Vijf zomerse teksten om onderweg op te kauwen

0

En hij ging op weg zonder te weten waarheen.
(Hebreeën 11:8; lees ook Genesis 11:26-12:6)

Zonder plannen vertrekken, gewoon maar zo’n beetje je neus achterna. De één moet er niet aan denken, de ander doet niets liever. Voor een paar weken vakantie kunnen we ons zo’n manier van doen nog wel permitteren. Een enkeling misschien zelfs voor een wereldreis van een jaar of zo. Maar om zo je hele leven in te richten… Alles achterlaten, nooit weer terugkomen, emigreren zonder te weten waarheen, wie begint daar nu aan? Leven op de bonnefooi is heel wat anders dan vakantie houden op de bonnefooi.

(beeld Pexels/Pixabay)

(beeld Pexels/Pixabay)

Hoewel, dat hangt er maar van af hoe je dat begrip vertaalt. Als: op goed geluk? Of kijk je naar de grondbetekenis van de Franse uitdrukking à la bonne foi: in goed (geloofs)vertrouwen?

Het heeft de Hebreeënbriefschrijver gefascineerd. En hij voert het aan als bewijs van Abrahams geloofsovergave aan God: hij hoort en gehoorzaamt, zonder te weten waar hij komen zou. Stefanus wijst trouwens ook op de onbekendheid van die bestemming: ‘ga naar het land dat Ik je zal wijzen’ (Handelingen 7:3).

Dat zet me aan het denken: welke sporen zijn er in mijn leven te ontdekken van dit vertrouwend voortgaan, zonder te weten waarheen en hoe? Of stippel ik ‘voor de zekerheid’ liever zelf alles uit tot in detail? ‘Met gesloten ogen naar het onbekende land’, tja.


‘Heeft de regen een vader? Wie brengt de dauwdruppels voort?’
(Job 38:28)

Als rechtgeaarde Nederlander houd je er rekening mee: regenachtige vakantiedagen. De één doet dat door een gegarandeerde zonbestemming te kiezen. De ander door z’n aanhanger vol te proppen met regenpakken, laarzen en paraplu’s en spelletjes als mens-erger-je-niet ‘voor de zekerheid’. Bij regen hebben wij, kikkerlanders, meestal onaangename associaties. Dat komt vast en zeker doordat in ons zeeklimaat het aantal dagen met regen zo groot is. Er zijn genoeg landen waar de mensen juist uitkijken naar regen. Regen doet de gewassen groeien. Een verfrissende bui geeft het stoffige weer glans. Regen als aangename verrassing. Weleens meegemaakt?

Zo stelt Job zich ten diepste boven zijn maker

Hoe dat was in het land Us weten we niet. We weten niet eens waar dat land van Job gelegen heeft. Wat we wel weten, is dat Job dringend wordt uitgenodigd over een aantal vragen eens stevig na te denken. Job, zwaar beproefd, kwam er ten slotte toe zijn schepper ter verantwoording te roepen over diens beleid. Zo stelt Job zich ten diepste boven zijn maker. Dat wil God hem fijnzinnig-ironisch laten voelen, als Hij zijn schepsel Job bestookt met een oneindige reeks vragen waarin zijn scheppingskracht centraal staat. Weet Job wel met wie hij te maken heeft? De grondvester van het heelal. De vader van de regen. Degene die tegen het krieken van de morgen, als iedereen nog slaapt, het gras met parels van dauw bezaait.

Waarom zou je niet eens vroeg opstaan en op een stille wandeling door het bedauwde landschap in gesprek gaan met Hem die dit alles maakte?


‘Ben ik niet de ezelin waarop u al uw hele leven rijdt?’
(Numeri 22:30)

Ons moderne reisbeest is de auto. We proppen hem vol met mensen en spullen, laden de nodige brandstof en dan wordt hij verondersteld de nodige kilometers te vreten en ons gezond en wel af te leveren waar we willen zijn. Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend. We staan er pas bij stil als we met pech langs de weg komen te staan.

Ook in Bijbelse tijden werd er heel wat gereisd in de wereld. En wie niet wilde lopen, moest omzien naar een geschikt vervoermiddel. De ezel bleek verreweg het populairst. Een ideaal lastdier, rijdier en trekdier. Voor verre woestijnreizen gebruikte men de kameel, zoals wij bestemmingen hebben die niet anders dan per vliegtuig of schip te bereiken zijn. Maar verder over land was de ezel het vervoermiddel. Bepakt met een draagtoestel, over het zadel heen, voor de bagage of de kinderen. Of bezakt met twee aan elkaar geknoopte jutezakken. Over de meest onbegaanbare wegen, de steilste en smalste rotspaadjes: de trouwe viervoeter zet zijn beste beentje voor en brengt zijn berijder waar hij wezen wil. De ezel heeft wel de naam dom te zijn, in feite heeft hij of zij een bijzonder ontwikkeld gevoel voor wat wel en wat niet kan. Laat de eigenaar er maar heel dankbaar voor zijn en goed voor het dier zorgen. Niet voor niets geeft God de mens daar in zijn wet heel duidelijk de opdracht toe.

Bileam doet het omgekeerde. Hij mishandelt zijn ezelin en heeft er totaal geen oog voor dat zij, die hem al zijn leven lang vergezelt, hem het leven redt. Zelfs de wonderbaarlijke toelichting van de ezelin zelf haalt niets uit. Gelukkig laat God hem zien waaraan hij lijdt: blikverenging.

Dat geeft mij te denken: hoe reageer ik wanneer ik met zogenaamde ‘domme pech’ langs de kant kom te staan (letterlijk of figuurlijk)?


‘Kind, wat heb je ons aangedaan? Je vader en ik hebben met angst in het hart naar je gezocht.’
(Lucas 2:48)

Ja hoor, daar wappert hij weer: de vlag met het vraagteken. De badmeester van de vrijwillige reddingsbrigade heeft weer een huilend kind van het strand geplukt. Ik weet nog goed dat ik in dat houten huisje onder die vlag zat. Dat was geen leuk avontuur. Zeker niet toen ze zeiden: ‘Kijk, daar zijn je ouders al’, maar het waren mijn ouders helemaal niet.

Je denkt misschien: in deze moderne tijd valt het allemaal wel mee. Als je kwijt bent, roepen ze je naam even om en je wordt bij de receptie opgehaald. Maar als ik lees dat alleen al in Mexico jaarlijks twintigduizend kinderen spoorloos verdwijnen, dan slaat me de schrik om het hart. Zeker op vakantie, in een vreemde omgeving. Zee, bergen, bossen, snelwegen – er kan van alles gebeuren. ‘Ze ging nog even de stad in, zei ze, om een uur of elf zou ze weer terug zijn. Nu is het al tegen enen. Wat moeten we doen?’

Hij was niet weggelopen, Hij was juist thuísgebleven!

Ik vermoed dat de meeste ouders zich heel goed kunnen voorstellen dat moeder Maria zo uit haar slof schoot toen ze haar oudste kind na drie dagen speuren eindelijk terugvond. Op al je kinderen ben je zuinig, natuurlijk. Maar dit kind was hun toevertrouwd op zo’n bijzondere manier, God had met Hem zulke unieke plannen, op Hem moesten ze éxtra letten. En dat hadden ze niet gedaan, zo maakte Hij hun duidelijk: als ze hadden opgelet, hadden ze geweten hoezeer Hij verknocht was aan zijn echte Vader. Hij was niet weggelopen, Hij was juist thuísgebleven! Maria is het nooit meer vergeten. Het was geen leuk avontuur, maar wel leerzaam.


‘De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat.’
(Marcus 2:27)

Hoe richt je de zondag in? Natuurlijk doe je je best om minstens één kerkdienst mee te maken, ook op vakantie. Of anders een geïmproviseerde (familie)samenkomst: iedere deelnemer kiest bijvoorbeeld een gedeelte uit de Bijbel dat hem of haar heeft getroffen en vertelt erbij waarom. Je praat er even over door, zingt een bijpassend lied en met elkaar ben je benieuwd wat de volgende uitgekozen heeft. Zoiets kan heel opbouwend zijn voor je geloofsleven en voor de onderlinge band.

En verder? Is het een dag als alle andere? Op de meeste campings zul je het verschil niet merken, in de steden is alles zo’n beetje open. In hoeverre gaan we daarin mee? Lukt het ons om die ene dag bijzonder te houden? Het is duidelijk met welk doel onze schepper en bevrijder ons deze bijzondere weekdag cadeau deed: om tot rust te komen en de ruimte te krijgen om samen met Hem en met elkaar die dag te vieren. Om ervan te genieten. Dat is de uitdaging waar we elke week weer voor staan.

Wij kregen de verantwoordelijkheid om te beslissen wat daarbij past en wat niet. Je kunt je wel voorstellen dat in Israël op een gegeven moment besloten is om dat maar vast te leggen. Een sabbatsreis (Handelingen 1:12) stelden de rabbijnen vast op 2000 el, 880 meter, een klein kwartiertje lopen. Maar als ik de Heer Jezus goed begrijp, dan ben je er niet met een stel regels.

Bespreek eens met elkaar: hoe maken wij vandaag werk van de ‘sabbatsviering’?

Delen.

Over de auteur

Han Hagg is predikant van de GKv Zwolle-Zuid.

Laat een reactie achter