Flexibel, mobiel en bovenal authentiek

0

Sijtze de Bruine, voormalig voorzitter van de predikantenvereniging van de GKv, en Ruurd Kooistra, bureaumanager en adviseur van het Steunpunt Kerkenwerk, kennen elkaar goed en hebben een gezamenlijk doel: goede arbeidsomstandigheden voor predikanten. Ruurd als ondersteuner van de ‘werkgevers’ (NGK- en GKv-gemeenten) en Sijtze als voormalig ‘vakbondsleider’. Hoe zien zij de positie van de predikant in deze tijd? Wat zijn de knelpunten en hoe kan het beter?

Sijtze de Bruine was vijf jaar voorzitter van de predikantenvereniging van de GKv. Hij is predikant in Balkbrug en generaal deputaat predikantszaken. Verder denkt hij mee in de nieuwe werkgroep Beweging in Rechtspositie Dominees (BIRD).
Ruurd Kooistra is zo’n tien jaar bureaumanager en adviseur bij Steunpunt Kerkenwerk. Hij werkt voornamelijk met kwesties en conflicten waarin financiële regelingen getroffen moeten worden en is voorzitter van de werkgroep BIRD.

Hebben predikanten nog een duidelijke positie en rol in de kerken? Ruurd Kooistra en Sijtze de Bruine vinden van wel. Predikanten moeten vrij kunnen spreken vanuit Gods Woord en, geleid door God, onafhankelijk kunnen handelen. Tegelijk leven er in hun gemeenten tal van verwachtingen over hun functioneren, en dat leidt niet zelden tot problemen.

Ruurd: ‘Zeker voor startende predikanten is het managen van al die verwachtingen ontzettend moeilijk. Gemeenten moeten goed beseffen hoe belangrijk een positieve communicatieflow is. Als verwachtingen onvoldoende uitgesproken worden en een predikant weinig ruggensteun vanuit een begeleidingscommissie krijgt, zit hij al gauw in het nauw.’

Sijtze de Bruine: 'Het zou mooi zijn als we door middel van landelijke structuren beter zicht krijgen op de inzetbaarheid van predikanten.' (beeld Geranne Tamminga)

Sijtze de Bruine: ‘Het zou mooi zijn als we door middel van landelijke structuren beter zicht krijgen op de inzetbaarheid van predikanten.’ (beeld Geranne Tamminga)

Sijtze: ‘Mee eens. Kerkenraden zijn vaak niet goed in staat om op een professionele manier het functioneren van de predikant te bespreken. Zeker ook omdat diezelfde predikant de (enige) professional in hun midden is en op verschillende fronten leidinggeeft. Daarom ben ik van mening dat predikanten bij de start van hun werk in een gemeente een begeleidingscommissie moeten eisen, bij voorkeur bestaande uit enkele gemeenteleden en een externe professional.’

Uitgeleend

Volgens Ruurd en Sijtze vraagt deze tijd om flexibiliteit van zowel de predikant als de gemeente. In een veilige setting moet het mogelijk zijn om elkaars kwaliteiten te benoemen. Dit kan voor een predikant betekenen dat hij kiest voor een andere focus in zijn werk, (deels) in een buurtgemeente aan de slag gaat, of zijn ambt zelfs neerlegt en overstapt naar een andere baan.

Sijtze: ‘Het zorgt vaak voor lucht in de relatie met de gemeente als een predikant (voor een deel van zijn taken) “uitgeleend” wordt aan een andere gemeente. Ook al lost dit niet altijd alles op. Sowieso is het niet meer van deze tijd dat een predikant tot zijn pensioen verzekerd is van een baan en een inkomen.’

Ruurd: ‘Een predikant die volledig afhankelijk is van één lokale kerkenraad is te kwetsbaar. Het zou goed zijn als er op landelijk niveau meer verbindingen ontstaan. Op veel plekken wordt hierover nagedacht, onder meer in het nieuwe overlegorgaan Beweging in Rechtspositie Dominees.’

Sijtze: ‘Als predikanten op regionaal niveau meer gaan samenwerken, kunnen collega’s die dat nodig hebben (tijdelijk) hulp of meer ruimte krijgen. Zeker onder oudere predikanten is het niet gebruikelijk om problemen met elkaar te bespreken. Op classisvergaderingen wordt de kerkelijke agenda afgehandeld, maar voor vertrouwelijke gesprekken is te weinig ruimte.’

‘Predikanten moeten bij de start in een gemeente
een begeleidingscommissie eisen’

Ruurd en Sijtze hebben in hun werk vaak te maken gehad met predikanten in conflictsituaties, maar ze benadrukken dat het op veel plekken goed, of weer goed, gaat. ‘We horen enthousiaste verhalen van gemeenten en predikanten. Ruim 100 van de 260 GKv-predikanten hebben in de afgelopen vijf jaar een nieuwe gemeente gevonden. 40 predikanten gaan binnen een paar jaar met emeritaat, maar er zijn gelukkig ook weer nieuwe kandidaten. Slechts van enkele predikanten weten we dat zij wensen niet langer verbonden te zijn aan een bepaalde gemeente.’

Concrete gevallen kunnen Ruurd en Sytze vanwege de gevoeligheid niet bespreken, daarom noemen ze een aantal potentiële conflictsituaties. Sijtze: ‘Er zijn in de GKv zo’n twintig tot dertig “stil leed”-predikanten, zoals Ruurd ze noemt. Die predikanten zijn niet meer op hun plek in een bepaalde gemeente, maar hebben na vijftien tot twintig jaar nog geen beroep ontvangen.’

Ruurd: ‘Een deel van deze predikanten heeft de neiging om in een negatieve spiraal terecht te komen. Als er dan weinig begeleiding en openheid van zaken is, ontstaat er gemakkelijk een sfeer waarin de gemeente en de predikant elkaar gedogen. Het is moeilijk om dan nog te bouwen aan de gemeente van Christus. En door deze negativiteit is het voor de betreffende predikanten ook heel lastig om weer in beeld te komen bij andere gemeenten.’

Ruurd Kooistra: 'Het zou goed zijn als er op landelijk niveau meer verbindingen ontstaan.' (beeld Geranne Tamminga)

Ruurd Kooistra: ‘Het zou goed zijn als er op landelijk niveau meer verbindingen ontstaan.’ (beeld Geranne Tamminga)

Situaties kunnen ook escaleren als predikant en gemeente elkaars karakter en cultuur niet (langer) begrijpen of verdragen. Ruurd: ‘Gemeenten kunnen in tien jaar tijd volledig van cultuur veranderen, door instroom van buitenaf of door nieuwe generaties. Terwijl de predikant in al die jaren weinig veranderd is. We hebben weleens dominees gesproken die jarenlang predikant waren en in hun laatste gemeente te horen kregen “helemaal niet geschikt als dominee” te zijn. Of het waar was of niet: dat soort onaangename verrassingen zijn er. Veel kerken zijn in de afgelopen tien jaar ontzettend veranderd, onder meer wat betreft de discussies rond de tweede kerkdienst, man/vrouw en het samengaan van de NGK en de GKv.’

Sijtze: ‘Ik denk dat het goed is dat predikanten na vijf tot zeven jaar het gesprek met hun kerkenraad aangaan over hun positie. Ben ik hier nog op mijn plek? Zijn we de juiste wegen ingeslagen? Kerkenraden kunnen heel snel van samenstelling veranderen. Wat je vijf jaar geleden afgesproken hebt met de kerkenraad van toen, wordt misschien niet meer gedeeld door de huidige kerkenraad.’

Verwarring

Predikanten zijn vrijeberoepsbeoefenaars. Kerkenraadsleden kunnen niet tot in detail bepalen wat een predikant wel of niet mag doen. Ruurd: ‘Als Steunpunt Kerkenwerk hebben we weleens met conflicten te maken gekregen waarin een kerkenraad, hoofdzakelijk bestaande uit ondernemers, van alles eiste van een predikant. Er bestond veel verwarring over de verantwoordelijkheden van predikant en kerkenraad. Het is goed om te onderkennen dat predikanten door hun ambt een bijzondere positie hebben.’

Sijtze: ‘Het zou helpen als predikanten (deels) in landelijke dienst komen. Dan voelt de lokale kerkenraad zich minder de werkgever en kunnen predikanten makkelijker diensten verlenen in buurgemeenten. Geen enkele predikant is het schaap met vijf poten. Door dit te erkennen en meer regionale en landelijke regelingen te treffen, kunnen predikanten en gemeenten elkaar beter van dienst zijn.’

Managers

Steeds vaker wordt gezegd dat predikanten anno 2018 managers zijn geworden. Zeker in sommige grotere gemeenten zetten predikanten voornamelijk de lijnen uit en wordt het uitvoerende werk, op kleinere schaal, door gemeenteleden gedaan.

Sijtze: ‘Ik weet van predikanten die een kantoor hebben in het kerkgebouw en van daaruit voornamelijk besturen. Verder nemen zij alleen nog preekbeurten, crisispastoraat en de belijdeniscatechisantengroep voor hun rekening. Op die manier heb je al snel te weinig feeling met de gemeente.’

‘Je vraagt je soms af of in onze kerken niet te veel
een Joop-van-den- Endecultuur heerst’

Ruurd: ‘Dat ben ik met je eens. Het idee van een predikant als manager staat ver af van de visie dat een predikant het beste actief kan zijn als prediker, pastor en catecheet. Ik vind dat een risico.’

Sijtze: ‘Ergens is een predikant ook wel een moderne manager: je moet goed kunnen communiceren en een netwerk kunnen opbouwen.’

Ruurd: ‘Maar daarin moet de predikant degene zijn die het voorbeeld geeft. Een dominee die een goede, inhoudelijke avond voor kringleiders kan houden, maar door het jaar heen nooit contact heeft met de kringleiders of bij een kring op bezoek gaat, legt geen verbinding en laat zichzelf niet zien. Terwijl je met dat soort zichtbaarheid al heel snel credits opbouwt in een gemeente.’

Toegerust

Volgens Ruurd is het belangrijk dat een predikant honderd procent authentiek is. ‘In mijn werk hoor ik dat vaak terug. Een voorbeeld van een authentieke predikant is een predikant die meer dan twintig jaar in één gemeente werkte vanuit de basis prediking, pastoraat en catechese. Goed in het onderhouden van contacten, open, sociaal. Echt iemand met oog voor zijn gemeente.’

Sijtze: ‘Ik zie het woord “authentiek” in heel veel beroepingsprofielen terugkomen, maar eigenlijk vind ik het vanzelfsprekend dat je als predikant authentiek bent. Je hebt een publiek ambt, dan lijkt het me logisch dat je dat in je hebt. Eén van de basisvaardigheden is communiceren en verbinding leggen met mensen.’

De vraag is wel hoe goed predikanten toegerust zijn voor die communicatieve kant van hun werk. Sijtze: ‘Zelf ben ik een nog relatief jonge dominee, een zijinstromer, dus ik kan er niet veel over zeggen. Maar ik denk dat veel collega’s van mijn leeftijd niet goed toegerust zijn. Laatst hoorde ik een collega zeggen: “Wij werden geroepen om theologie te bedrijven, maar hadden niet geleerd om mens te zijn onder de mensen. Dat moest je al werkende maar leren.” Vroeger stond je als predikant op een schild en kon je je een hoop veroorloven. Een groot deel van wat in de kerk gebeurde, draaide om jou, om wat jij zei. Daar kun je vandaag de dag niet meer mee aankomen.’

Zwakste factor

Steeds vaker kiezen gemeenten ervoor om een nieuwe predikant via een sollicitatieprocedure aan de gemeente voor te stellen. Het is belangrijk dat kerken die hiervoor kiezen duidelijke spelregels opstellen, zodat de wederzijdse verwachtingen helder zijn en de privacy van de sollicitanten gewaarborgd blijft, stellen Ruurd en Sijtze. Het is vervelend als een predikant niet beroepen wordt, maar de huidige gemeente wel weet dat hun predikant wil vertrekken.

Ruurd: ‘Onveiligheid zit ook in het feit dat een predikant verbonden is aan één plaatselijke gemeente, en dat die kerkenraad in theorie beslist over de loopbaan. Zodra een kerkenraad weet dat zijn dominee zich oriënteert op andere plekken of zich onder collega’s beweegt om bepaalde stappen te zetten, kan dat heel makkelijk tegen hem gebruikt worden.’

Sijtze: ‘De dominee is de zwakste factor in het beroepingswerk, zeker bij beroepingsprocedures waarin een vacature bekendgemaakt wordt via de krant. Als het niet goed gaat in de procedure is de predikant uiteindelijk het aangeschoten wild. Zoiets heeft veel impact op een predikant, maar ook op zijn gezin. En als beroepingsprocedures mislukken, heeft dat natuurlijk ook zijn weerslag op het enthousiasme van een beroepingscommissie en de sfeer in een gemeente.’

Ruurd: ‘In het beroepingswerk is duidelijke communicatie van levensbelang. Wij helpen kerken die een vacature willen uitzetten. Het is belangrijk dat zij duidelijke spelregels hanteren en de kandidaten van tevoren goed informeren over de procedure. Ook is het goed om in een beroepingstraject duidelijke verwachtingen naar elkaar en de gemeente uit te spreken. Daarmee voorkom je dat een predikant te veel bezig is met het managen van verwachtingen.’

Inzetbaarheid

Ruurd: ‘Sommige predikanten hebben geen enkel probleem met hun mobiliteit. Die zijn blijkbaar in staat goed aan verwachtingen te voldoen. Daarbij vraag je je soms wel af of in onze kerken niet te veel een Joop-van-den-Endecultuur heerst. Zijn de vaardigheden die het meest in het oog springen ook de vaardigheden die kerken lokaal het meeste nodig hebben? Ook denken veel gemeenten dat een jonge predikant van nature beter zicht heeft op jongeren in de gemeente. Maar sommige predikanten van 60 kunnen beter omgaan met jongeren dan collega’s van 40.

Het zou mooi zijn als we door middel van landelijke structuren beter zicht krijgen op de inzetbaarheid van predikanten. Het is zonde als predikanten vastlopen of helemaal niet aan het werk komen. Dat geldt zeker voor kandidaten, die soms lange tijd moeten wachten op een beroep nadat ze het hele traject van studie en stages doorlopen hebben. De wens om in Gods kerk aan het werk te gaan is groot en er zijn genoeg gemeenten waar werk op hen ligt te wachten.’

Delen.

Over de auteur

Geranne Tamminga werkt bij het Praktijkcentrum en het Steunpunt Liturgie en is redacteur van OnderWeg.

Laat een reactie achter