Over Israël

1

Wie over Israël schrijft, brandt al gauw zijn vingers. Alleen al de naam Israël is onderwerp van heftige discussies. Gaat het over het moderne Israël vanaf 1948 of over het Israël van het Oude Testament (OT)? Of is dat hele onderscheid al bedenkelijk?

Moeten we het eigenlijk niet hebben over de Hebreeuwse Bijbel (HB) in plaats van over het OT? Hebben joden en christenen echt het OT/HB gemeen? Lezen Joden hun HB niet met een Talmoedische bril op en wij ons OT met ogen die door het Nieuwe Testament (NT) verlicht zijn? Levert dat geen verschil op dat de overeenkomsten doet verbleken?

Christelijk lezen

Iemand die zich heeft ingespannen voor het christelijk lezen van het OT is Henk de Jong. In 1985 las ik voor het eerst zijn studie over Handelingen 7, waarin hij op dit thema ingaat. Sindsdien is hij over dit onderwerp blijven publiceren. Niet tot ieders genoegen overigens. Daarvoor is, zoals ik al aangaf, de thematiek te controversieel.

Onlangs schreef Henk de Jong opnieuw een studie over het christelijk lezen van het OT: Efraïm – Gods eerste liefde (2016). Het verscheen in een serie waarin al vier andere titels verschenen zijn. Het lijkt uit te groeien tot een ‘kleine’ Bijbelse theologie, waartoe ik ook zijn grote studie Van oud naar nieuw (2002) reken, waarin de ontwikkelingsgang van het Oude naar het Nieuwe Testament beschreven wordt.

Waar gaat deze nieuwe studie over? Ik geef geen boekbespreking, maar licht er één punt uit, dat mij echt geholpen heeft in mijn nadenken over Israël.

Royale waardering

De Jong komt op voor een royale waardering voor Israël, het Bijbelse Israël dat sinds 1948 een eigen staat heeft in het land dat ooit aan de aartsvaders was toegezegd.

De Jong wordt wel verweten een vervangingstheologie voor te staan: de kerk komt in de plaats van Israël, dat uit Gods aandachtsveld verdwijnt. De joden hebben immers de messias verworpen? Deze vervangingstheologie heeft in de loop der geschiedenis tot antisemitisme geleid, met de Holocaust als absoluut dieptepunt. De eeuwen door heeft de kerk hierbij vooropgelopen. Maar uit deze studie blijkt opnieuw hoe ver deze vervangingstheologie van De Jong afstaat. Hij benadrukt juist dat we Israël als Gods ‘eerstgeborene’ moeten eren en respecteren.

De kerk moet Israël niet verachtelijk haar ereplek in Gods liefde ontzeggen. Al is het zeker waar dat zij door de verwerping van haar messias een stap terug heeft moeten doen om doortocht te verlenen aan hen die deze messias wel hebben aanvaard als Heer en heiland. Gods verkoren volk kon Gods heilsplan niet torpederen.

Dit is een gedachtelijn die telkens weer opgemerkt kan worden in het OT. Kaïn en Esau waren eerstgeborenen, maar moesten een stap terugdoen voor Abel en Jacob als erfgenamen van Gods belofte. Zo was het ook met Efraïm en Juda, over wie De Jongs studie gaat. Juda neemt van Efraïm, de door Jacob aangewezen eerstgeborene (Genesis 48:17-20), de naam Israël over, maar daarmee wordt de weg naar de toekomst voor Efraïm niet afgesloten.

Deze lijn trekt De Jong door naar het NT, om er de verhouding tussen Israël en de kerk mee te typeren. Hij ziet in de wisseling van positie tussen Efraïm en Juda een model voor de verhouding tussen de kerk en Israël. De kerk wordt de geestelijke drager van de naam Israël (Jacobus 1:1), maar heeft Israël als haar oudste broer te eren.

De wisseling van positie tussen Efraïm en Juda heeft gevolgen voor de rol die zij in Gods plan met de wereld spelen. Dat geldt ook voor Israël en de kerk. Er is nu eenmaal maar één naam waarin behoud gelegen is (Handelingen 4:12), die van Israëls messias, onze Heer Jezus Christus. Het zijn niet toevallig twáálf apostelen die de opdracht krijgen die ene Naam uit te roepen over de volken (Matteüs 28:16-20; Handelingen 1:20-26).

Voorbeeld om na te volgen

Eerlijk gezegd heb ik niet veel op met Israël, of beter: met het Israël van Netanyahu. De politieke verrechtsing, die nu overal ter wereld om zich heen lijkt te grijpen, is in Israël al een hele tijd aan de gang. Er zijn ontwikkelingen gaande die me het ergste doen vrezen.

Nu gaat het me er niet om of ik hierin gelijk heb of niet. Een ander punt wil ik maken. God heeft door de profeten op Efraïm ‘ingehouwen’ (Hosea 6:5), maar toch blijft Hij hem liefhebben tot het einde, al heeft hij zijn positie aan Juda verloren. Zit daar geen aanmaning in om Gods voorbeeld na te volgen?

Hoe negatief mijn oordeel over het huidige Israël (terecht of niet) ook is, toch zal dit mijn waardering voor dit volk niet mogen aantasten, geliefd door God als ze blijven om der vaderen wil (Romeinen 11:28). Ook voor hen blijft de weg naar Gods toekomst open, de weg die Jezus Christus is, de in de kerk beleden messias van Israël.

Delen.

Over de auteur

Ds. Bob Wielenga is emeritus predikant van de NGK Kampen en woonachtig in Zuid-Afrika.

1 reactie

  1. bs.lous@gmx.com'

    Interessant artikel, maar er zijn een paar punten waar ik moeite mee heb.
    1. de aanname dat ‘Israël’ de Messias heeft verworpen is historisch onjuist. Een groot deel van de hedendaagse Joden erkent Jezus inderdaad niet als Messias, om tal van redenen waaronder de historische omgang van de kerk met de Joden. Maar Handelingen 21:20 spreekt over tienduizenden Joden in Jeruzalem alleen al die Jezus aanvaard hebben, en de eerste christenen waren allemaal Joden.

    2. de aanname dat de kerk, als gemeenschap van niet-Joden die volledig losstaat van Israël, door God uitgekozen of gewild zou zijn vind ik dubieus. Het is maar zeer de vraag of er voor 90 AD sprake was van een ‘kerk’ buiten het Jodendom. Vervolgens lijkt de afscheiding, waarbij christelijke Joden moesten kiezen tussen Jezus of de Torah, vooral van bovenaf opgedrongen te zijn aan gewone gelovigen. Dit zie je terug in geschriften van bijvoorbeeld Justinus Martyr en Tertullianus, maar ook in de vele decreten op de grote Concilies tegen Joodse praktijken en zelfs het bezoekenen van een synagoge door christenen (terwijl Paulus offers brengt en zelf Timotheüs besnijdt). Niet zelden zijn deze decreten gemotiveerd door antisemitisme en een Grieks-filosofische interpretatie van het Nieuwe Testament door kerkvaders die geen kennis hadden van het Hebreeuws of de Joodse omgang met het Oude Testament (of contact hadden met Joden).

    3. Het verbond met Israël is gesloten als een eeuwig verbond volgens oa Gen. 17:7, met Abraham en zijn nakomelingen. Paulus zegt in Romeinen inderdaad dat niet iedereen die fysiek een nakomeling is Gods kind is, maar dat zegt hij in een context waarin hij spreekt over het leven zoals God het bedoeld heeft. Nergens spreekt hij over de kerk als een ‘alternatief Israël’, terwijl hij zijn uiterste best doet om de verbondenheid tussen ‘reguliere’ Joden en christenen te bewaren.

    4. Tot slot: in het OT gaat het mijn inziens niet zozeer over Israël als orgaan waardoor individuen gered kunnen worden, maar over de relatie tussen Israël en de volken als middel om Gods heilsplan te realiseren en de aarde te zegenen. In het artikel wordt enkel gesproken over het liefhebben van Israël omdat ze Gods volk zijn. Ik mis de rol van Israël en de relatie met de volken als centraal onderdeel van Gods plan met de wereld, de verankering van het verbond met Israël in de christelijke theologie.

Laat een reactie achter