Durf boos te zijn

0

Drie van de vier basisemoties – blijdschap, verdriet en angst – zijn goed vertegenwoordigd in onze kerkdiensten. Maar waar is de boosheid? Als we woede geen plek geven in de kerk, doen we God en onszelf tekort, schrijft Bram Beute.

Ik durf niet zo goed boos te zijn. Niet omdat ik bang ben voor mijn eigen woede, maar vooral om wat anderen van mij zullen vinden. Vrijwel de enige plek waar ik boos word, is thuis. Daar laat ik me soms gaan. Ik ben er niet trots op. Tegelijk is het goed dat er een plek is waar ik boos kan worden. En waar mijn vrouw en kinderen boos kunnen worden. Ik hoop dat ons gezin een veilige plek is, waar we ons niet beter hoeven voor te doen dan we zijn.

Dat roept gelijk de vraag op: hoe zit het dan in Gods gezin, de kerk? Daar wordt boosheid maar weinig geuit, ondanks dat er steeds meer aandacht is voor emoties. We lachen en huilen in de diensten, we delen onze zorgen en leggen ze in gebed voor God neer. Maar boosheid blijft vaak onzichtbaar. Misschien nog wel meer dan in de samenleving. Want zou een goede christen niet vooral goedaardig, vriendelijk, vergevingsgezind en blij met de verlossing moeten zijn? De keren dat ik in de kerk meemaakte dat iemand boos werd, hing de veroordeling van anderen in de lucht.

Zon

De negativiteit over boosheid is te begrijpen. Boosheid kan beangstigen en vernielen. In de Bijbel vind je veel waarschuwingen tegen boosheid. Al aan het begin waarschuwt God Kaïn voordat hij Abel vermoordt: ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? (…) Jij moet sterker zijn dan zij [de zonde]’ (Genesis 4:6-7).

Ook verderop in de Bijbel speelt de woede van mensen een gevaarlijke rol. Mozes doet in zijn woede en frustratie niet wat God van hem vraagt en verliest de toegang tot het beloofde land (Numeri 20:1-13). Koning Saul wordt gekweld door een boze geest, die hem woedend maakt en waardoor hij David probeert te vermoorden (1 Samuël 18:10-11). En zo zijn er meer voorbeelden.

Als je je kind verloor door een misdrijf
denk je misschien ook:
ze zouden jouw kind moeten doden

Ook in het Nieuwe Testament klinkt de waarschuwing tegen de gevaarlijke kanten van boosheid, evenals de oproep tot zelfbeheersing. ‘Als u boos wordt, zondig dan niet: laat de zon niet ondergaan over uw boosheid, geef de duivel geen kans’ (Efezïers 4:26-27). ‘Ieder mens moet zich haasten om te luisteren, maar traag zijn om te spreken, traag ook in het kwaad worden’ (Jakobus 1:19).

Toch is dat maar één kant van het verhaal. Want als het in de NBV over woede gaat, betreft het heel vaak teksten waar God zélf in woede ontsteekt. Ook kun je heel wat keren lezen dat Jezus zijn ergernis en boosheid uit.

In navolging van God en Jezus tonen ook mensen hun woede. Denk bijvoorbeeld aan de profeten of aan Paulus in zijn brief aan de Galaten: ‘Galaten, u hebt uw verstand verloren!’ En: ‘Ze moesten zich laten castreren, die onruststokers!’ (Galaten 3:1; 5:12).

Omgebracht

Al de Bijbelteksten waarin woede eerder positief dan negatief is, zijn niet in één artikel te bespreken. Ik wil me beperken tot de vraag hoe woede een plek kan krijgen in de ontmoeting met God in de kerkdienst, en dan vooral door de psalmen.

Sinds ongeveer de derde eeuw werden de psalmen in hun geheel in de kerk gereciteerd en gezongen. In de Reformatie ging dit gebruik verloren. Hoewel het Calvijns bedoeling was dat de nieuw berijmde psalmen in hun geheel gezongen zouden worden, werden in de praktijk vaak enkel bepaalde verzen van geliefde psalmen uitgekozen. Zo gaat het vaak nog steeds.

Psalm 139 vertolkt de woede tegen alles wat mensenlevens sloopt. Zouden we het onrecht niet haten? (beeld Jordy Meow/Unsplash)

Psalm 139 vertolkt de woede tegen alles wat mensenlevens sloopt. Zouden we het onrecht niet haten? (beeld Jordy Meow/Unsplash)

Het eerste (berijmde) vers van Psalm 139 is erg bekend: ‘Heer, die mij ziet zoals ik ben…’ (Liedboek) of ‘Heer, U doorgrondt mij van omhoog’ (Gereformeerd Kerkboek). Bijna geheel onbekend is: ‘O God, verwerp het boos geslacht’, of: ‘Wanneer, o God, wordt door uw macht de goddeloze omgebracht?’ Dat terwijl het een vers uit dezelfde psalm is.

Woede in de kerk is ongemakkelijk en ingewikkeld. Het is fijner om te horen dat God van ons houdt dan dat Hij woedend is over onze zonden. We geloven bovendien dat God de wereld met zich verzoend heeft. Past het dan nog wel om over zijn toorn te spreken? Verder zijn we ons ervan bewust dat niet-gelovigen naar onze godsdienst kijken. De islam wordt verdacht van onverdraagzaamheid en haatzaaien. Moet het christelijke geloof zich niet daarvan onderscheiden als een godsdienst van liefde? Sluiten we door te spreken over Gods woede niet mensen uit? Het zijn terechte vragen. Toch doen we God en onszelf tekort als we woede geen plek geven in de kerk.

Haten

Aandacht geven aan Gods woede maakt duidelijk dat Gods liefde en zorg niet vanzelfsprekend zijn. Psalm 78 is een lang lied over Gods woede tegen het ongeloof en de onverschilligheid van zijn volk. Dat God ons liefheeft, is uiteindelijk alleen te danken aan de keuze die Hij voor ons heeft gemaakt en niet aan onszelf. ‘Zijn keuze viel op David, zijn dienaar’ (Psalm 78:70).

Zingen en spreken over Gods woede kan ook opkomen uit de ervaring van het leven. Ik kan niet tegen het leven op. Het is alsof God me alles bij de handen afbreekt. In de woorden van Psalm 90:7: ‘Wij komen om door uw toorn, door uw woede bezwijken wij.’

Maar in zijn woede staat God niet alleen tegenover ons. We vinden in Hem ook een bondgenoot. Ik neem Psalm 139 nog eens als voorbeeld. Dat is een geliefde psalm voor doopdiensten en begrafenissen. Het gaat over God die je al vanaf de moederschoot kent en doorgrondt. Maar wat moet je dan met woorden als: ‘God, breng de zondaars om, – weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten (…) Zou ik niet haten wie U haten, HEER’ (Psalm 139:19-21)? Je zou ze tijdens de doopdienst of begrafenis liever weglaten.

We worden gezuiverd van schijnheiligheid,
want de psalmen brengen al onze emoties aan het licht

Toch ben ik deze woorden steeds meer gaan waarderen. Ze zijn eerlijk. Psalm 139 laat je niet wegdromen op een roze wolk van geborgenheid, maar weet van een leven in gebrokenheid. Ik weet nog hoe ik de infectie en het virus haatte die mijn kinderen als baby in het ziekenhuis deden belanden. En nog steeds kan ik opschrikken bij gruwelijke berichten over wat mensen kinderen aandoen. Ik moet er niet aan denken dat ze mijn kinderen ooit… ‘God, breng de zondaars om, weg uit mijn ogen, jullie die bloedvergieten.’ Psalm 139 is een passende psalm aan het begin van een mensenleven, inclusief die woede tegen alles wat mensenlevens sloopt.

Bij een begrafenis is het niet anders. Zouden we de kanker niet haten die onze geliefde gesloopt heeft? Tegelijk leeft er soms ook boosheid of pijn om wat de overledene anderen heeft aangedaan. Het was niet alleen maar mooi en goed. Ook dan kan de woede uit Psalm 139 passend zijn. Denk aan ouders die vroom over God spraken, maar ondertussen heel ander gedrag lieten zien en het leven van hun kinderen misvormden. Psalm 139 helpt om ook die dingen te zeggen.

Verstopt

Als je de psalmen op deze manier leest, moet je de woorden ‘vertalen’. Vijanden zijn soms concrete mensen, soms machten als ziekte en geweld. Belangrijk daarbij is dat we Gods woede over het kwaad alleen onder ogen komen in het geloof in Jezus Christus. In Hem heeft God de wereld met zich verzoend. Zijn woede over het kwaad is niet minder geworden. God haat nog steeds hartstochtelijk alles wat zijn liefde kapotmaakt. Tegelijk is de zonde weggedaan in Jezus Christus. In Hem beginnen we opnieuw.

De woorden uit de psalmen die om straf over onze zonden of om wraak op onze vijanden bidden, krijgen zo een diepere betekenis. Je kunt oprecht bidden dat God de zondaars ombrengt en een eind maakt aan al hun kwaad. Tegelijk word je ook geroepen om te bidden voor je vijanden. Het diepste gebed is dat hun oude leven sterft, maar dat ze nieuw leven ontvangen in Christus.

Dat laatste gebed is heel moeilijk. Maar misschien maken we het wel extra moeilijk als we denken dat we het eerste gebed (God, breng de zondaars om) niet mogen bidden.

Bidden is tegen God zeggen wat er in ons hart leeft. Beruchte psalmen als Psalm 137 – ‘Gelukkig hij die jouw kinderen grijpt en op de rotsen verplettert’ – hebben een functie. Je kunt die woorden afdoen als primitieve wraakgevoelens die een christen niet passen. Maar de werkelijkheid is dat die woorden ook weerklank vinden in de harten van (sommige?) christenen, bijvoorbeeld als je hebt meegemaakt wat de dichter van Psalm 137 meemaakte. Als je je kind verloor door een oorlog of een misdrijf denk je misschien ook: je zou dat zelf eens moeten meemaken, ze zouden jouw kind moeten doden.

Het is niet wat Jezus ons leert. Maar als dat in ons hart leeft, dan is het goed om dat tegen God te zeggen. Calvijn schrijft in de inleiding op zijn commentaar op de psalmen dat ze ons leren om dingen te bidden die diep verstopt in ons hart liggen. We worden gezuiverd van schijnheiligheid, want de psalmen brengen al onze emoties, zwakheden en zonden aan het licht. Juist daarvoor geeft de heilige Geest ons de psalmen.

Misschien moeten we wraakpsalmen en psalmen waarin we geconfronteerd worden met woede niet te snel overslaan in onze kerkdiensten. Natuurlijk vergt het uitleg en geduld. Sommige woorden doen volstrekt vreemd en bizar aan. Gaan die echt over ons? Het kan veel tijd kosten om ze te herkennen. Soms zullen we ze persoonlijk niet herkennen, maar vermoeden we dat ze wel herkenbaar zijn voor anderen in de kerk. Deze woorden kunnen ons helpen om met heel ons hart bij de Heer te zijn en in Hem te groeien in onze haat en ons verzet tegen het kwaad en onze liefde voor Hem, zijn mensen en zijn wereld.

Leestips

Gerard van der Schee, Goed Boos, Almere (Goed Boos), 2014.

Linda Klein, Boos!, Heerenveen (Columbus), 2017.

Rikko Voorberg, De dominee leert vloeken, Amsterdam (Arbeiderspers), 2016.

Delen.

Over de auteur

Bram Beute is redacteur van Onderweg en predikant van de GKv Kampen-Zuid.

Laat een reactie achter