Feesten in het oude Israël

Lezer | 12 mei 2017
  • Achtergrond

Op 1 april 2017 wijdde OnderWeg een nummer aan feestvieren in de kerk. Bas Luiten schreef onder de titel Laat het feest zijn in de huizen een bijdrage over wat Gods kinderen beweegt om feest te vieren. Lezer K.R. Veenhof reageert erop.

Op het artikel van Ds. Luiten in het aan ‘feestvieren in de kerk’ gewijde nummer van OnderWeg is enige aanvulling en correctie mogelijk, zowel ten aanzien van de aard van de feesten als van de wijze van viering.

Ds. Luiten stelt dat de feesten die God zijn volk in het Oude Testament voorschreef – Pesach en het Loofhuttenfeest – “een sterk vormend karakter hadden”. Niet alleen omdat ze bedoeld waren om Gods grote daden te gedenken, maar ook omdat de mensen naar de plaats moesten komen die God verkoos, om daar hun offers te brengen. Dat betekende een lange reis, keer op keer. “God geeft zijn volk het leven en de levensruimte in zijn directe nabijheid.”

Deze bewering roept een aantal vragen op. Natuurlijk kan een artikel in een tijdschrift niet alles te berde brengen, maar met de viering van Pesach was het toch wat anders gesteld. En over de aard en het doel van de feesten, in verband met het “gedenken van Gods grote daden”, is ook meer te zeggen in verband met hun oorsprong en ontwikkeling. Als je over het Oude Testament schrijft, moet je je verplaatsen in de werkelijkheid van toen en beseffen dat er historische ontwikkelingen waren. Dat wordt soms helaas vergeten, ook in OnderWeg.

Pesach en Loofhuttenfeest zijn nieuwe Israëlitische namen (de betekenis van Pesach is onzeker), maar de feesten zelf zijn veel ouder. Het waren van origine natuurfeesten, op de hoogtepunten van het seizoen, zoals herders en boeren (en dat waren de oude Israëlieten) die ervoeren. Pesach viel in het vroege voorjaar, als de eerste lammeren geboren werden en de eerste gerst geoogst kon worden. De natuur herleefde en schonk zijn vruchten, waarvan de mens leefde.

Loofhuttenfeest viel in het najaar, als het fruit – met name druiven – geoogst werd en er alle reden was tot dankbaarheid en vrolijkheid. Daarnaast was er het ‘Oogstfeest’, ook wel ‘Wekenfeest’ genoemd, aan het einde van de graanoogst, zeven weken na het begin ervan. Exodus 23:14-17 somt alle drie feesten op, waarbij opvalt dat Pesach niet en Mazzot (het feest van het ongedesemde brood) wel genoemd wordt!

Het bijzondere van het Oude Testament is dat de tijden van die natuurfeesten en zo de band met de seizoenen en de natuur werden aangehouden. Maar ze kregen een nieuwe vulling, bepaald door de hoogtepunten uit Israëls geschiedenis, waaraan men zo de herinnering levendig hield. Pesach werd het feest van de uittocht uit Egypte, Loofhutten werd verbonden met Israëls verblijf in de woestijn, en het Wekenfeest (later) met de verbondssluiting en wetgeving op de Sinai.

Die nieuwe vulling ging niet zonder problemen en er zijn veel vragen rond de interpretatie van de vele gegevens in de Bijbel, die uit verschillende tijden stammen. Wie daar meer over wil weten, moet het aan de feesten gewijde hoofdstuk lezen in deel 2 van R. de Vaux mooie boek Hoe het oude Israël leefde (1962).

Bij de uittocht (vgl. Exodus 12) werd Pesach ingesteld: een mannelijk jong lam of een jonge geit (niet pasgeboren, maar één jaar oud!) moest geslacht worden en het bloed ervan op de deurposten en bovendorpel gestreken worden. God zal met zijn plaag de huizen waar dat gebeurd is voorbijgaan en de bewoners sparen. Dat dier moet dan op de veertiende van de maand gegeten worden, met “ongedesemd brood”. Daarom is Pesach tegelijk ook het feest van het ongedesemde brood, Mazzot.

Het is duidelijk dat hier twee min of meer gelijktijdige feesten – dat van de geboorte van de eerste jonge dieren en dat van het eten van het eerste brood van het nieuwe graan – gecombineerd werden. De functie van het geslachte jonge dier is in verband met de tiende plaag en de uittocht duidelijk. Maar de rol van het ongedesemde brood bij de uittocht is onduidelijk. Dat het volk in verband met de overhaaste uittocht geen tijd had om brooddeeg te laten gisten, snijdt geen hout. Waarschijnlijk werd een oud gebruik, om het deeg voor het eerste nieuwe brood niet te gisten, dat Israël vermoedelijk ook al kende, verbonden met Pesach. Twee werden gecombineerd en samen gevierd (vgl. Jozua 5:10-12) en historisch verbonden met de uittocht uit Egypte.

Het Loofhuttenfeest levert ook problemen op. Het is het “Inzamelingsfeest” in het najaar (Exodus 23:16) in verband met de fruitoogst. Het wordt in Leviticus 23:42-43 verklaard als herinnering aan het wonen in tenten in de woestijn, na de uittocht. Dat is (te) ver gezocht, want een tent is geen loofhut, in de woestijn ontbreken loofbomen die men nodig heeft, terwijl ook de wijn er ver te zoeken was. Het lijkt een gezochte poging om ook dit feest met Israëls verlossingsgeschiedenis te verbinden. Maar deze poging laat wel zien hoe belangrijk men zo’n verbinding vond.

Het derde feest, het ‘Feest der Weken’ of ‘Oogstfeest’, werd gevierd aan het einde van de tarweoogst (vgl. Leviticus 23:15vv.). Het is dus een typisch feest voor boeren, in Kanaän. Het werd historisch verbonden met de wetgeving of de Sinai, die ongeveer twee maanden na de uittocht bereikt werd (Exodus 19:1). De sluiting van het verbond en Gods geschenk van de wet was de bekroning van de uittocht, zoals het Oogstfeest, met het eerste, gegiste tarwebroodrood, de voltooiing was van Mazzot, het begin van de gersteoogst.

In het Nieuwe Testament wordt Pesach, in de lijn van de heilsgeschiedenis, verbonden met Christus’ verlossingswerk, zijn lijden. Het Wekenfeest wordt het Pinksterfeest, vijftig dagen later (afgeleid van het Griekse ’50’, pentakonta). Het is dan niet meer het feest van de wet, maar van de uitstorting van de Geest. Van het Loofhuttenfeest bestaat geen nieuwtestamentische, christelijke pendant.

De verbinding van de drie oorspronkelijke natuurfeesten met Israëls heilsgeschiedenis (al is dat soms later en voor ons niet altijd overtuigend gebeurd) onderstreept wel wat ds. Luiten benadrukte: feesten zijn er om Gods grote daden te herdenken, maar dan zowel in de natuur als in de geschiedenis.

De bewering dat Israël die feesten moet vieren in Gods nabijheid, soms na een lange reis, roept enige vragen op, zeker ten aanzien van Pesach. Bij de instelling moesten het geslachte lam of bokje en de mazzot in ieder huis gegeten worden. Het was een typisch huis- of familiefeest, zoals dat ook voortleeft in de later thuis gehouden sedermaaltijd. Er zijn veel vragen rond de praktijk van Pesach, maar duidelijk is dat de verplichting het in Jeruzalem te vieren niet oorspronkelijk is. Dat was bovendien, gezien de afstanden, ondoenlijk.

In het oude Israël werden de feesten gevierd bij de lokale heiligdommen, zoals dat te Silo, waar Eli priester was, te Rama, waar Samuël een offermaaltijd hield met Saul (1 Samuël 9), of te Gibeon, waar Salomo zijn droomvisioen had (1 Koningen 3). Maar Deuteronomium (geschreven in de zevende eeuw voor Christus) verbiedt het slachten van het Pesachlam ‘in elk van de steden’ en schrijft voor dat het te Jeruzalem moet gebeuren, in ‘de plaats die de Heer zal uitkiezen’.

Na de overgang van het noordelijke Israël wordt Jeruzalem de ene hoofdstad en daar moeten, via de hervormingen van de koningen Hizkia en Josia, de religieuze activiteiten geconcentreerd worden. De afstand tot de tempel wordt zo ook kleiner. Zo wordt het een feest van pelgrimage, maar dat was het oorspronkelijk niet en het is dat pas geleidelijk geworden. Jezus’ ouders ‘gingen jaarlijks naar het Pesachfeest in Jeruzalem’ (Matteüs 2:41).

Voor het Loofhuttenfeest, het belangrijkste feest van het jaar (Leviticus 23:39 noemt het simpelweg ‘het feest van Jahwe’), trok men naar Jeruzalem, nadat de tempel, door Salomo gebouwd, tijdens dat feest was ingewijd (1 Koningen 8:2). Jerobeam doet hetzelfde te Bethel (1 Koningen 12:32-33) en na de ballingschap viert men het te Jeruzalem onder leiding van Ezra en Nehemia. Het zal wel het feest geweest zijn dat in ouder tijden, volgens Rechters 21:19, bij de tabernakel te Silo werd gevierd, waar Samuëls vader ieder jaar naartoe ging (1 Samuël 1:3). Alle volken zullen volgens Zacharia 14:16 voor dat feest naar Jeruzalem komen. Ook Jezus ging dan naar Jeruzalem (Johannes 7:1-3, 10, 37).

In onze avondmaalsviering, geïnspireerd door het laatste avondmaal dat Christus met zijn discipelen vierde, leeft één en ander van het Joodse Pesach voort (sommigen kerken gebruiken daarom geen gewoon brood, maar mazzot). Maar het is goed te beseffen dat Christus’ avondmaalsviering meer dan een Pesachmaal was.

Zijn woorden: ‘Dit is mijn bloed, het bloed van het nieuwe verbond dat voor velen vergoten wordt’ verwijzen niet alleen naar het bloed van het lam dat, op de deurposten gestreken, de doodsengel weerhield. Het zijn de woorden die Mozes in Exodus 24:8 spreekt, als het verbond tussen God en Israël gesloten wordt. Mozes en de oudsten van het volk ontmoeten God, ‘zij zagen de God van Israël (…) en zij aten en dronken (met Hem)’. Mozes spreekt deze woorden als hij het volk met de helft van het bloed van de offerdieren besprenkelt: ‘Met dit bloed wordt het verbond bekrachtigd dat de Heer met u heeft gesloten.’ De andere helft giet hij op het altaar, voor God als verbondspartner.

In Christus gaan verlossing en verbond samen, aangevuld met het toekomstperspectief van de christelijke hoop: wij zullen samen met hem ‘de wijn opnieuw drinken in het koninkrijk van zijn Vader’ (Matteüs 26:29).

K.R. Veenhof

Meest gelezen

Gods blik op migratie

Gods blik op migratie

Koert van Bekkum
  • Column

En weer was er gedoe in Ter Apel. Houdt het dan nooit op? Nee, zolang de volken woeden – elders door oorlog en uitzichtloosheid, of hier met verzet tegen asiel als electoraal verdienmodel – zijn we er niet vanaf. Gelukkig beschikken Bijbellezers in Genesis 10 over een breder perspectief op geopolitieke verschuivingen en migratie. Deze ‘volkerentafel’ vertelt over de afstammelingen van Noachs zonen, Sem, Cham en Jafet. Nu is Genesis 10 vaak gebruikt voor een nogal statisch beeld van landen en volken. God lijkt ieder volk immers een vaste plek te geven. En inderdaad biedt het geslachtsregister een soort wereldkaart. Maar de tekst doet meer, er zit beweging in.

Lees artikel
Begin van Genesis – geschiedenis?

Begin van Genesis – geschiedenis?

Mark Janssens
  • Opinie

Ik geloof dat het begin van de Bijbel fundamenteel is. Niet voor niets opent de Bijbel met deze hoofdstukken. Is het begin van de Bijbel geschiedenis in onze westerse zin verstaan? Dat is de vraag in het artikel van collega Ulbe van der Meer (‘De slang heeft niet gesproken’, Onderweg, mei 2026) en de reacties daarop in het nummer van juli 2026. Waarbij geschiedenis vooral betrekking heeft op feiten en concrete gebeurtenissen. Dan kun je aan de ene kant of aan de andere kant uitkomen, al dan niet met voorzichtigheid en nuances. 

Lees artikel
Predikantsprofiel: Bob Wielenga

Predikantsprofiel: Bob Wielenga

Jan Mudde
  • Kerkelijk leven
  • Predikantsprofiel

De afstand tussen Bob Wielenga en mij bedraagt ongeveer 9.300 km als we met elkaar beeldbellen via de smartphone van zijn vrouw Geertje. Vanaf 1980 woont en werkt Bob namelijk in Zuid-Afrika als zendeling, predikant en theoloog – Bob is tweemaal gepromoveerd aan de Universiteit van Zuid-Afrika te Pretoria. Sinds 2002 is hij met emeritaat, maar tot voor kort schreef en publiceerde hij volop. Momenteel is hij nog als docent verbonden aan het KwaZulu-Natal Missionary and Bible College. We hebben een gesprek waarin het woord ‘afstand’ de rode draad is.

Lees artikel
De mythe van de schuldige omstander?

De mythe van de schuldige omstander?

Louren Blijdorp
  • Boekbespreking

De Breepleinkerk in Rotterdam siert de cover van het indrukwekkende boek van Geert Hovingh. In die kerk verborgen de latere Kamper ethicus dr. Gerrit Brillenburg Wurth en zijn vrouw Gerda van Leeuwen samen met kostersechtpaar Jacobus en Annigje de Mars-Ouwens, 34 maanden lang zeven joodse onderduikers. Een van hen werd geboren tijdens de onderduik, in de kosterswoning. Het is een van de bijna onuitputtelijke hoeveelheid verhalen die Hovingh op tafel heeft gelegd.

Lees artikel

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief