Het meerderheidsstandpunt in de commissie luidt als volgt:

‘Voor veel christenen is het feit dat het Oude Testament de homoseksuele praxis categorisch verbiedt en het Nieuwe Testament een dergelijk verbod veronderstelt, een doorslaggevend argument voor het handhaven daarvan. Bijbels voor ons is wat binnen de Bijbel categorisch en met kracht verboden wordt.

Ons eerste bezwaar tegen een redenering die zich beroept op het klemmende en categorische karakter van het verbod op de homoseksuele praxis is dat deze niet getoetst wordt aan andere zaken in de Bijbel die ook met een zekere klem en consequentie ge- of verboden worden (doodstraf, onderdanigheid van de vrouw in het huwelijk, verbod op hertrouw na echtscheiding, eten van bloed e.d.). De wijze waarop dit principe toegepast wordt op uitsluitend de homoseksuele praxis heeft daardoor iets willekeurigs.

We willen in dit verband herinneren aan de “Tweede overeenstemming over hermeneutische uitgangspunten” van de Deputaten Kerkelijke Eenheid van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en de Commissie voor Contact en Samenspreking met andere Kerken van de Nederlands Gereformeerde Kerken: “Het is zaak in de toepassing van Bijbelse voorschriften in onze tijd geloofwaardig te zijn. Niet in de zin van geloofwaardigheid voor het forum van de cultuur van vandaag: het Evangelie is en blijft een dwaasheid en een ergernis, en levend vanuit het Woord van God kunnen we haaks op de cultuur (welke dan ook) uitkomen. Wel in de zin van persoonlijke of kerkelijke geloofwaardigheid: integer, eerlijk en niet selectief zijn in de toepassing van Schriftgegevens” (LV 2013 – 10.01.01).

Voor ons is dit een uiterst belangrijk criterium. Het is namelijk tot de Bijbel zelf te herleiden en behoort tot de kern van het beeld dat de Bijbel van gerechtigheid en heiligheid geeft (vergelijk Leviticus 19:35-36).

‘Het is zaak in de toepassing van Bijbelse voorschriften in onze tijd geloofwaardig te zijn: integer, eerlijk en niet selectief’

Een tweede, veel fundamenteler, bezwaar tegen deze redenering is dat zij niet teruggaat op een basishouding met betrekking tot de omgang met de Bijbelse voorschriften die opkomt uit een existentiële bezinning op de wijze waarop Bijbelse voorschriften een plek in ons leven kunnen krijgen.

Dat blijkt met name wanneer gesteld wordt dat de Bijbel inzake andere grote samenlevingsvraagstukken aanknopingspunten biedt om bijvoorbeeld de slavernij en de onderdanigheid van de vrouw af te schaffen en meer ruimte te geven voor hertrouw na echtscheiding dan de Bijbel zelf doet. Waarin onderscheidt het debat over de homoseksuele praxis zich dan van het debat over de vrouw in het ambt? Wel, in het laatste geval biedt de Schrift aanknopingspunten om daartoe over te gaan, in het eerste geval niet.

Het bezwaarlijke van deze redenering is dat er twee typen van omgang met Bijbelse voorschriften in het leven geroepen worden. Een type voor het geval de Bijbel eensluidend en helder is (of lijkt te zijn) en een type voor het geval de Bijbel niet eensluidend en helder is (of lijkt te zijn); een type waarbij welhaast mechanisch conclusies uit de Schrift getrokken worden en een type dat een meer organische omgang met de Bijbelse voorschriften toestaat.

Deze benadering is te simpel en te oppervlakkig om bruikbaar en geloofwaardig te zijn in de bezinning op de samenlevingsvraagstukken waarvoor onze tijd en cultuur ons plaatsen. Ze maskeert ook waar het werkelijk om gaat in de bezinning op de vrouw in het ambt en in de bezinning op bijvoorbeeld echtscheiding en hertrouw na echtscheiding en zo veel andere vraagstukken.

Dat is in het eerste geval (de vrouw in het ambt) dat wij de verhouding tussen man en vrouw niet als een gezagsrelatie (kunnen) beleven, noch in het huwelijk, noch in de samenleving. En dat is in het tweede geval (echtscheiding en hertrouw na echtscheiding) dat er situaties zijn die naar ons inzicht de draagkracht van mensen zozeer te boven gaan dat we ons om die reden neerleggen bij hetgeen onverenigbaar is met Gods oorspronkelijke bedoelingen. Gesteld dat een moeder van een drietal jongere kinderen na jaren van ellende gescheiden is van een alcoholist met hoge schulden en losse handen, dan zullen velen het haar gunnen dat ze hertrouwt met een goede man die ook nog eens als een vader voor haar kinderen kan zijn.

‘God past zijn geboden niet mechanisch toe – Hij is geen ongenaakbare, maar een barmhartige God’

We zitten nu in het hart van de hermeneutische, liever gezegd pastorale problematiek. De norm die de Bijbel – de Heiland zelf – stelt, is volstrekt helder, maar desondanks passen we die niet mechanisch toe. De heel verschillende situaties waarvoor het leven ons plaatst, vragen om een organische benadering. Dat wil zeggen dat we bij onze afwegingen niet alleen het expliciete, uit de Schrift afkomstige gebod betrekken, maar ook het eigene van de situatie en de vraag of het in die situatie handhaven van dat gebod heilzaam is.

Daarbij gaan we uit van het karakter van de HERE, de wijze waarop we Vader, Zoon en Heilige Geest uit heel zijn openbaring hebben leren kennen. Hijzelf past zijn geboden niet mechanisch toe. Hij is geen ongenaakbare, maar een barmhartige God, die de kwetsbare en machteloze mens tegemoetkomt. Hij houdt rekening met de menselijke onmacht en draagkracht. En vervolgens nemen wij onze eigen verantwoordelijkheid. Menende deze God te kennen, weten ook wij in de gemeente van Christus van barmhartigheid en tegemoetkomendheid. Deze organische omgang met de Bijbelse ge- en verboden gaat naar onze overtuiging precies zo op voor onze omgang met hetgeen we in de Bijbel lezen over de homoseksuele praxis.’

Tot zover het meerderheidsstandpunt in de commissie. Naar verwachting zal het gesprek in de kerken en op de LV vooral gaan over de hermeneutische toepassing van de Bijbelteksten. Vandaar deze citaten, die overigens maar een klein deel van het hermeneutische rapporthoofdstuk vormen. Niet om daarmee de minderheidsopvatting in de commissie te diskwalificeren, maar om te accentueren waarover het in de komende gesprekken vooral zal (moeten) gaan.

De studiecommissie ‘ambt en homoseksualiteit’ is in 2011 door de Landelijke Vergadering van Houten ingesteld naar aanleiding van het principebesluit van de NGK Utrecht om de ambten van ouderling en diaken open te stellen voor gemeenteleden met een homoseksuele relatie in liefde en trouw. Om te voorkomen dat dit thema barrières zou opwerpen in de relatie met de GKv was de LV voorstander van een gezamenlijke studiecommissie met de GKv. Nadat de GKv-synode dat had afgewezen, stelde de LV een klankbordgroep in met leden uit de GKv en de CGK, die op persoonlijke titel meedachten. De LV Zeewolde bespreekt het commissierapport op 21 november. Het rapport is te downloaden op de website van de NGK.

Delen.

Over de auteur

Bram Wattèl (NGK) is voorzitter van de commissie 'ambt en homoseksualiteit'.

Laat een reactie achter