Wouter van Dijk over zijn worstelingen in het geloof

0

Een ondeugend Spakenburgs jongetje was hij, Wouter van Dijk. Zoon van een timmerman, geen studiebol, op z’n zestiende een motor, wilde het liefst dominee worden. Naar eigen zeggen is hij altijd al een gelovig mannetje geweest, en dat is in de loop van zijn leven alleen maar sterker geworden.

Wouter van Dijk (64) is predikant in de NGK. Hij diende de gemeenten van Hattem (1990-1997) en Wezep (1997-2012) en nu de gemeente van Kampen.

Hoe zou je jezelf omschrijven?
‘Ik ben niet zo’n gecompliceerd iemand, gewoon een mens. Een vrolijke jongen, maar ik houd ook van ernst. Ik houd van mensen, van beesten, van sporten – schaatsen, hardlopen, fietsen – maar ook van de natuur. Ik heb een open mind, houd van humor en creativiteit. En dat alles zie je ook terug in wie ik ben als predikant. Bovenal zie ik mezelf als dienaar, van God en van mensen. Dat is de rode draad in mijn werk en leven. Daarbij loop ik aan de hand van God, in het vertrouwen dat Hij erbij is. En hoe moeilijk het ook wordt, daar klamp ik me aan vast. Wat dat betreft ben ik een knokker. Een emotioneel mens ook, ik sta soms te janken op de preekstoel. Ze zijn het onderhand gewend, maar in het begin vond ik dat echt erg. Maar ach, dat is nu eenmaal wie ik ben. En dat vind ik misschien wel het belangrijkste als je predikant bent: je moet jezelf zijn en blijven. Transparant. Als je een rol gaat spelen, komt het niet goed. Als je geen hart voor mensen hebt, ook niet.’

Wouter van Dijk: ‘Heer, U heeft toch beloofd dat U er bent, kom op dan!’ (beeld Els van Dijk)

Wouter van Dijk: ‘Heer, U heeft toch beloofd dat U er bent, kom op dan!’ (beeld Els van Dijk)

Wat bedoel je daarmee?
‘De liefde voor mensen, bewogenheid met mensen, de minste willen zijn – dat is ontzettend belangrijk voor predikanten. Je krijgt soms een hoop over je heen en dan moet je je tong afbijten, nou, doe dat dan maar. Eigenlijk zit dat niet in mijn karakter. Ik ben meer van: zit niet zo te zeuren, kom op, heb je niks beters te doen. Heel direct. Dat is echt de Spakenburgse mentaliteit, wat je terugziet in meer vissersdorpen. Maar dat dienstbaar willen zijn is gelukkig wel sterker.’

Je bent uiteindelijk op 36-jarige leeftijd predikant geworden. Wat ging daaraan vooraf?
‘Ik had graag dominee willen worden, maar ik zat op de mavo; die theologiestudie was onmogelijk ver weg. Ik ben eerst laboratoriumanalist geworden, vond ik fantastisch mooi om te doen, al die scheikundige proefjes. Na een aantal jaren ben ik vertegenwoordiger van levensmiddelen geworden, iets totaal anders, maar ook uitermate leuk. Tegelijkertijd gingen mijn vrouw Els en ik, we waren toen 20 en 21 en net getrouwd, naar de Bijbelschool: de pastorale leergangen in Zwolle, één keer in de veertien dagen. Dat was omdat Els een meisjesvereniging leidde en ik een knapenvereniging en we meer kennis wilden hebben. De opleiding duurde vijf jaar. Na vier jaar kwam ik erachter dat je daarna via een colloquium doctum toegang kon krijgen tot de theologieopleiding aan de universiteit. Maar ja, tegen die tijd hadden we al twee kinderen, ik had een goede en leuke baan – wat te doen? Els zei: probeer het maar gewoon. Ze dacht ergens dat ik het toch niet zou redden, omdat het zo’n zware studie was en ik totaal geen studiebol ben.’

Je had een leuke baan. Waarom wilde je dan zo’n zware studie gaan doen?
‘Omdat het dus al zo lang in m’n hoofd zat. Als kind was ik al een heel gelovig mannetje – nog eigenlijk. Ik ging graag naar de kerk, ik heb ook jong belijdenis gedaan. Dus ik ging het maar gewoon proberen, anders zou ik misschien op m’n 65ste nog denken: had ik het maar geprobeerd. De studie heeft al met al lang geduurd, inclusief de vooropleiding tien jaar. We hadden een gezin en er moest ook brood op de plank komen. De studiebeurs die ik kreeg was niet genoeg om van te leven. Dus naast het studeren heb ik ook altijd gewerkt, mijn vrouw ook. Financieel hebben we op die manier altijd het hoofd boven water kunnen houden.

‘Wij christenen bidden soms wat te lief’

Geestelijk is het een ander verhaal. Tijdens mijn studie maakten we heel moeilijke periodes door. Ik moest op een gegeven moment m’n propedeuse halen om de beurs te behouden. Op hetzelfde moment werd Gerlinde geboren, ons derde kind. Al snel bleek dat ze het syndroom van Down heeft. Toen stortte onze wereld wel een beetje in. Drie jaar later moest ze een zware openhartoperatie ondergaan. En een jaar later, vlak voor mijn examen, overleed mijn vader plotseling. Toen kwamen er veel vragen. Ik dacht vooral: waarom God? Ik voelde me net Job.’

En kreeg je daar een antwoord op?
‘Nee. Maar als ik nu bij mensen kom die verdriet hebben, dan weet ik wat dat is.’

Jullie wereld stortte in, zeg je. Hoe ging dat?
‘Dat had alles te maken met het beeld dat we hadden van het syndroom van Down, dat niet bepaald rooskleurig was. We wisten er heel weinig van en ons beeld was vooral gebaseerd op stereotyperingen. De laatste regels op het geboortekaartje waren zelfs: “Oh God, om dit te dragen, het valt ons zo zwaar.” Dat was echt ons gevoel op dat moment.’

Wouter van Dijk: ‘Ik houd me vast aan de lichtpuntjes, de momenten waarop ik God aan het werk zie. Als mensen bemoedigd, getroost en soms genezen worden.’ (beeld Els van Dijk)

Wouter van Dijk: ‘Ik houd me vast aan de lichtpuntjes, de momenten waarop ik God aan het werk zie. Als mensen bemoedigd, getroost en soms genezen worden.’ (beeld Els van Dijk)

En bleef dat gevoel?
‘Zeker niet! Gerlinde is een opgewekte meid geworden, die heel goed functioneert. Maar dat ging allemaal niet vanzelf. Als kind leek ze zich goed te ontwikkelen, behalve dat ze pas heel laat kon lopen. Na drie jaar ontdekten de artsen dat ze een hartafwijking had, iets wat eigenlijk binnen de eerste drie maanden geopereerd had moeten worden. Ze had geen tussenschot in haar hart, dus ook geen kamers. Er moest een tussenschot gemaakt worden en nieuwe hartklepjes, maar onduidelijk was hoe de longslagader zou reageren. Het team wilde de operatie dan ook niet doen, maar één cardioloog en één chirurg durfden het wel aan. Dus gingen we ermee door en uiteindelijk kregen we er een ander kind voor terug, zo veel levenslustiger. En dat is ze nu nog steeds. Ze leert ons ook zo veel, bijvoorbeeld in hoe ze naar mensen omziet. In Wezep hadden we eens een aangepaste dienst voor mensen met een beperking die op tv uitgezonden werd. Gerlinde deed de Schriftlezing, heel ontroerend. Toen ik vroeg om gebedspunten, vroeg Gerlinde om te bidden voor de cameramensen. Later kwam er een cameraman naar me toe die dat heel indrukwekkend had gevonden. Ze kan mensen echt raken, heel bijzonder. We zijn stapeldol op haar!’

Je bent altijd heel gelovig geweest zei je. Waar was God in die moeilijke periode?
‘Ik weet nog dat we een kaart kregen met daarop spelende kinderen en de tekst: “En niemand zal ze uit mijn hand roven.” Nu ben ik helemaal niet zo van die kaarten met vrome teksten erop, maar hier hielden we ons aan vast. Ze kon overlijden, maar dan was ze bij de Heer. Waar God was? Ik heb geleerd om te knokken in m’n verdriet, om te vechten, om God uit te dagen door me aan Hem vast te klampen en om net als de worstelende Jakob te zeggen: “Ik laat je niet gaan voordat je me zegent!” Wij christenen bidden soms wat te lief, denk ik weleens. We mogen God uit z’n tent lokken, ook in ons gebed: “Heer, U heeft toch beloofd dat U er bent, kom op dan!”’

Wat brengt dat geworstel je?
‘Enorme rust en geloofszekerheid. Uiteindelijk dan, hè? Om tot die rust te komen is een gevecht hoor. En dat kan lang duren. Het kantelmoment is dat je je durft over te geven. Je moet het in Gods hand leggen en het daar ook durven laten. Ik heb het niet over berusting, dat vind ik zo’n naar woord. Je moet wel knokken voordat je bij die overgave kunt komen. In mijn werk kom ik mensen tegen die het niet meer zien zitten, die zich verlaten voelen door God en dan zeg ik: “Houd vol.” Dan blijf ik ook bij hen om hen daarbij te helpen, door naast hen te gaan staan. Iedereen weet dat ze mij 24 uur per dag mogen bellen en dat gebeurt soms ook. Het meelopen en meeleven met mensen vind ik het mooiste aan mijn beroep.’

‘Ik durf nu wel een ochtend vrij te nemen’

Tegelijkertijd ben je getrouwd en vader van vier kinderen; ging en gaat dat goed samen?
‘Ik heb mijn gezin tekortgedaan, dat weet ik zeker. Toen ik net predikant was, maakte ik werkweken van tachtig uur en dat is niet slim. Ik dacht dat dat moest. Ik werk voor de Heer, dus kom op! Dat heb ik twee jaar volgehouden, totdat ik bij de kerkenraad aangaf dat het niet meer ging. Toen kreeg ik minder preekbeurten. En toch miste ik belangrijke momenten van mijn kinderen. Dan koos ik voor de gemeente in plaats van voor mijn gezin. Nu zou ik dat niet meer doen, ik durf eerder nee te zeggen, ben wat relaxter geworden. Ik durf nu wel een ochtend vrij te nemen als ik de week ervoor meer uren heb gemaakt. Er zit nu meer balans in en dat is maar goed ook, hoewel ik in de winter nog steeds werkweken van zestig uur kan maken.’

Hoe kijk je naar de toekomst?
‘Als ik naar de wereld kijk, zorgelijk. Ik wou dat Jezus vanavond nog terugkwam. Niet voor mezelf, want ik heb kleinkinderen die ik graag nog zie opgroeien. Maar voor de wereld, omdat het lijden dan over is. Ondertussen houd ik me vast aan de lichtpuntjes, de momenten waarop ik God aan het werk zie. Als mensen bemoedigd, getroost en soms genezen worden. Wat ik meemaak met mensen, daar kan ik een boek over schrijven. Zo veel bijzondere, moeilijke, leuke, maar ook wonderlijke verhalen – je weet soms niet wat je meemaakt. Het is een prachtig ambt, predikant. Maar over drie jaar ga ik wel met emeritaat en draag ik het stokje over aan een ander. Dan ga ik eerst maar eens een sabbatical nemen. Samen met Els met de caravan rondtrekken, tijd doorbrengen met de kinderen en kleinkinderen. En dan zien we wel weer verder.’

Delen.

Over de auteur

Elze Sietzema-Riemer (GKv) is journalist en godsdienstwetenschapper. Zie www.elzeriemer.com.

Laat een reactie achter