De vrouw uit de stad Gat

0

Veel aandacht geef ik meestal niet aan de opschriften boven de psalmen. Ze zijn er later boven gezet door de mensen die het psalmenboek samengesteld hebben. Het valt niet altijd meer te achterhalen wat de samenstellers met hun aanwijzingen bedoeld hebben. Ze bevatten soms muzikale notities voor de dirigenten van de tempelkoren. De psalmen werden gezongen in de tempel, zoals wij dat vandaag, op eigen wijze, nog doen in onze kerkdiensten.

Boven Psalm 8 staat in de Bijbel in Gewone Taal (BGT): ‘Van David. Voor de zangleider. Op de wijs van het lied “De vrouw uit de stad Gat”.’ De NBV heeft: ‘De Gattitische’. In de Psalmen 81 en 84 hebben ook Levieten van deze melodie gebruikgemaakt.

In de NBG (1951) komt de vrouw uit Gat nog niet voor. Daar wordt de Hebreeuwse term weergegeven met ‘Op de Gittith’. Dan zou het om een muziekinstrument gaan, de citer bijvoorbeeld, zoals die in de Filistijnse stad Gat gemaakt werd. Zoals wij een Stradivarius kennen, zo had je destijds een Gittith. Zeker weten doen de geleerden dit overigens niet. Vandaar dat de BGT en de NBV met de vrouw uit Gat komen.

Ik weet niet waarop dat gebaseerd is. Maar het is een veel boeiender optie. Het roept allerlei associaties op, die weer eens een wat ander licht op de betreffende psalmen werpen. Natuurlijk kom ik niet verder dan speculeren, maar binnen Bijbelse begrenzingen moet dat mogen en kunnen.

Als de Gittith een citer is, dan zou David, muzikant als hij was, hem in Gat, waar hij meer dan een jaar gewoond heeft (1 Samuël 27), hebben aangeschaft. De tempelmuzikanten zouden via David met deze citer vertrouwd zijn geraakt. Het gaat dan om technische informatie voor insiders. Als ik moet kiezen tussen een vrouw of een muziekinstrument, dan is de keuze niet zo moeilijk.

De vrouw uit Gat

Ik neem aan dat het om een lied gaat dat in Israël bekend moet zijn geweest. Als dat zo is, welke overwegingen komen dan bovendrijven?

Was de vrouw uit Gat een Filistijnse met een bedenkelijke moraal? Van Simson weten we dat hij bij voorkeur viel voor zulke Filistijnse vrouwen. Maar het lijkt me moeilijk voorstelbaar dat de wijs van zo’n lied geschikt geacht werd voor de verheven psalmen die erop gedicht werden. Of stond zij misschien als een stedemaagd voor de stad Gat? We kennen de uitdrukking ‘de dochter van Sion’, oftewel Sion. De vrouw uit Gat was Gat! Het is heel goed mogelijk aan de stad te denken, die dan bezongen of misschien zelfs bespot werd.

De stad Gat riep allerlei herinneringen op onder Israël, en dat zeker bij David. Daar kwam Goliath vandaan, de reus met zijn titanische arrogantie die in het stof beet voor de jonge David, de door God aangewezen opvolger van Saul. David zocht tot twee keer toe in wanhoop zijn heil bij de koning van Gat om aan Saul te ontsnappen (1 Samuël 21 en 27). In de tijd van de Rechters bracht de ark van het verbond er nog eens een nacht door, op weg terug van Filistea naar Israël (1 Samuël 5-6). In de naburige stad Asdod had God de Filistijnse afgod Dagon vernederd door zijn beeld in stukken voor de ark te laten neervallen.

Aan Gat had Israël, maar vooral David, gemengde herinneringen. Het zou dus best kunnen dat in dit lied over ‘de vrouw uit de stad Gat’ de Filistijnen er slecht vanaf kwamen. Tegelijk wil ik graag aannemen dat de naam van Israëls God erin geprezen werd. De inhoud van de psalmen die op deze wijs gezongen werden, geven daartoe aanleiding. Dat wil ik aan de hand van Psalm 8 laten zien.

Psalm 8

In deze Psalm wordt aan de ene kant niet hoog opgegeven van de mens. En ik denk, zegt de dichter (vers 5): ‘Een mens is niet belangrijk, hij is maar klein’ (BGT). ‘Een mens is maar een sterveling; waarom zou God naar hem omzien?’ (NBV). In de opvolgpsalm 9 lezen we (verzen 20-21): ‘Sta op Heer, laat de macht niet aan mensen. Jaag ze angst aan, Heer, zij moeten weten dat ze mensen zijn’ (NBV).

Goliath heeft het geweten, en de Filistijnen ook. Met de God van Israël valt niet te spotten: zijn naam is machtig op heel de aarde (Psalm 8:2, 10). Alle reden om in Sion God te prijzen, en niet Dagon in Gat (Psalm 9:12; 81:2-3; 84:2-3).

Maar ook David heeft in Gat zijn menselijke kleinheid ervaren. Hij wist daar zijn leven slechts te redden door zich te gedragen als een imbeciel met een slappe, kwijlende mond (1 Samuël 21). Waarom zou God naar zo’n mens, deze zwakgelovige bedrieger, omzien, die bij het minste en geringste al zijn vertrouwen in God verloor? Toch deed God dat wel, belijdt David in de psalmen 34 en 56. Hij werd ‘bijna goddelijk’ gemaakt als koning van Israël, bekroond met glans en glorie. En de Gatieten? Voor hen was er geen andere toekomst dan die van Goliath, een monster van een man naar lichaam en geest, die net als zijn god Dagon ter aarde neerviel.

Nee, God laat de macht niet aan mensen, tenzij Hij hen verhoogt tot haast goddelijke status. Mensen die met Christus zijn gestorven, zijn ook met Hem opgestaan. Glans en glorie zijn al hun deel!

Delen.

Over de auteur

Ds. Bob Wielenga is emeritus predikant van de NGK Kampen en woonachtig in Zuid-Afrika.

Reacties zijn gesloten.