Het draait om de gemeente
- Ontmoeting
Op een steenworp afstand van het treinstation van Deventer woont Dirk Zwart in een pand, dat vroeger bestond uit twee kleine huizen. Een blauw hekwerk omheint een brede ondiepe tuin. Rechts is het woongedeelte, links een tot werkruimte verbouwde voormalige kapsalon. Je hoeft maar even rond te kijken naar alle boeken die links en rechts in kasten staan en op de grond zijn gegroepeerd en je hebt al snel door dat hier een kerkmusicus, componist en neerlandicus zijn werk doet.
Zwart woont nog niet lang in Deventer. Het grootste deel van zijn leven woonde hij in Rotterdam. Eind 2011 verhuisde hij met zijn toenmalige vrouw naar het buitengebied nabij Lochem. Enkele jaren daarna verhuisde hij naar Deventer, hij woont daar nu met een nieuwe eega. ‘We woonden in een paradijselijke omgeving nabij Lochem, maar na verloop van tijd werd het me te stil. Ik heb nooit geweten dat ik een stadsmens was, totdat ik dus in het buitengebied bij Lochem kwam te wonen.’
Wie is Dirk Zwart?
Hij lacht en wuift de vraag in eerste instantie lachend weg. Gekscherend: ‘Wat een lastige vraag.’ Een paar momenten later komt hij tot een antwoord. ‘Ik kom uit een organistengeslacht. Ik ben de kleinzoon van Jan Zwart en mijn vader was Dirk Jansz. Zwart. Hij was organist en koordirigent, ik groeide op met muziek. Ik begon ook al vroeg piano en orgel te spelen en vond improvisatie erg leuk. Al spreek ik liever over fantaseren op piano of orgel. Ik ging vaak met mijn vader mee, zat bij het orgel als hij kerkdiensten begeleidde. Ook liep ik al op jonge leeftijd rond in de Doelen als hij daar moest dirigeren. Muziek is belangrijk geweest in mijn jeugd en heeft mij gevormd en vormt mij nog altijd. Daarnaast moet ik bij deze vraag ook denken aan het feit dat ik ben opgegroeid in de GKv. Dat heeft mij ook gevormd, maar bij ons thuis was er een open houding richting anders-kerkelijken. Het was dus niet benauwend, zoals dat in sommige vrijgemaakte gezinnen wel is geweest.’
U bent met het orgel opgegroeid en begeleidt vaak kerkdiensten en koren. Waarom bent u geen organist geworden?
‘Ik ben kerkmusicus en componist. Ik heb nooit een vakopleiding tot organist afgerond. Je moet weten dat ik in mijn puberteit ook naar Genesis en Kayak luisterde en in die periode bedacht ik: “Ik wil geen organist worden.” Ik wilde wel voor de klas staan, de pedagogische academie doen of theologie studeren. Maar ik wilde geen organist worden en dat heeft er, denk ik, mee te maken dat ik niet in de voetsporen van mijn vader wilde treden. Zie het maar als een soort verzet. Maar het is anders gelopen, want ik heb toch conservatorium gedaan en ben mij gaan toeleggen op componeren en het dirigeren van koren. Na het conservatorium heb ik Nederlands gestudeerd en was ik literair actief, onder andere als literatuurcriticus, en heb ik een eigen christelijk-literair tijdschrift opgericht, Bloknoot. Dat is later opgegaan in Liter.’
Tegenwoordig kennen mensen u niet als neerlandicus, maar als kerkmusicus en componist. Hoe is dat zo gekomen?
‘In 1997 werd ik gevraagd om een muziekstuk te schrijven. Het werd het paasoratorium Lam dat ons doet leven, waarvoor Ria Borkent de teksten schreef. Vanaf dat moment ben ik het schrijven van muziek als mijn beroep gaan beschouwen. Ik ontdekte dat ik het goed kan en dat het mooi is om mensen door muziek mee te nemen in een verhaal en hen te enthousiasmeren. Het is echt fantastisch als een gemeente een lied van je gaat zingen en je mensen de gelegenheid kunt bieden om woorden te geven aan hun geloof. In het bijzonder componeer ik kerkmuziek, omdat ik daaraan iets kan toevoegen. Op mijn zestiende schreef ik gedichten, maar ik ontdekte al snel dat er veel gedichten zijn geschreven die veel beter zijn dan die van mij. Ik ben toen snel daarmee gestopt. Maar in de kerkmuziek heb ik het gevoel dat ik daadwerkelijk iets kan toevoegen.’
‘Als de gemeente reageert, doet ze dat zingend’
Wat voegt u dan toe?
‘Voor een antwoord op deze vraag is het belangrijk te weten dat het hart van kerkmuziek voor mij draait om de gemeente. Dat zal ook met mijn calvinistische achtergrond te maken hebben. Zingen is voor de gemeente de belangrijkste mogelijkheid tot actieve participatie in een kerkdienst. Het begint met luisteren, maar als de gemeente wil reageren, wil klagen, wanhopen, bidden, aanbidden, loven of prijzen, dan doet ze dat niet sprekend, maar zingend. God troont op de lofzangen van de gemeente. De melodieën voor gemeentezang moeten volgens mij meeslepend en enthousiasmerend zijn, maar niet te moeilijk. Het moet na een of twee keer beluisteren mee te zingen zijn. Ik denk dat ik in staat ben dergelijke muziek te maken. Laten we eerlijk zijn, sommige kerkmuziek is droog en saai of moeilijk om mee te zingen. Ik beleef er veel vreugde aan om mensen goede muziek aan te reiken, want muziek geeft vleugels aan geloof. Ik heb een koor en weet dat er mensen op zitten die vervreemd zijn geraakt of vervreemden van de ker
k. Maar bij het zingen van liederen houden ze nog een lijn open naar God. Dat is wat kerkmuziek dus kan doen. Het is daarom ook belangrijk dat er nieuwe kerkmuziek wordt gemaakt om bij de tijd te blijven en in verbinding te blijven met de mensen van nu. Maar dan wel zonder dat het plat wordt, zonder dat het de gedaante en de cultuur van de massa aanneemt. Het moet, zeg maar, niet te veel de kant van ‘De Toppers’ op gaan in de kerk.’
Hoe werkt dat voor uzelf? Op wat voor manier houdt u de lijn open met God?
‘Ik ervaar God vooral via de muziek.’ Hij is even stil. ‘Dan speelt het intellectuele niet meer mee en dan is het wat het is. Ik ben als orthodox christen met zoveel kennis opgegroeid over wie God is of zal zijn, dat dit me in de weg zit. In goede muziek is er een ontmoeting met God en dan valt die intellectuele kennis weg. Ik ben veel meer tot de ontdekking gekomen dat je eigenlijk weinig over God kunt zeggen.’
Waarom kiest u er dan toch voor om muziek te maken bij woorden?
‘Het is wel degelijk mogelijk om woorden aan het geloof te geven zonder de boel helemaal dicht te timmeren. De teksten waarin dat gebeurt, dus teksten die niet te dogmatisch zijn, spreken me erg aan en daar kan ik gemakkelijk bij instappen. Daarin ben ik in de loop van de tijd wel veranderd. Ik werk nu bijvoorbeeld veel samen met Martin de Geus, een emeritus predikant en dichter. Hij is nog niet heel bekend, maar maakt schitterende teksten. Op 1 oktober gaat er een Petrus-oratorium in première met teksten van hem en muziek van mij, genaamd: Voorman aan de leiband.’
U spreekt over God ervaren in muziek. Over wat voor muziek hebben we het dan?
‘Daar is veel over te zeggen. Ik hecht veel waarde aan kwaliteit en misschien ook wel een bepaalde heiligheid in muziek. Ik heb weleens in een lezing opgeworpen dat er een bepaald godsbeeld schuilgaat achter bepaalde typen kerkmuziek. Hoe dat precies zit, weet ik nog niet. Maar een kathedraal waarin kerkmuziek klinkt, representeert een ander godsbeeld dan een evenementenhal met een band en beeldschermen. Het is enigszins schematisch, maar ik voel me meer thuis bij die eerste soort muziek. God is voor mij de heilige en niet zozeer vader of vriend. Gaandeweg is God ook wel abstracter geworden voor mij en meer op afstand komen te staan.’
Mensen kennen u van kerkmuziek, maar misschien ook wel van de polemische stukken die u af en toe schrijft en waarin u van uw hart geen moordkuil maakt. Wat drijft u in uw werk? Waarom doet u wat u doet?
‘Laat ik als eerste zeggen dat ik inderdaad af en toe de stijl van de polemiek gebruik. Die wordt in literaire kringen wel vaker gebezigd en ik houd wel van het spel dat daarachter schuilgaat, maar niet iedereen kan dat spel waarderen of doorzien. Dat vind ik jammer. Sommigen hebben lange tenen of hebben geen zin meer om mij ergens bij te betrekken.’ Hij kijkt door het raam naar buiten. ‘Maar nu over de vraag. Ik schrijf in het bijzonder kerkmuziek voor niet- geschoolde zangers. Voor amateurs, zogezegd. Dat heeft mijn hart. Ik houd van de traditie waarin ik ben opgegroeid en waarin altijd veel aandacht is geweest voor de zang van de gemeenschap, die hoofdzakelijk bestaat uit niet-geschoolde zangers. In de rooms-katholieke traditie is de gemeentezang nooit echt goed geworteld. Het is mijn ervaring dat daar vaak wat aarzelend wordt gezongen, terwijl bij protestanten over het algemeen nog altijd goed wordt gezongen. Ik draag graag eraan bij dat die lofzang wordt gaande gehouden, ook met nieuwe kwalitatief goede kerkmuziek. Daarom heb ik me ook wel boos gemaakt over de totstandkoming van het Nieuwe Liedboek en de keuzes die daarbij zijn gemaakt. Het is toch een liedboek waar we waarschijnlijk veertig jaar mee vooruit moeten en waarin niet alle liederen van voldoende kwaliteit zijn. Er staat bijvoorbeeld een versie van het Onze Vader in die ik bijzonder treurig vind. Je zingt dan: ‘onze Vaha-der in de he-he-mel’. Ik weet dat het ingeburgerd is en er zullen best veel mensen zijn die het mooi vinden, maar het is kwalitatief ondermaats. En dat kleine beetje opwekkingsliederen en die paar Psalmen voor Nu, wat moet je daar nou mee in zo’n grotendeels klassieke bundel? Wat moet een doorsneegemeente daarmee? Had er dan een écht klassieke bundel van gemaakt!’
‘Ik hecht waarde aan heiligheid in de muziek’
Om niet met deze controverse te eindigen een laatste vraag. Hoe wilt u dat men zich u ooit zal herinneren?
‘Dat ik aan dit interview meewerk, heeft er onder andere mee te maken dat ik graag zou willen dat mensen mijn muziek ontdekken of herontdekken. Ik ben echt ervan overtuigd dat er muziek tussen zit die mensen kan helpen om hun geloof uit te zingen. Het paasoratorium dat ik jaren geleden schreef, is bijvoorbeeld een stuk waar ik nog altijd blij mee ben en waarvan ik denk dat het mensen veel kan doen. Of je het nu beluistert of zingt. Ik zou dus ook graag willen dat mensen mij herinneren om mijn muziek en die blijven zingen. Ik zoek trouwens niet zozeer een podium voor mijn eigen eer en glorie. Maar als je muziek maakt, wil je dat die gebruikt wordt en ten gehore wordt gebracht. Maar eerlijk is eerlijk: ik hoop dat ik voorlopig zelf nog veel en volop getuige kan zijn van uitvoeringen van mijn muziek. Laat dat herinneren nog maar even wachten, want niets is mooier dan aanwezig te zijn in een volle kerk en mee te doen met de gemeentezang. Vooral als het je eigen muziek betreft.
Dit artikel is gedeeltelijk afgeschermd. Je kunt tijdelijke toegang krijgen op dit apparaat en in deze browser.
Prijs: €1,00
Toegang is tijdelijk en gekoppeld aan dit apparaat en deze browser. Het wissen van cookies of gebruik van een andere browser betekent dat de toegang vervalt.Maarten Boersema is als predikant verbonden aan de NGK Leiden-Herengrachtkerk en hoofdredacteur van bijbelstudiemagazine WegWijs. Onze hoofdredacteur Louren Blijdorp is columnist voor WegWijs. Want we zijn samen onderweg ook als bladen.


