Drie generaties in gesprek over geld en geldbesteding

Ronald Koops | 5 september 2015
  • Interview
  • Thema-artikelen

Is de zienswijze wat betreft geld en materie de laatste jaren veranderd? We vragen het aan drie generaties in een gesprek over geld en geldbesteding, over de overeenkomsten én over de verschillen. Zo groeide Rien van Gent (74) letterlijk uit z’n schoenen in de oorlog en krijgt z’n kleindochter Iris (18) maar liefst 100 euro kleedgeld per maand. Maar toch: ‘Als ik iets koop, moet het toegevoegde waarde hebben.’

Rien van Gent (1940) is geboren en getogen in Amersfoort. Hij is zoon van een banketbakker, maakte als klein kind de oorlog mee, ging na de middelbare school in dienst en heeft daarna zijn hele leven in de recreatiesector gewerkt. Rien is getrouwd met Ati, vader van acht kinderen en opa van negentien kleinkinderen.

Ditta (1983) is de jongste dochter van Rien en werkt als zelfstandig ondernemer (fotograaf) en voor de GGD. Ze is getrouwd en moeder van drie kinderen.

Iris (1997) is kleindochter van Rien en nichtje van Ditta. Ze zit in het eerste jaar van de opleiding Biologie, Voeding en Gezondheid, rijdt paard en houdt van zeilen.

Het was wel even een gepuzzel om vertegenwoordigers van drie generaties uit één familie aan tafel te krijgen, maar het lukte dan toch. Keurig op een rijtje zitten ze tegenover me: opa Rien van Gent (74), z’n jongste dochter Ditta (31) en z’n kleindochter Iris (18), nicht van Ditta. De thee is ingeschonken en het doel van het gesprek is voor iedereen duidelijk: van gedachten wisselen over geld en materie. Want in hoeverre wordt daar verschillend over gedacht in verschillende generaties? En hoe belangrijk is geld eigenlijk?

Rien bijt het spits af en hij vertelt dat in de oorlogstijd geld weliswaar belangrijk was, maar ook schaars. ‘Ik weet nog dat mijn ouders moeite hadden om ons te kleden en van schoenen te voorzien. Eten was geen probleem – mijn vader was banketbakker – maar zoiets duurs als schoenen! Dat was een grote uitgave. Ik heb wel schoenen gehad waar de neuzen uitgesneden werden, zodat de tenen iets meer ruimte hadden en je er nóg langer mee kon doen. Verder droegen we bijna altijd korte broeken. Die sleten minder snel dan lange broeken.’

Reageer daar eens op, Iris?
‘Als ik dit zo hoor, dan denk ik dat ik echt mazzel heb gehad. Ik ben als kind nooit heel bewust met geld bezig geweest: er was altijd genoeg en we konden het uitgeven. Ik ben nu 18, woon nog thuis en kan het nog steeds makkelijk uitgeven: ik krijg 100 euro kleedgeld per maand… Maar als ik het zelf moet rooien, zou dat best weleens anders kunnen zijn.’

Ditta, kon jij in je opvoeding merken dat je vader de oorlog als kind heeft meegemaakt?
‘M’n ouders gooien niet snel iets weg. Vroeger moést de pan leeg, want anders was het zonde van het eten, haha! In mijn eigen gezin gaan we daar wel wat anders mee om. We gooien zo nu en dan wel eten weg. Maar aan de andere kant geven wij ons eten ook vaak weg, bijvoorbeeld aan oude mensen die bij ons in de buurt wonen. Of we bellen iemand op om te komen eten.’

Is geld belangrijk voor je?
Ditta: ‘Dat weet ik niet zo goed. Je geeft uit naar wat je hebt. We hebben nu een heel ander inkomen dan tien jaar geleden; toen stonden we standaard rood. We hebben weleens zo weinig gehad dat ik niet eens boodschappen kon doen. Toen ik deze nood bij God neerlegde, zat er die middag een enveloppe met 100 euro in de bus. Dan merk je dat God voor je zorgt, ook in financieel moeilijke tijden.’

‘Het gaat er uiteindelijk niet om wat je kunt weggeven,
maar wat je nodig hebt. De rest kun je weggeven’

Welke sfeer hing er rond geld toen jullie opgroeiden?
Rien: ‘Mijn ouders hebben mij geleerd dat je goed met geld moet omgaan. Dat je geld niet zomaar kunt uitgeven. Die zuinigheid hebben mijn vrouw ik nog steeds.’

Tegen Ditta: ‘Ik heb door jou een kopje koffie in de stad leren drinken. Dat deden wij nooit. Onze redenatie was dat je voor dat geld wel een pond koffie kon kopen! Maar goed, we hadden acht kinderen, dus er moest nogal wat op de plank komen natuurlijk. Maar we zijn door onze kinderen wel veranderd. Mijn vrouw en ik vinden het nu heerlijk om samen een kopje koffie in de stad te drinken en uit eten te gaan. Maar dan wel af en toe.’

De drie zijn het erover eens: we hebben erg veel en alles wordt steeds makkelijker. (beeld Jaco Klamer)

De drie zijn het erover eens: we hebben erg veel en alles wordt steeds makkelijker. (beeld Jaco Klamer)

Iris: ‘Ik heb van huis uit meegekregen dat je pas iets mag kopen als je je er echt chill bij voelt. Bijvoorbeeld bij kleding: als het goed voelt, mag het best iets duurder zijn.’

Rien: ‘Ik ben meer in een sfeer van zuinigheid opgegroeid, maar daar hadden we als kinderen niet echt problemen mee. Natuurlijk, we kregen erg weinig zakgeld, maar in die tijd was dat bij elk gezin summier, zeker als je het vergelijkt met wat er vandaag de dag aan bijvoorbeeld kleedgeld wordt uitgegeven.’

Ditta: ‘Ik kreeg 120 gulden per maand zak- en kleedgeld. Mijn oudere broers en zussen kregen minder, maar die groeiden dan ook op in een tijd dat er minder inkomen was.’

Rien: ‘We hebben onze kinderen wel geleerd: ga goed met je geld om. De drie oudste kinderen hebben hun studiefinanciering op de bank kunnen zetten en daar toen rente voor gekregen. Daar ben ik trots op.’

Hoe bekijken jullie onze maatschappij, met de sterke nadruk op geld, economie en efficiëntie?
Iris: ‘Ik zie dat Nederlanders steeds meer op luxe en apparatuur gefocust zijn. Zelf houd ik erg van zeilen, maar als je de zeilboten van tegenwoordig bekijkt, zie je vooral overdreven luxe.’

‘Maar ook wel goedkope luxe’, reageert Ditta, ‘want het zal de meesten een zorg zijn als producten in een fabriek zijn gemaakt waarin bijvoorbeeld mensen onderdrukt worden. En eerlijk gezegd denk ik daar zelf ook niet altijd bij na.’

Iris: ‘Precies. En dan is er nog een probleem met onze hang naar luxe en comfort: je wordt er geestelijk en sociaal ook door beïnvloed. We worden ook in onze relaties steeds veeleisender. Als partners niet aan elkaars verwachtingen voldoen, scheiden ze gewoon. Dat vind ik wel erg.’

‘Toen ik mijn nood bij God neerlegde, zat er ’s middags een enveloppe met 100 euro in de bus’

Herken je dat, Rien?
‘Jazeker. Kijk bijvoorbeeld naar onze verzorgingsstaat. Daar was eerst alleen maar groei; niets was onmogelijk. Dat kon natuurlijk niet en dat wist men eigenlijk ook wel. Maar nu er dingen worden teruggedraaid, zijn we meteen boos. Tegelijkertijd is er ook veel verspilling, wat me evenveel zorgen baart. Mijn moeder zat in een bejaardenflat en had een eigen scootmobiel, rollator en rolstoel. Maar overal in dat centrum stonden die dingen. Ik denk dan: waarom zet de zorgaanbieder niet een aantal van die dingen in zo’n tehuis; heb je er één nodig, dan bespreek je zo’n apparaat. Dan heb je er veel minder nodig.’

Ditta: ‘Ja, pap, en het was nog erger: je wilde de bijna nieuwe rollator van oma teruggeven nadat ze was overleden, maar geen enkele instantie of kringloop wilde hem hebben. Ongelooflijk.’

Rien: ‘Dat is nou precies de hele tendens van hebzucht: je wilt alleen maar nieuwe dingen, je wilt telkens meer en je wordt daar niet gelukkiger van.’

Iris: ‘Dat zie je ook weer terug in hoe mensen zich gedragen. Kijk maar naar de extreem hoge scheidingscijfers in ons land. Ik hoor erg vaak van vrienden dat hun ouders gescheiden zijn. De mindset van velen lijkt: mijn relatie is niet goed, dus ik hoef hem of haar niet meer. We gaan niet alleen makkelijk met spullen om, maar ook met mensen. Ik hoor zo weinig mensen die echt knokken. Het lijkt allemaal zo gemakzuchtig: je kunt je er niet toe zetten om een vinger extra uit te steken. Alles wordt steeds makkelijker en kost steeds minder moeite.’

Rien knikt. ‘Vroeger hadden sommige mensen rond hun vijftigste een midlifecrisis, nu begint dat vaak al rond de 35 jaar. Want tja, we hebben alles en de verveling slaat toe.’

Ditta: ‘De verveling komt ook omdat er relatief weinig eisen aan ons worden gesteld. Kijk maar naar jongeren: die zijn vaak erg verveeld, maar mogen niet werken onder hun zestiende. Dan denk ik: als ze het willen, laat ze dan maar lekker werken. Dan hebben ze tenminste wat te doen.’

‘Ik dacht vroeger: ik moet zorgen dat er een berg geld is, want wie weet wat er kan gebeuren in de toekomst’

Wat betekent het dat God ons rentmeesters noemt, aan wie Hij zijn schepping toevertrouwt?
Rien: ‘Voor mij is dat echt gaan leven toen ik in de problemen kwam. Ik heb op een moment in mijn leven zo in de problemen gezeten dat ik wist: er is er maar één die me kan helpen en dat is God. Toen ben ik anders tegen bepaalde dingen gaan kijken.’

Wat gebeurde er precies?
‘Ik raakte m’n baan kwijt, een paar van onze kinderen raakten in de problemen en ons huwelijk raakte in een diep dal. Eén van onze dochters, met wie ik een slechte relatie had, zei: “Pap, je moet hulp zoeken, dat heb je gewoon nodig.” Ik zag daar het nut niet van in, maar toen zei mijn vrouw Ati: “Als dat goed voor de relatie met haar is, zou het dan ook niet goed voor jouzelf kunnen zijn?”

Ik heb me laten overhalen en ben in contact gekomen met een psycho-pastoraal therapeut, die me leerde om vanuit de Bijbel naar mezelf te kijken. Daar kwam onder meer naar boven dat ik heel erg aan mijn geld vastzat. Ik dacht: ik moet zorgen dat er een berg geld is, want wie weet wat er kan gebeuren in de toekomst. Nu heb ik geleerd dat je geld kunt weggeven, aan je kinderen en aan goede doelen. Dat geeft heel veel vrijheid en voldoening. Ik wil los van geld zijn.

De Bijbel spreekt over de twee kanten van geld. Een donkere kant: geld kan als een mammon over je heersen. En een mooie kant: je kunt geven. Het is goed dat je werkt voor je inkomen, maar het gaat er uiteindelijk niet om wat je kunt weggeven, maar wat je nodig hebt. De rest kun je weggeven.’

Ditta, hoe is dat voor jou?
‘Ik ben niet zo aan geld gehecht dat ik het allemaal voor mezelf wil houden. Ik ben trouwens meer een beeldend persoon: ik geef liever een krat boodschappen of ik koop een lunch voor de mevrouw van het Straatnieuws.’

Iris: ‘Toen ik klein was, vroeg ik voor mijn verjaardag altijd van die beweegbare hondjes en andere troep, maar dat kreeg ik gewoon niet. Mijn ouders gaven alleen iets uit als het daadwerkelijk goed voor me was. Ik heb vijf jaar een paard gehad en ik heb me gerealiseerd dat dat best duur was voor m’n ouders, maar het werd wel betaald, omdat dat op veel vlakken een toegevoegde waarde had voor mij. Dat neem ik mee in mijn eigen leven: als ik iets koop, moet het toegevoegde waarde hebben.’

Over de auteur
Ronald Koops

Ronald Koops (PKN/CGK/NGK Kruispunt Vathorst) is schrijver en uitvoerend musicus (www.ronaldkoops.nl).

Verschillende gaven, één Geest

Verschillende gaven, één Geest

Bram Beute
  • Beschouwing
  • Thema-artikelen
‘Laten we minder in ons hoofd zitten’

‘Laten we minder in ons hoofd zitten’

Arie Kok
  • Interview
  • Thema-artikelen

Reageer op dit bericht

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief