In memoriam Arie Kamer (1932-2017)

0

Op 19 februari overleed Arie Kamer, emeritus predikant van de GKv Groningen-Noord-West. Een in memoriam van ds. Pieter Schelling.

Arie KamerRuim 84 jaar levensdienst vroeg de Heer van Arie Kamer, en Hij gaf ze hem ook. Levens­dienst, want naar het woord van de apostel Paulus leefde hij die 84 jaar niet voor zichzelf, maar in dienst van de Heer, wiens eigendom Hij was. Dienst, door alle hoogten en diepten heen van zijn persoonlijk leven en van zijn leven als dienaar van het evan­gelie.

De Here vroeg veel van hem, eerder in zijn leven al, maar ook weer in zijn laatste levensjaren – hij stierf ook niet voor zichzelf, zegt de apostel. Rond zijn 80ste openbaarden zich ernstige hartklachten, die een operatie in het UMC nodig maakten. Het knakte zijn vitaliteit. Na een moeizame revalidatie kon hij wel weer thuis zijn bij zijn zorgzame vrouw, maar gaandeweg maakten andere klachten opnieuw een medische ingreep nodig en toen kon verzorging in een tehuis niet meer tijdelijk zijn.

Afgezien van het verdriet gescheiden van zijn vrouw te moeten leven, had hij aanvankelijk ook moeite om zich te schikken in dit lijden. Gelukkig lieten het licht en het uitzicht van een definitieve kamer zijn geest opklaren, en met bewondering zagen we met hoeveel doorzettingsvermogen hij mee ging doen met van alles en nog wat in het huis en zich zo actief inzette voor zijn eigen welzijn en dat van anderen om hem heen. En hoe hij zijn vrouw ook miste, hij was steeds vol lof over de verzorging in De Liendert. Die positieve instelling maakte bezoeken aan hem tot momenten van aangenaam contact, speciaal als we als broederkring bij toerbeurt de tweede morgendienst van de Boogkerk via internet met hem meeluisterden en bespraken.

Zonder dat we het wisten, werd zondag 12 februari 2017 de laatste keer – het diepe gesprek over het lijden en de glorie van de kerk en haar Heer zal mij bijblijven. De woensdag erna bleek hij in zijn kamer lelijk gevallen, en dat bracht het einde dichtbij. In momenten van helderheid kon hij nog afscheid nemen van de zijnen en in de vroege zondagmorgen ontsliep hij in de vrede van de opgestane ‘Here Christus’, zoals hij Hem altijd zo graag noemde.

Naar Kampen

Doorzetten en de handen uit de mouwen steken: hij had het van huis uit wel geleerd. In 1932 werd hij in Rotterdam-Kralingen geboren als tweede zoon met een veel oudere broer in het kerkelijk meelevende gezin van de kleine middenstander Kamer, leden van de ruim drieduizend zie­len tellende Gere­formeerde Kerk van Kralingen.

Hij groeide op in de crisis van de jaren dertig en maakte als jongen van 8 het bombardement van Rotterdam mee, een ervaring die diepe wonden bij hem achterliet. Het was het begin van een spannende oorlogstijd, die ook nog eens werd afgesloten met een ver­blijf op het voor zo’n stadsjongen totaal vreemde Drentse platteland van Diever. Dat was bedoeld als opvang en herstel voor een hongerkind van 12 uit het westen, maar in zijn beleving en herinnering werd het een nieuwe wond van eenzaamheid en heimwee, ook al herinnert een oude PKN-broeder uit Diever zich bij het lezen van de overlijdensadvertentie in het ND nog goed ‘die leuke lieve jongen uit Rotter­dam’.

In de jaren na de oorlog was het voor het gezin geen vetpot, maar de ouders zorgden wel dat hun zoon met zijn heldere verstand een middelbare schoolopleiding kon volgen. Die begon met de HBS-B, maar eindigde met een staatsexamen Gymnasium-Alpha. Gaandeweg name­lijk hadden geloof en kerk – door de strijd van de Vrijmaking heen en rond zijn belijdenis in 1949 – zo veel invloed gekre­gen in zijn hart en leven dat hij naar Kampen wilde om predi­kant te worden.

Even terzijde: met het verhaal van die op­vallende keuze op de achtergrond kon hij jaren later een wat zoe­kende Utrechtse belijdenis­catechisant stimuleren om ook die weg te gaan. ‘Hij zag mij wel als predikant functioneren, en blijkbaar had ik die stimulans nodig; ik voel me nog steeds op mijn plek als predikant’, zegt deze collega nu zelf.

God gaf Arie de ruimte om zijn in­nerlijke drive te volgen: op 25 sep­tember 1953 werd hij in Kampen ingeschreven onder rector Veenhof en precies zes jaar later deed hij als één van de eersten van zijn jaar kandidaats, op­nieuw onder rector Veenhof. Na een trage start met zijn talen(!)-propedeutisch was hij een snelle student geweest, en dat ondanks de bijbaantjes waarmee hij zijn studie had moeten helpen bekostigen.

Ongetwijfeld zal zijn huwelijk voor die vlotte studie ook een stimulans zijn geweest. Twee jaar eerder, in 1957, trouwde hij de eveneens Kralingse onderwijzeres Ina Blok, die God op zijn weg had geplaatst. De Here zegende hun huwelijk met een dochter, maar door de jaren heen kenden zij als gezin ook veel zorgen en verdriet. Toen Ina in 1981 al op 51-jarige leeftijd overleed – ‘in Christus gebor­gen’, ge­tuigt haar grafsteen – bleven man en dochter achter met veel verdrietige herinneringen.

Ambtsbrommer

De studie was wel voorspoedig verlopen, maar dat betekende nog geen voorspoedige start in een gemeente. De jaren rond 1960 waren een periode waarin op de ‘kandidatenmarkt’ meer aan­bod was dan vraag, en bovendien maakten groeiende kerke­lijke spanningen va­cante ker­kenraden en gemeenten extra kieskeurig. Zo duurde het ruim twee jaar voor Kamer een beroep kreeg.

Die wachttijd viel hem zwaar, zo liet hij later blijken, maar hij kwam hem door met zondagse preekbeurten, een kantoorbaan en door betrokkenen erg gewaardeerde dienst in het schipperspastoraat van de kerk van Rotterdam-Feyenoord.

Eind 1961 was het gelukkig de pas vacante Drentse gemeente van Hijken (nu Hooghalen) van rond 175 zielen die hem koos uit een voorgesteld drietal (!) en hem zijn eerste beroep gaf om opvolger te zijn van R. Timmerman – en dat nog wel on­danks het feit dat hij op de bloed­hete preekzondag halverwege de dienst zijn colbert had uit­getrokken…

Op 12 mei 1962 be­vestigde zijn oudere ‘schipperscollega’ J. Blokland hem in de dienst in deze dorpsgemeente. Het was voor twee stadse mensen echt wennen, maar dat was onge­twijfeld over en weer. Maar bij ouderen zijn dankbare herinne­ringen aan die jaren nog le­vendig. Anekdotisch: voor de jonge predikant zonder ander eigen vervoer dan de fiets werd een ambtsbrommer aangeschaft, die na zijn ver­trek de bijnaam ‘Arie’ kreeg… In­houdelijk: sommigen vonden zijn preken moeilijk en minder toegankelijk, maar anderen luister­den door en proefden diepgang en kwaliteit. Boven­dien zeiden ze soms: nu heeft hij ook voor zichzelf gepreekt, want ze wisten natuurlijk wel iets van de moeiten in de pastorie.

Ontknoping

Zo ging het ook in de volgende standplaats, de combinatie Loenen aan de Vecht en Nigte­vecht-Weesp, samen circa 170 zielen. Kamer vervulde de vacature van J. van der Wielen en diende er van 1968 tot 1977. Een andere wereld dan de Drentse – wat opener naar het westen, zouden we kunnen zeggen – maar wel met soortgelijke ervaringen.

Na een wat moeizame start groeide er toch wel een band. In het pas­toraat: hij was mensen echt dienstbaar als het erop aankwam, met zijn voorzichtige benade­ring vanuit goed psychologisch inzicht en persoonlijke ervaring. En op de preekstoel: er wa­ren bezoekers van bui­ten die zich verwon­derden over de inhoudrijke preken, zonder op­smuk, met fijne woordkeus, zonder veel omhaal naar het hart van het evangelie.

Tegelijk had hij, zo­als mensen dat vroeger wel noemden, geen makkelijk ‘talent’, wat zoveel betekende als: hij was geen meeslepend prediker en vroeg dus qua vorm en inhoud veel van zijn hoorders. De preken waren pittig en ook wel wat filosofisch, zodat niet zomaar duidelijk was wat hij bedoelde te zeggen, zoals ook wel in zijn artikelen in de pers. Maar dan is er ook weer een leerling van het Guido de Brès in Amersfoort die zijn godsdienstleraar Kamer bewonderde om zijn brede blik en zijn soms ver­rassende doorkijkjes in de stof.

In de Loenense tijd kwam het kerkelijk conflict rond de Open Brief tot z’n ontknoping. Kamer twijfelde niet aan welke kant hij moest staan, daarvoor waren de belijdenis en de gereformeerde erfenis hem te lief. Maar onder de strijd in de kerk heeft hij wel geleden en met verdriet nam hij afscheid van hoogleraren die hem hadden ge­vormd. Het was niet voor niets geweest dat sommigen in Hooghalen hem weleens hadden verdacht van een beetje te veel sympathie voor het blad Opbouw…

Dat was ook om een andere reden geen won­der. De ‘kwestie Kra­lingen’ – die speelde rond 1950 en waarbij hij door zijn schoon­vader, broeder Blok, nauw betrokken was geweest, een kerkelijk conflict waaronder ook zijn ou­ders leden en waarover thuis nauwelijks gesproken kon worden – die strijd was voor hem, zo schreef hij later eens, een last die hem van de onbevangenheid in het kerkelijk leven had be­roofd, en die hem had geleerd om waar mogelijk op te komen voor de goede behandeling van ‘bezwaar­den’, ook al ben je het niet met hen eens.

Schaaktheorie

De Loenense jaren werden ook nog door iets anders in beslag genomen. Studeren was altijd Kamers lust en leven geweest. Hij hield goed bij wat er zoal verscheen op de kerkelijke en theologische boekenmarkt, en als hij het voor de gemeente belangrijk vond, kondigde hij het aan en be­sprak het in de regionale kerkbodes of het Gereformeerd Gezinsblad.

Toen Kam­pen in 1970 met professor Jochem Douma (zijn oude huisgenoot in de Kamper tijd) een eigen hoogleraar kreeg in de ethiek, het vakgebied dat zijn bij­zondere belang­stelling had, meldde Kamer zich al gauw aan voor de doctorale studie. Hij voltooide die in maart/april 1973 met een scriptie over de opvattingen over echtscheiding van Calvijn en Bucer en hun verschillen daarin, en hij ont­ving op 1 juni 1973 zijn bul – het predikantencorps was een ‘echte’ docto­randus (‘oude stijl’) rijker. Zijn inzet voor die studie, aldus zijn begeleider, leek een uitlaat­klep om iets positiefs te stellen tegenover de bitterheid van de kerkelijke problemen waarvan hij slecht los kon komen.

Trouwens, dat hij een studiosus was, deze vroegere leider van de filosofische studentenclub, was ook goed te zien aan de veelzijdige bibliotheek die hij opbouwde. Hij heeft die bij zijn leven nog om niet ter beschikking gesteld van het Reformatorisch Studiecentrum Afrika in Pretoria, een instelling die in contact staat met circa 5.000 Afrikaanse predikanten en hen van schriftuur­lijk verantwoord studiemateriaal voor hun studie en prediking voorziet.

Naast de theologie was in deze boekenkast Arie’s oude bètasectie te vinden (wis- en natuurkunde, schaaktheo­rie), maar ook de cultuur (kunst- en cultuurgeschiedenis) en niet te vergeten veel muziek: orgel (Bach!) en orgelbouw vooral, in theorie en geschiedenis, en muziek op pa­pier (voor zijn tweeklaviers-pedaalorgel), op cd en cd-rom. Naast de beoefening van het edele schaakspel puzzelde hij ook graag, maar als nieuwsgierig wiskundige boeide hem het oplos­sen van een sudoku minder dan het uitzoeken hoe die gemaakt was.

Ontroostbaar

Na goed acht jaar kwam er een beroep uit Utrecht-NW (vacature R. Houwen) en in januari 1977 begon Kamer in zijn eerste stadsgemeente van rond 400 zielen. Het werden heel in­tensieve jaren. Het werk in de studentenstad en het kerkverband vroegen veel, maar de nieuwe dienaar was er wel op zijn plaats. Natuurlijk waren er soortgelijke verschillen in waardering als in de eerdere gemeenten. Maar het andere type prediking boeide ook.

Na jaren spreken ook hier gemeenteleden nog van intens meelevend en be­hulpzaam pastoraat, niet het minst bij psychische problemen. Dat ervoer ook de eerder al ge­noemde belijdeniscatechisant, die na de moeilijke vacaturetijd in Kamer eindelijk weer een cate­cheet kreeg die vragen begreep en erop inging, en die hem persoonlijk door moeilijke jaren heen gesteund had. Dan bleek de soms zo gesloten en afstandelijke persoonlijkheid een emotionele en toegankelijke kant te hebben. Daar wees in goede dagen ook zijn schalkse humor natuurlijk wel op.

De huiselijke zorgen namen intussen ook toe en ze waren als bij de apostel een doorn in het vlees, om Kamer te laten weten dat Gods genade genoeg was ook voor zijn dienst. Zeker toen na vijf Utrechtse jaren zijn vrouw in december 1981 haar moeitevolle leven mocht afsluiten en mocht ingaan in de rust van haar Heer. Hij vertelde later eens hoe ontroost­baar hij was geweest in dat verdriet en noemde met dankbaarheid zijn plaatselijke collega, die hem in vrij­wel dagelijkse contacten erdoorheen had geholpen.

Ook de Here zelf kwam hem tegemoet in de eenzaamheid waaronder hij en zijn werk leden: Hij wees hem op zijn gemeentelid, Roelie van der Vlies-Tamminga, sinds vijf jaar we­duwe. Ze vonden elkaar, trouwden in december 1982 en ontvingen samen ruim 34 geluk­kige jaren van hun God – jaren, zeggen de dochters, waarin zij kennelijk genoot van zijn brede kennis en belangstelling en hij van haar contactuele vaardigheid naar de mensen en de gezel­ligheid die ze om zich heen creëerde. Bovendien maakte de Here hun de nieuwe start met alle ins en outs gemakkelijk door een beroep van de kerk van Groningen-Noord (in de recente vacature Bijl), waar zij in maart 1983 naast de monumentale ‘kathedraal’ aan de Ak­kerstraat de even monumentale pastorie betrokken.

Kudde

Onze broeder ging op zijn 51ste een geheel nieuwe levensfase in, in die grote gemeente met haar 1840 zielen, twee kerken, drie predikantsplaatsen, twee Irian-zendelingen en – ere wie ere toekomt – 95-jarige D. van Dijk en 75-jarige P.K. Keizer als emeriti. Na het emeritaat van O.J. Douma maakten de jongere collega’s M.A. de Niet en J.G. van der Hoeven het drietal vol – een nieuwe ervaring, meerdere collega’s ‘op dezelfde bok’, met hun niet in alles sporende karakters. In de eigen wijk bestond bij wie Kamer leerde kennen en doorzien veel waardering voor zijn werk.

In de gemeente als geheel was overigens een aparte ontwikkeling gaande. Onder meer door de trek van veel Groningers naar buitengemeenten moesten vanaf vijf jaar na Kamers komst (1988) kerkenraad en gemeente voortdurend in gesprek over het voortbestaan van de ge­meente. Bij zijn eigen emeri­taat in 1997 was het zielental al met circa 800 geslonken en werd zijn predikants­plaats opgeheven.

Al met al was het een periode met af en toe heftige spanningen: in 1993 werd de Morgensterkerk afgestoten en in 2008 ging zelfs de Noorderkerk dicht en vertrok de restgemeente naar de Columnakerk van West (in 2012 sa­menvoeging tot Noord-West). Het was een gevoelig ‘rouwproces’, waaraan Kamer de eerste tien jaar mede leiding moest geven.

Veel ‘gewoon’ werk was er ook, en het zal niet veel anders zijn geweest dan in de zuster-studentenstad Utrecht, zij het dat ‘de kudde’ een andere was dan daar: een ander type mensen in deze andere regio van ‘stad en ommeland’. Het zal voor de contacten zeker hebben gescheeld dat de nieuwe domineesvrouw ‘thuis’ was gekomen in haar eigen Groningerland. Ze had ga­ven om haar man vooral in het werk in de groeiende bejaardenkring bij te staan en ze deed het met veel plezier.

Commissievoorzitter

Nieuw was dat Kamer veel minder dan voorheen aan huis gebonden was, en daardoor meer ruimte kreeg om voor de kerken in breder verband te werken. Om niet meer te noemen: Kampen, de synode en de zending.

Op voordracht van de PS Groningen benoemde de GS Heemse 1985/86 Kamer tot deputaat-curator van de Theologische Universiteit, een functie die hij door vier herbenoemin­gen tot en met 1996 bekleedde, de laatste vijf jaar als assessor in het moderamen. Het toezicht op en het stimuleren van het theologisch onderwijs en onderzoek aan zijn eigen ‘alma mater’ had zijn belangstelling en zijn liefde. Dat liet hij duidelijk blijken in de bespreking van de beleidsplannen, maar vooral ook in de rapportage van collegebezoeken, waarin immers het hart van de opleiding klopt. Hij leverde dan bijdragen die er echt toe deden.

Kamer maakte verder ook deel uit van de Generale Synode van Leeu­warden 1990 – met zijn eveneens Groningse collega J. de Gelder reisde hij dagelijks heen en weer – en van die van Ommen 1993. In Leeuwarden gaf hij leiding aan de commissie die vooral de be­trekkin­gen met de buitenlandse kerken en het contact met de Christelijke Gereformeerde Ker­ken op haar agenda had.

Ook in de synode van Ommen was hij commissievoorzitter. Nu had hij op zijn agenda onder meer zaken van huwelijk en echtscheiding, een onderwerp dat vanuit zijn studie natuurlijk zijn bijzondere belangstelling had. Op voorstel van de commissie honoreerde de synode een verzoek van de PS Groningen tot instelling van een studiedeputaatschap om te zien of er een gemeenschappelijk kerkelijk beleid viel te ontwikkelen in de kwestie van nieuw huwelijk na echtscheiding – collega Kamer werd er zelf samenroeper en voorzitter van.

In een tweede belangrijke zaak, liturgie en eredienst, koos zijn commissie ver­deeld: de minderheid kreeg tegen de zin van haar voorzitter de synode mee om een verzoek van de PS Zuid-Holland te honoreren in de benoeming van een deputaatschap eredienst, met als opdracht de bezinning in de kerken te inventariseren en de uitbreiding van de gezangen­bundel te onderzoeken. Dit deputaatschap heeft een ontwikkeling op gang gebracht die voor een deel oorzaak werd van de huidige verwarring en verdeeldheid in ons kerkelijk leven. En wie het leven in een synode kent, ziet Kamer daar aan het werk in het besef van zijn grote, maar ook zeer beperkte verantwoordelijkheid.

Papieren zendeling

Een derde werkveld in breder kerkelijk verband speelde zich in Groningen af, maar bracht Kamer ook ver buiten de grenzen. Al vanaf de jaren zestig was Groningen-Noord be­trokken bij het zendingswerk op Irian-Jaya. De kerk had zendelingen in dienst en haar ‘Irian-commissie’ werd in 1979 de instantie waaromheen de kerken in de classis Groningen zich voor het werk ginds inzetten, en Kamer volgde in 1988 bij diens emeritaat zijn collega O.J. Douma als voorzitter op.

Als tweede voorzitter had hij in 1986 voor het eerst een visitatiereis naar Irian gemaakt. Ds. Henk Venema, één van de oud-zendelingen, vertelt in zijn in memo­riam in de noordelijke Regio-Naast dat deze reis een ommekeer bij hem had bewerkt: van een wat afstandelijke, theoretische benadering van de zendingszaken, die de betrokkenen weleens irri­teerde, naar een diepe emotionele betrokkenheid. Hij had daar na­melijk de ‘bibliotheek’ van een evangelist gezien: de Bijbel, het liedboek en het ‘Rode Boekje’ (de Bijbelverhalen van juf Elly Nieboer), en hij was stil gevallen. ‘We bekijken het wel’, zei hij in zo’n situatie, en dan bedoelde hij: we moeten ermee aan het werk.

Daar was dus het plan voor LITINDO geboren, waarvoor Kamer zich sterk ging maken: het project waarin sinds 1992 bestaande Nederlandse lectuur wordt vertaald en nieuw studiemateriaal wordt geschreven voor de Indonesische ‘markt’, de jonge kerken en predikanten; het wordt daar gretig afgenomen. Venema, sinds 2012 fulltime auteur, laat ons met dankbaar respect de emotionele energie proeven waarmee zijn collega Arie Kamer aan de wieg stond van ‘de pa­pieren zendeling’.

Emotionele energie. In 1995 maakte hij nog eens zo’n zware reis, samen met medebezoekers van Enschede-Noord, Middelburg en Spakenburg-Zuid. Voor zijn Groningse deel was dat met een lastige opdracht waarvan de spanning – in de tropische omstandig­heden, met z’n 63 jaar – hem lichamelijk ziek maakte, zodat de reis eerder dan gepland moest eindigen.

Zendingsman

Na deze intensieve Groninger jaren kwam in 1997 het einde van de actieve dienst. Voor een woonplaats wat meer in het centrum van het land viel hun oog op de Amersfoortse regio en ze vonden een huis in het ‘in­pandige’ en nog aardig landelijke dorp Hoogland.

Zo begon in de kerkelijke gemeente Amersfoort-Noord, per 1 januari 2000 zelfstandig verder als Amersfoort-Hoogland met 540 zielen, de laatste levensfase van het echtpaar Kamer. De verse emeritus hoefde niet stil te zitten: kort na hun binnenkomst in de gemeente overleed één van de twee plaatselijke predikanten, ds. Strating, na een heftig ziekbed van enkele maanden, en collega Kamer kon in de onvoorziene vacature goede diensten bewijzen.

Ook onder de opvolger, zijn oude Utrechtse bekende ds. Gijs Zomer, kon hij in de nieuwe zelfstandige ge­meente aan het werk: naast één uur catechisatie stelde de kerkenraad hem met instem­ming van de gemeente aan als scriba. Hij nam die functie één periode waar. Niet als externe func­tionaris, maar als ambtsdrager bin­nen de kerkenraad, zodat hij dus ook in alle zaken een volwaardige stem had. Zijn af en toe confronterende benadering riep weleens spanningen op – was hij geen emeritus? – maar er bestond ook waardering voor. In ieder geval was hij voor ds. Zomer een gewaardeerd klankbord.

In de PS Utrecht was ook al gauw bekend dat er een ervaren ‘zendingsman’ in de provincie was komen wonen. Zo maakte hij enkele jaren deel uit van de Congocommissie, die het res­sort vertegenwoordigde bij de zendende kerk van Spakenburg-Zuid. Hij diende de kring op aangelegen momenten en in soms moeilijke kwesties met een adequate en gewaardeerde in­breng.

Intussen was er eindelijk ook vrije tijd voor ontspanning. Kinderen, klein- en achter­kleinkinderen omringden hem met levendige drukte en aan de logeerpartijen bij deze opa en oma bewaren de kleinkinderen fijne herinneringen. Ook hebben zij samen in deze jaren, zeg­gen de dochters, half Europa afgereisd, en er waren maar weinig kerkramen die niet gefoto­grafeerd zijn. Het waren mooie jaren, waarin, zeker in de collegiale contacten in Amersfoort, ook weer volop ruimte was voor de typische schalkse humor.

Totdat, zoals in het begin gezegd, rond zijn 80ste zijn levenskracht brak. Hij had tot dusver vrijwel wekelijks de kerken nog gediend met preekbeurten, maar zo kreeg hij helaas geen eigen keus om afscheid te nemen van de kansel die hem lief was geweest, waarop hij aan de gemeente in al haar moeiten en zorgen, maar ook aan zichzelf in zijn eigen strijd steeds graag voorhield dat op Gods beloften een leven te bouwen is.

Krans

Met het thema van Gods trouw gedenken wij deze dienaar van het evangelie, zoals ook de eerste drie ge­meenten die hij diende dat treffend deden in hun rouwadvertentie: ‘Bij het over­lijden van ds. Arie Kamer willen wij onze dankbaarheid aan God uitspreken voor de gaven waarmee Hij deze predikant sierde. Gaven, die hij in grote trouw heeft ingezet voor onze ge­meenten. In zijn vaak moeilijke persoonlijke omstandigheden en die van het kerkelijk leven in die tijd bleef hij Gods trouw in Christus aan ons verkondigen en voorleven.’

Wij gedenken hem in al zijn gaven en tekorten, ook met het troostrijke woord van Paulus in het begin van 1 Korintiërs 4. Wij hebben hem immers, net als de apostel, te beschouwen als een dienaar van Christus aan wie het beheer over de geheimen van God was toevertrouwd. In die taak werd van hem verlangd betrouwbaar te zijn. En hoe mensen dan over hem oordelen is niet belangrijk, en al evenmin hoe hij zichzelf beoordeelt: misschien was hij zichzelf, zoals de apostel zegt, van geen kwaad bewust, maar dat betekent niet dat hem niets verweten kon wor­den. Uiteindelijk is het de Heer die over hem oordeelt en dan komt alles aan het licht. En Hij zal het zijn die aan ieder de lof geeft die hem toekomt. Lof? Paulus weet meer (2 Timoteüs 4:8): op de grote dag zit de rechtvaardige rechter klaar met de krans van de gerechtigheid voor zijn dienaar Arie Kamer en voor ons allen die naar Christus’ komst hebben uitgezien.

Met dank aan alle ‘zegslieden’ die mij hielpen collega Arie Kamer en zijn plaats in Christus’ dienst met liefde en respect te herdenken.

Delen.

Over de auteur

Pieter Schelling is emeritus predikant van de GKv 's-Hertogenbosch.

Laat een reactie achter