Gods verhaal heeft nooit zonder de gemarginaliseerden gekund

0

Iedereen praat tegenwoordig over gender. Transgender, genderneutraal, gender queer, genderidentiteit, genderexpressie, LHBTQIAP+… Is dat niet veel te verwarrend? Ik denk dat het wel meevalt. Sterker nog, ik hoop dat we het nog meer over gender gaan hebben. Want het is nodig. Zwijgen over genderdiversiteit en seksualiteit werkt verwarrend en isolerend.

Ik had de beste jeugd. De liefste ouders en de liefste zussen. Ik groeide op in het dorpje Zalk, tussen de kippen en de konijnen. De kerk stond pal naast ons huis; God was letterlijk onze buurman en mijn vader mocht wekelijks voorgaan in zijn huis. De wereld was mooi, ze rook naar koeienmest en reikte niet verder dan de IJssel.

Ik werd ouder en mijn drie zussen kregen verkeringen die aan en uit gingen. We bespraken dat uitgebreid. Ik herinner me dat weleens tegen mij werd gezegd: ‘Nou Frans, met al die zussen zul jij straks wel precies weten hoe je met een meisje moet omgaan.’

Mijn vader was absoluut niet een dominee die een donderpreek hield over dat homo’s naar de hel zouden gaan. Maar er werd in de kerken van mijn jeugd ook nooit een positief woord over homo’s gesproken. Homoseksualiteit was iets vaags, iets wat ging over andere mensen, die in het ergste geval vies en raar en in het beste geval een beetje zielig waren. Het woord ‘homo’ viel vooral als scheldwoord, uit de mond van mijn vrienden op school of de jongens in mijn voetbalteam.

‘Als je van een mens een monster wilt maken, moet je diegene elke kans ontnemen om zichzelf ergens weerspiegeld te zien’, zei Junot Díaz. Ik voelde mij het monster waar Díaz het over heeft. Nergens zag ik een spiegelbeeld van mezelf.

Hengelen

Toen ik op mijn twintigste definitief uit de kast kwam naar mijn ouders, stelde ik ze gerust door te zeggen: ‘Maak je geen zorgen, ik zal me vanaf nu niet opeens heel anders gaan gedragen en ik zal niet met zo’n rare, overdreven homo thuiskomen hoor.’ Alsof ik wilde zeggen: ik ben zelf de ‘betere’ (lees: meest normale) homo en ik kijk nog steeds net als de rest van de maatschappij neer op de ‘mindere’ (lees: van de norm afwijkende) homo’s. Ik wist toen niet wat ik nu weet: dat ik krampachtig mijn best aan het doen was om alle beetjes acceptatie binnen te hengelen die ik kon krijgen. Zelfs als ik daarvoor andere homo’s naar beneden moest halen. Ik hoor het nog steeds weleens: ‘Oh, maar jij valt gelukkig wel mee, jij bent niet zo’n overdreven homo.’

Ik voelde mij een monster;
nergens zag ik een spiegelbeeld van mezelf

Nederland prijst zichzelf graag voor haar vooruitstrevende, tolerante cultuur. Maar als homo moet je dus wel meevallen wil je geaccepteerd worden. Val je niet mee, dan word je in het beste geval getolereerd, in het slechtste geval in elkaar getrapt en bespuugd. Meevallen betekent in veel gevallen simpelweg: onzichtbaar zijn. Als mensen aan mij kunnen zien dat ik homo ben, dan doe ik iets fout.

Niet blozen

Heteroseksualiteit wordt als normaal gezien. Dat wordt een probleem als normaal tot norm wordt verheven, want dat maakt van de homo de ander. Wil je als homo integreren in heteroland, dan moet je ‘normaal doen’, je aanpassen, de taal leren, je de cultuur eigen maken, lopen als een hetero, om homo’s lachen als een hetero, kortom: jezelf afbreken en onzichtbaar maken. Dit wordt ook wel heteronormativiteit genoemd.

Een ander voorbeeld is de aanname dat iemand hetero is totdat diegene uit de kast komt als lesbisch, homo, bi of een andere geaardheid. Vaak genoeg heb ik de paniek ervaren als iemand mij vroeg of er leuke meisjes in mijn kerk zaten. Niemand hield er rekening mee dat ik eventueel niet in vrouwen geïnteresseerd zou zijn. Kennelijk was dat niet de bedoeling. ‘Niet blozen, Frans, niet rood worden!’ Steeds groter groeide dan dat monsterlijke zelfbeeld, met alle depressieve gevolgen van dien.

Suïcidale gedachten zijn mij gelukkig bespaard gebleven, maar komen onder tieners die LHBT+ zijn (lesbisch, homo, biseksueel, transgender en meer) vijf keer zo vaak voor als onder heteroseksuele tieners.

Reizigers

Het is belangrijk om een schijnwerper te richten op vanzelfsprekendheden, want in het duister kunnen die vanzelfsprekendheden plekken worden waar mensen zich akelig eenzaam voelen. Doordat ik een schijnwerper op heteronormativiteit zette, besefte ik dat het niet normaal is dat ik in de drie verschillende kerken in mijn jeugd niet één andere openlijke homo ben tegengekomen.

Door een schijnwerper op heteronormativiteit te zetten, geven we tieners de kans om in het licht, in alle openheid en veiligheid, vragen te stellen over hun seksuele geaardheid en genderidentiteit. Zonder schaamte, zonder angst. Doen we dit niet – en we doen dit vooralsnog te vaak niet – dan dwingen we LHBT+-tieners om zich deze vragen in alle eenzaamheid te stellen. Dát is pas verwarrend. Die eenzaamheid heb ik ervaren en gun ik niemand.

Te vaak moeten LHBT+-tieners in eenzaamheid worstelen met de vragen die ze hebben. (beeld Warren Wong/Unsplash)

Te vaak moeten LHBT+-tieners in eenzaamheid worstelen met de vragen die ze hebben. (beeld Warren Wong/Unsplash)

Voor velen van ons was het heel vanzelfsprekend dat de NS haar reizigers aansprak met ‘dames en heren’, dat de HEMA haar kleding verkocht aan ‘jongens en meisjes’ en dat je als vrouw toch vooral zelf verantwoordelijk was als mannen je ongewenst betastten of nog erger (‘je had ook wel een erg kort rokje aan’).

In de afgelopen jaren is op dergelijke situaties steeds vaker de schijnwerper gericht. Het zet mensen die zich niet als dame of heer identificeren in het licht en erkent hun bestaan – eindelijk. Het geeft jongens die ook weleens een jurkje willen aantrekken en meisjes die ook weleens een stoer shirt aan willen de ruimte om zichzelf te ontdekken. De #metoo-campagne gaf vrouwen een stem en bracht veel pijn aan het licht. Het deed de slachtoffers beseffen dat ze niet alleen waren. En het maakte duidelijk dat victim blaming (de schuld bij het slachtoffer leggen) nooit iets zal veranderen aan een samenleving.

Muntthee

In deze gesprekken wordt vaak het woord ‘gender’ gebruikt. Gender is de sociaal-culturele tegenhanger van geslacht. Geslacht is biologisch: de meeste mensen hebben het lichaam van een man of het lichaam van een vrouw, en sommige mensen leven met een intersekse conditie. Dat betekent dat zij zowel mannelijke als vrouwelijke lichamelijke kenmerken hebben. Met die conditie kun je prima leven, het wordt pas ‘abnormaal’ als de maatschappij het abnormaal vindt. De maatschappelijke norm dat je het één of het ander moet zijn, maakt het intersekse personen moeilijk. Voor de duidelijkheid: in Nederland leven naar schatting 85.000 mensen met een intersekse conditie.

Gender is niet zozeer lichamelijk, maar gaat om innerlijke identiteit en uiterlijke expressie: mensen voelen zich van binnen man of vrouw, of allebei, of geen van beiden, of iets daartussen, en uiten zich eventueel zodanig. Onze cultuur geeft de termen man en vrouw veel lading. Als man wordt er van je verwacht dat je stoer, ambitieus en sterk bent. Een echte vrouw houdt van muntthee en shoppen en valt op mannen. Er zijn genoeg mensen die deze genderhokjes te beklemmend vinden. Zij willen meer ruimte creëren.

Baarmoeder

In mijn beleving bestaan de hokjes man en vrouw hooguit omdat culturen ze verzinnen. Maar die hokjes houden het zo lekker overzichtelijk, hoor ik van mensen die er zelf geen hinder van ondervinden. Volgens mij schiep God geen hokjes. De Bijbel lijkt soms bijna raadselachtig over gender te spreken. God schiep de mens naar zijn evenbeeld, mannelijk én vrouwelijk. Hoe androgyn is deze mens? Eva werd immers uit Adams rib geschapen. En Adam riep vervolgens uit: ‘Eindelijk één gelijk aan mij.’

Die eenzaamheid heb ik ervaren en gun ik niemand

Genesis doet mij inzien dat gender op zijn minst veel complexer en spannender is dan we vaak denken. Later schrijft Paulus dat in Christus man noch vrouw is. Bovendien zijn wij allemaal Gods bruid. En God zelf? Een Facebookvriend van mij omschreef het treffend: ‘Wij noemen haar Vader, maar zie: Hij is barmhartig, rahmat, dat wil zeggen: Hij heeft een baarmoeder (r-h-m in het Arabisch, het Hebreeuws en het Aramees).’

Mysterie

Ik wil nog één schijnwerper aanzetten. Er is ook sprake van heteronormativiteit als kerken zeggen, zoals bevrijdingstheoloog Janneke Stegeman het verwoordt: ‘Wij zijn de kerk en wij zetten de deur open voor homo’s en transgenders, jullie mogen er ook bij!’ ‘Nee’, zegt Stegeman, en ik zeg het met haar mee, ‘de kerk is dáár, bij de homo’s en de transgender mensen. Wij moeten dáár zijn. Als je er al te comfortabel zit, dan zit je waarschijnlijk niet in de kerk.’

Jezus zat niet tussen de farizeeërs en Schriftgeleerden in de tempel te wachten tot de minderheden naar Hem toe kwamen. Hij deed het tegenovergestelde: Hij zocht de mensen in de marge op en plaatste hen in het middelpunt. Hij at bij een tollenaar op wie de hele samenleving neerkeek, hij noemde de barmhartige Samaritaan – de buitenlander – zijn naaste en hij knoopte een gesprek aan met de Samaritaanse vrouw bij de put. Gods verhaal heeft nooit zonder de gemarginaliseerden gekund, of het nu om de sekswerker Rachab ging, de buitenlandse weduwe Ruth of de kleine David tegen Goliat.

Een geloofsgemeenschap zou wat mij betreft bij uitstek de plek moeten zijn waar we een hoofdrol geven aan hen die langs de zijlijn staan. Waar we niet conserveren, ordenen en in hokjes denken, maar ons verwonderen over de realiteit die ons verstand te boven gaat. Waar we God niet opsluiten in een hedendaags beeld van een heteroseksuele – bij voorkeur witte – vader, maar waar we altijd blijven zoeken naar God in al diens mysterie en ongrijpbaarheid. Waar we wat mij betreft geen hekken zetten om geloof, hoop en liefde, maar deze, en vooral de liefde, in alle vrijheid vieren en niet verbieden. Waar we ons niet groeperen rondom de heersende norm, maar ons bewegen in de marges, omdat we daar Jezus vinden.

Niets mooiers dan mensen in OnderWeg een stem geven. Zeker als ze met meer gezag of beter gearticuleerd stem geven aan wat ik ook denk. Maar stem geven aan iemand die iets anders zegt dan ik, dat is anders. Toch zou het vreemd geweest zijn als artikelen van Hans Schaeffer en mij de interviews over gender hadden geflankeerd. Dat zou wel heel veilig zijn geweest. Voor mij.

Frans Blokhuis pakte de handschoen op die ik hem aanreikte. Eigenlijk is het iets waar je over in gesprek moet zijn, zei hij. Ja, dat klopt. De ervaring van Frans, die uitloopt in waar hij nu staat, vraagt dus om beluisterd te worden, ook als je wellicht vervreemding ervaart. Niet meteen ja-maren, maar doorvragen, verder luisteren. Even de macht uit handen durven geven. Die was sinds Hemelvaart toch al bij Jezus. En dat laatste zeg ik niet lichtvaardig.

Pieter Kleingeld

Delen.

Over de auteur

Frans Blokhuis doet de master genderstudies aan de Universiteit Utrecht en is betrokken bij diverse christelijke LHBTI-belangenorganisaties.

Laat een reactie achter