De bouwstenen van het M/V-rapport

0

Het deputaatschap M/V en ambt adviseert de GKv-synode om alle ambten in de kerk open te stellen voor vrouwen. Dat is de conclusie van het 75 pagina’s tellende rapport Samen dienen, dat begin november aan de kerken is aangeboden. Het rapport staat op de agenda van de GKv-synode die in 2017 wordt gehouden. OnderWeg brengt twee bouwstenen uit het rapport voor het voetlicht.

Het zeven mannen en vrouwen tellende deputaatschap is zich ervan bewust dat het openstellen van alle ambten voor vrouwen een grote stap is en ‘een breuk met het verleden’ vormt. Maar deputaten vinden dit de optie ‘die het meest recht doet aan de ruimte die de Bijbel geeft voor de inzet van gaven en talenten van vrouwen met een roeping’ en aan ‘de gezamenlijke opdracht en verantwoordelijkheid die mannen en vrouwen al bij de schepping hebben gekregen’. Deputaten zijn in de loop van hun onderzoek toegegroeid naar deze uiteindelijk unanieme conclusie.

Het rapport zal naar verwachting de komende maanden druk besproken worden, zowel in de GKv als in verwante kerken, en de nodige discussie losmaken. Om te voorkomen dat het gesprek alleen over de eindconclusie gaat en niet over de onderbouwing, maken we in OnderWeg ruimte voor enkele bouwstenen uit het rapport: de bouwsteen over wat de Bijbel zegt over mannen en vrouwen en de bouwsteen over het ambt.

Het rapport loopt uitvoerig langs wat de rol en roeping van mannen en vrouwen in de Bijbel is en vat dat uiteindelijk als volgt samen:

Vrouwen in de Bijbel

God schiep de mens mannelijk en vrouwelijk naar zijn beeld (Genesis 1:27; Galaten 3:28). Dat staat voorop voordat het op bijzondere wijze gestalte krijgt in de instelling van het huwelijk.

De vernieuwde mensheid krijgt gestalte in de christelijke gemeente waarin zonen van Adam en dochters van Eva tot het heil geroepen worden en een volk voor God vormen. De apostel Petrus spreekt de ‘geliefden’ (1 Petrus 2:11) aan als ‘een koninklijk priesterschap’ (1 Petrus 2:9). Als broeders en zusters vormen zij het gezin van God waarin Jezus Christus de oudste zoon is (Marcus 3:35; Hebreeën 2:11-12,17). De gemeente van Christus mag zijn lichaam heten. Mannen en vrouwen worden geroepen als leerlingen deze Heer te volgen. Samen mogen zij delen in de genade van het leven (1 Petrus 3:7).

De profetie en vervulling van de heilige Geest is expliciet geadresseerd aan ‘jullie zonen en dochters’ in Israël en aan ‘al mijn dienaren en dienaressen’ uit de volken (Handelingen 2:17-18). Met een ander beeld is de gemeente – niet mannelijk, maar vrouwelijk – de geliefde van de Heiland, de bruid van het lam, een ‘reine maagd’ (2 Korintiërs 11:2; Efeziërs 5:25-32; Openbaring 19:7; 21:9).

Vrouwen blijken al in het Oude Testament naar gaven en inzet en daarmee ‘in functie’ benoemd te worden: als profetes Mirjam (Exodus 15:20; vergelijk Micha 6:4), Debora (Rechters 4:4), de vrouw van Jesaja (Jesaja 8:3) en Chulda (2 Koningen 22:14-20; 2 Kronieken 34:22-28). Zij leiden de lofzang, spreken woorden van God, geven daadkrachtige leiding.

In het Nieuwe Testament ontmoeten we gelovige vrouwen die profetes heten (Lucas 2:36; vergelijk 1 Timoteüs 5:5,9) en in bidden, zingen en spreken profeteren (Handelingen 21:9; 1 Korintiërs 11:5). Ook worden vrouwen in relatie tot de diakenen aangesproken (1 Timoteüs 3:11) en kan een vrouw als Fébe als diaken genoemd worden en haar thuisgemeente vertegenwoordigen (Romeinen 16:1-2). Priscilla, de vrouw van Aquila, krijgt in de Schrift een vooraanstaande positie en geeft samen met hem onderwijs aan de schriftgeleerde Apollos (Handelingen 18:26; vergelijk 16:19).

De samenwerking van mannen en vrouwen krijgt bijzonder gestalte in de echtparen die hun huis ter beschikking van de gemeente stelden. De vrouw des huizes kan dan speciaal aangesproken worden, zoals Lydia (Handelingen 16:40), Nympha (Kolossenzen 4:15) en Apfia (Filemon :2). Zoals de vrouw leiding geeft aan haar huishouden (Spreuken 31), kan zij door haar inzet ook met haar huis een belangrijke rol in de gemeente spelen. In die betekenis spreekt de apostel Johannes de gemeente aan als ‘vrouwe’ (kuria, 2 Johannes :1).

In alle tijden is er probleemloos ruimte geweest voor het optreden van vrouwen met een profetische/profeterende taak

In de geschiedenis van de exegese is wel getracht af te dingen op het ambtelijk karakter van de functies en werkzaamheden van de vrouwen die in de vorige alinea genoemd zijn. Onder Bijbeluitleggers bestaat echter voldoende consensus over het ambtelijk karakter van de werkzaamheden die door vrouwen werden verricht.

Wanneer de bredere exegetische lijnen in de Bijbel worden bestudeerd, wordt duidelijk dat in de Bijbel vrouwen en mannen wel gelijkwaardig, maar niet gelijk zijn. God geeft de man een koppositie en de vrouw krijgt een positie waarin ze dat vooropgaan moet accepteren. Zo is er sprake van vrijwillige wederzijdse dienstbaarheid. De Bijbel laat ook steeds weer zien dat we daarin als mensen fouten maken. God geeft, daar waar de zonde heeft geleid tot onderdrukking en overheersing, de vrouw bescherming, recht en een positie. Dat wijst op een gezamenlijke verantwoordelijkheid die man en vrouw moeten nemen waarin ieder een eigen rol en taak heeft.

Aan de andere kant wordt zichtbaar dat in alle tijden probleemloos ruimte is geweest voor het optreden van vrouwen met een profetische/profeterende taak. Sterker nog, de Bijbel brengt regelmatig, maar niet dikwijls, vrouwen in beeld die aangeduid worden als profetes. Blijkbaar werden zij geroepen tot het profetenambt. Hun gezag in het profeteren wordt (meestal) zonder problemen erkend. Hoe dan ook treden zij op als ambtelijk geroepenen.

In het Nieuwe Testament wordt profeteren in bredere zin verbonden aan het optreden van vrouwen in de gemeente. Dat maakt duidelijk dat God ook aan vrouwen gaven en talenten heeft gegeven om de gemeenten verder te brengen op weg naar een nieuw Jeruzalem.

Zwijgteksten

In de zogenoemde zwijgteksten (1 Korintiërs 14:34-36; 1 Timoteüs 2:8-15) horen we de waarschuwing dat vrouwen niet mogen domineren, dat de huwelijksband niet onder druk gezet mag worden en dat we altijd ook in relatie tot het andere geslacht voor Gods aangezicht staan. Ook mannen mogen vrouwen niet overheersen, maar ze moeten hen dienen en in de gemeente met hen in reinheid omgaan (1 Timoteüs 5:2).

Wat Paulus precies bedoelt met zijn opmerkingen in 1 Korintiërs 14:34 en 1 Timoteüs 2:9-10 wordt verschillend beoordeeld. Wat zijn woorden precies betekenen voor onze tijd, is ook niet duidelijk. Hoewel een deel van de teksten lijkt te verwijzen naar de specifieke situatie in de desbetreffende gemeenten, wordt wel duidelijk dat er een rem kan zijn op de inbreng van vrouwen in de gemeente. Komt dat voort uit hun vrouw zijn? Of moet je wellicht zeggen dat dat voortkomt uit het gebrek aan kennis van veel vrouwen in de tijd van Paulus? Het lijkt erop dat het vooral dit laatste is, omdat Paulus dankbaar gebruikmaakt van de inbreng van vrouwen zoals Priscilla. Het lijkt aan te komen op samen werken van mannen en vrouwen in dienst van het evangelie zodat aan steeds meer mensen de weg van God gewezen wordt.

Verhouding tussen man en vrouw

Uit de gegevens uit de Bijbel leiden we af dat het Gods doel is geweest om man en vrouw gezamenlijk verantwoordelijk te maken voor de voltooiing van de schepping tot aan de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Daarvoor geeft Hij hun gaven en talenten. Zowel mannen als vrouwen mogen bidden (dat wil zeggen rechtstreeks tot God spreken) en profeteren (dat wil zeggen rechtstreeks namens God spreken). Zij zijn daarmee gelijkwaardig voor God. Dat betekent echter niet dat zij ook gelijk zijn.

De vroegchristelijke kerk heeft een patriarchale ontwikkeling doorgemaakt waarin een mannelijke clerus dominant werd. De zwijgteksten hebben vervolgens in de kerkpolitiek regelmatig hun rol gespeeld om die dominantie te handhaven. (beeld TimArbaev/iStock)

De vroegchristelijke kerk heeft een patriarchale ontwikkeling doorgemaakt waarin een mannelijke clerus dominant werd. De zwijgteksten hebben vervolgens in de kerkpolitiek regelmatig hun rol gespeeld om die dominantie te handhaven. (beeld TimArbaev/iStock)

In die gezamenlijke verantwoordelijkheid is een tweede lijn zichtbaar waarin God duidelijk maakt dat man en vrouw daarin ieder een eigen plaats hebben. Je staat voor God als man of vrouw. Dat dat onderscheid breder is dan het huwelijk en daarmee ook impact heeft op het gemeenteleven, baseren we op teksten waarin alle mannen en vrouwen worden aangesproken (niet alleen binnen het huwelijk maar ook daarbuiten) en waarin het niet alleen over de samenkomsten gaat maar een bredere strekking heeft (1 Korintiërs 11, Efeziërs 5, Kolossenzen 3).

Voor het onderscheid tussen man en vrouw had Paulus in zijn brieven symbolen als de hoofdbedekking en de positie in de samenkomsten. Het is aan ons om in onze huidige wijze van samenleven zelf vorm te geven aan zowel het vooropgaan door mannen als het bescheiden meewerken in Gods koninkrijk door vrouwen (de ‘hoofdbedekking’ waar Paulus op wijst).

Voor het inrichten van de ambten en de vraag of deze eigen rol en taak daarin tot uitdrukking moet komen, geeft de Bijbel geen specifieke richtlijnen. De teksten die gaan over ‘hoofd’ in Kolossenzen zijn niet geschreven om de onderlinge verhouding te typeren, maar om een omschrijving te geven van de band tussen Christus en de kerk: Christus is het hoofd en de kerk is het lichaam. Alle christenen moeten gericht zijn op hun hoofd (Christus) zodat het lichaam (de kerk) kan groeien. Er is gezag in Christus, maar dat hoeft niet noodzakelijk ook de verhoudingen in de gemeente te bepalen. Daarin is veel eerder relevant dat God gaven en talenten heeft gegeven aan mannen en vrouwen om de schepping te voltooien en dat de leiding van de gemeente wordt gedragen door Gods kinderen die daartoe gezegend zijn met gaven en die geroepen zijn uit het midden van de gemeente.

Bijbelse kaders

De route naar een besluit over M/V en ambt zal door de Bijbel moeten lopen, maar tot nu toe kunnen we daaruit geen eenduidig antwoord afleiden. De Bijbel geeft ons een aantal richtsnoeren:

– Mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig voor God.

– Mannen en vrouwen hebben een gezamenlijke opdracht gekregen en geven daar ieder met hun eigen gaven invulling aan. Wel geeft de Bijbel regels voor de verhoudingen in het huwelijk. Daarin wordt van een man gevraagd dat hij de koppositie inneemt en van zijn vrouw dat zij die koppositie aanvaardt. Ieder van hen heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid, want God vraagt van een man en zijn vrouw dat ze samen weerspiegelen hoe groot de liefde is tussen Christus en de kerk.

– Mannen en vrouwen hebben gaven gekregen en worden geroepen om die gaven in te zetten in dienst van de gemeente. Vanuit die basis dienen de gemeenten vorm te geven aan hun weg naar de voltooiing van de schepping.

Een tweede bouwsteen in het rapport wordt gevormd door een schets van de (ontwikkeling van de) ambten. Die wordt als volgt samengevat:

Ordening van ambten

Voor de weg die de GKv in de ontwikkelingen van haar ambtelijke structuur heeft afgelegd zijn vooral de historische keuzes van belang die sinds de Reformatie richtinggevend zijn geweest in de gereformeerde traditie. Denkend vanuit Efeziërs 4 onderscheidt Calvijn apostelen, profeten en evangelisten aan de ene kant en herders en leraars aan de andere kant. De eerste drie zijn ambten uit de eerste periode van Christus’ rijk én bij bijzondere nood, de laatste twee zijn nog gebruikelijk in de kerk. Bij de blijvende ambten, ‘de herders en leraars (pastores et doctores), die de kerk nooit kan missen’, sluit de Nederlandse Geloofsbelijdenis aan.

De taak van leraar is de uitleg van de Schrift. Die van herder omvat ook de tuchtoefening, de bediening van de sacramenten, de vermaningen en aansporingen. Op deze basis is in artikel 30 van de NGB een keuze gemaakt voor drie onderscheiden ambten: predikant, ouderling en diaken. In artikel 30 is naar 1 Timoteüs 3 verwezen, waarin de eisen die aan de ambtsdragers gesteld worden zijn beschreven. In artikel 31 wordt gesproken over de verkiezing van dienaren van het Woord, oudsten en diakenen. Die wettige verkiezing is de weg waarin mensen tot hun ambt komen. Innerlijke roeping moet altijd door verkiezing als roeping van Godswege bevestigd worden. Niemand mag een ambt bemachtigen (zoals dat in de maatschappij met allerlei middelen mogelijk is).

Artikel 32 gaat vervolgens in op de orde die ingesteld moet worden om het lichaam van de kerk in stand te houden. De orde waarover artikel 32 gaat, ziet dus niet op het aantal ambten of de inhoud van de taken maar op de wijze waarop de kerk als gemeenschap bewaard blijft.

Een gedeelde verantwoordelijkheid

Een belangrijk uitgangspunt van de Reformatie is dat gebroken werd met de hiërarchische structuur van de katholieke ambtsleer. Het ambt verheft zich niet boven de gemeente, maar functioneert binnen en zo in dienst van de gemeente. In de gereformeerde ambtsleer kon daardoor erkend worden dat iedere gelovige zijn of haar ambt ontvangt voor Gods aangezicht. We worden ertoe geroepen in de gaven die de heilige Geest ons schenkt. Het ambt van alle gelovigen wordt dat genoemd (hoe wij als gemeenteleden zelf allen de rol van priester, koning en profeet vervullen).

In onderscheid daarmee spreekt men van het bijzondere ambt dat als taak heeft om de gelovigen tot die dienst toe te rusten. In dat bijzondere ambt kreeg de ouderling of oudste alle aandacht als de centrale ambtsdrager. Naast hem fungeerde de diaken. Bovendien werden predikant (en in sommige tijden de leraar of theologisch docent) als ambtsdrager genoemd, maar die ambten werden vooral als een specifieke variant van het ouderlingenambt gezien vanwege de bijzondere opdracht.

Een opvallend element in de gereformeerde ambtsleer is wel dat de ouderling niet als zelfstandige ambtsdrager aangemerkt werd, maar een plaats kreeg die stevig verankerd werd in het college van de kerkenraad (collectief van het ambt). Daar ligt de gedeelde verantwoordelijkheid voor de leiding van, het omzien naar en het toezicht op de gemeente. Al deze ambten worden gezien als een bijzonder ambt, meer dan het ambt van alle gelovigen. Dit bijzondere is gelegen in de grotere verantwoordelijkheid en het proces van roeping en verkiezing dat voorafgaat aan deze grotere verantwoordelijkheid.

Alleen voor mannen?

Het ambt van ouderling werd daarmee het centrale ambt in de kerken en de besluiten die zijn genomen richtten zich ook op positie en functioneren van de ouderling. Als vanzelfsprekend hield dat in dat vrouwen niet in aanmerking kwamen om een ambt te bekleden. Opmerkelijk is dat in geen van de gereformeerde belijdenisgeschriften daar een regel of voorschrift over is geformuleerd. Integendeel, wie in de NGB zoekt naar de eisen die aan een ambtsdrager worden gesteld, merkt dat die niet specifiek voor mannen geformuleerd zijn. Ook vrouwen kunnen daaraan beantwoorden. In de roeping tot een bijzonder ambt lijkt geslacht niet van doorslaggevend belang te zijn, maar veel eerder de roeping vanuit het midden van de gemeente.

Er is ruimte om aan de roeping van vrouwen tot de bijzondere ambten gehoor te geven

Het moet ook gezegd worden dat bijvoorbeeld Calvijn gepleit heeft voor vrouwelijke diakenen, maar dat is nooit op grote schaal beleid geworden binnen de gereformeerde traditie. Als vanzelfsprekend werd ervan uitgegaan dat alleen mannen voor het ouderlingschap in aanmerking kwamen. Ongetwijfeld heeft hier op de achtergrond de katholieke traditie een rol gespeeld (de bisschop maakte plaats voor de ouderling na de Reformatie) en daarnaast het verschil in opleidingsmogelijkheden en daarmee de ontwikkeling van gaven en talenten door mannen en vrouwen.

Na de apostolische tijd, die op zijn minst enige ruimte lijkt geboden te hebben aan het fungeren van vrouwen in het kerkelijke taakveld, heeft de vroegchristelijke kerk een patriarchale ontwikkeling doorgemaakt waarin een mannelijke clerus dominant werd. De zwijgteksten hebben vervolgens in de kerkpolitiek regelmatig hun rol gespeeld om die dominantie te handhaven.

Ruimte voor vrouwen

Uit het voorgaande blijkt dat de keuze voor het gesloten houden van het ambt voor vrouwen geen bewuste keuze is geweest, maar vooral een ‘natuurlijke’ keuze. Het is goed te bedenken welke invloed dat op het Bijbelgebruik heeft gehad. Wanneer de gemeente de Bijbel leest binnen een context die wordt bepaald door een mannelijk ingevulde ambtsstructuur gaat dat ook de wijze van Bijbellezen bepalen. Wie binnen de gereformeerde traditie las over een ouderling of diaken of prediker dacht daarbij automatisch aan een man. Veel reden om die vooronderstelling te betwisten was er niet.

Dat illustreert hoe diep de historische keuzes rond de ambten de gedachten over man, vrouw en ambt hebben beïnvloed. De keuze is echter niet gemaakt op basis van de Bijbel of de belijdenisgeschriften. Er is daarmee ruimte om aan de roeping van vrouwen tot de bijzondere ambten gehoor te geven. Daarbij geldt voor hen evenzeer als voor mannen dat naast roeping, ook gaven en talenten, verkiezing en bevestiging en daarmee toewijding aan de dienst een vorm krijgen. Aan deze dienst staan de teksten over gezag van mannen over vrouwen niet in de weg, nu het daarin niet zozeer gaat om een algemeen gezag, maar veel eerder om een wederzijds dienen waarin voor overheersing geen plaats is. Bovendien is de gelijkwaardigheid van de ambten en de collectiviteit van het dienen in de ambten een waarborg tegen het overheersen door enkelen.

Kaders uit de ambtsleer

De route naar een besluit over de dienst van vrouwen in het ambt wordt mede gevormd door de keuzes die in het verleden zijn gemaakt. Wanneer we kijken naar de keuzes die zijn gemaakt, dan valt daarin op dat de inhoud van de dienst en het proces van roeping en bevestiging centraal staan, maar dat niet op basis van geslacht gezag kan worden toegekend. Gezag is een uiting van de bijzondere verantwoordelijkheid die collectief gedragen wordt. Wie in deze verantwoordelijkheid draagt, dient dan ook daarvoor bevestigd te zijn.

– Gezag en leiding (het bijzondere ambt) in de gemeente is een gave van God aan de gemeenten, om de gemeenten te dienen onderweg naar Gods koninkrijk; daartoe geeft God mensen gaven en roept Hij hen tot deze bijzondere dienst.

– Het bijzondere ambt is op basis van door mensen gemaakte keuzes uitgewerkt in een drietal ambten die binnen onze kerken functioneren.

– De ambten zijn aan elkaar gelijkwaardig en de uitoefening daarvan is altijd als collectief, waarin geen plaats is voor overheersing door enkelen.

– Uit de Bijbel en de belijdenisgeschriften blijkt niet dat de roeping tot de bijzondere dienst samenhangt met het geslacht van de geroepene.

– Als er een innerlijke roeping is en er zijn gaven en talenten om de roeping gestalte te geven, dan dient deze roeping ook extern bevestigd te worden, door een proces van verkiezing en bevestiging en de daaropvolgende toewijding aan de dienst. Zo wordt zichtbaar dat gezag in de gemeente niet gaat over posities en rollen, maar over inzet en dienst tot eer van God en opbouw van de gemeente, waarbij de inhoud en het doel van het werk bepalend zijn.

Advies

Het rapport loopt uit op het advies aan de GKv-synode om alle ambten in de kerk voor vrouwen open te stellen. Volgens deputaten moet het de vrijheid van plaatselijke gemeenten zijn om te bepalen of, wanneer en in welk tempo zij vrouwen tot de ambten zullen roepen en daarin zullen bevestigen.

Over alternatieve opties – zoals openstelling van alleen het diakenambt voor vrouwen of de mogelijkheid dat vrouwen ambtsdrager worden maar dat een kleine mannelijke kernkerkenraad belast wordt met geestelijk leidinggeven – zijn deputaten kritisch. Een ‘bijzonder of eigen ambt voor vrouwen’ noemen ze de ‘second best optie’, maar ze schatten in dat deze ‘overgangsoptie’ slechts een tijdelijk leven beschoren zal zijn. De GKv-synode die over het advies moet beslissen, vergadert in 2017.

Dit artikel bevat slechts fragmenten van het deputatenrapport. Download hier het complete rapport Samen dienen.

Delen.

Over de auteur

Ad de Boer is actief in het NGK-kerkverband en was hoofdredacteur van OnderWeg.

Laat een reactie achter