Kerstverhaal: Dankbaarheid

0

Een verhaal van schrijver Bert Wiersema over zijn in 2017 overleden dochter Klarine

(beeld Annie Spratt/Unsplash)

(beeld Annie Spratt/Unsplash)

Met trillende handen pakt hij de enveloppe. Een diepe zucht glijdt tussen zijn lippen. Hij is er klaar voor. Eindelijk. Vandaag is het een halfjaar geleden. Het lijkt als gisteren. Maar over tien jaar zal het nog als gisteren lijken, en over twintig jaar ook. ‘Schaduwverdriet’ noemde iemand het. Het verlies van een kind. Schaduwverdriet. Verdriet dat nooit meer weggaat, net als je schaduw. Soms lang, soms kort, maar altijd aanwezig. Met een mesje snijdt hij de enveloppe open. Daar ligt de brief. Haar afscheidsbrief. Het papier knispert als hij het eruit haalt en openvouwt.

Lieve papa. Laat ik beginnen met te noemen hoe dankbaar ik ben voor alles wat papa voor me betekend heeft. Ik vond het heerlijk, dat paardjerijden op uw rug. Later samen wandelen, en zeilen… Zeilen, wat hebben we het veel gedaan samen. Maar het belangrijkste is dat u mij met mama de weg naar Jezus hebt gewezen. Als ik Jezus niet had gekend tijdens mijn ziekte, was het nog ondraaglijker geweest. Dat u altijd zo mooi bad als we als familie bij elkaar waren, ben ik nooit vergeten.

Hij zucht. Vouwt de brief dicht. Is haar geloof zijn verdienste? Absoluut niet. Hoeveel van zijn vrienden doen niet net zo hun best en zien toch hun kinderen wegglijden in ongeloof of onverschilligheid? Natuurlijk heeft hij zijn best gedaan. Maar net toen hij het gevoel had dat hij het opvoeden onder de knie had, waren zijn kinderen volwassen, trouwden en gingen de deur uit. En nu beperkt de opvoeding zich tot kleine pareltjes als gevraagd worden te bidden bij bijzondere gebeurtenissen. Mooi bidden? Hij had het altijd zo moeilijk gevonden. Zoals die laatste keer dat ze samen het kerstfeest vierden.

Hij zit in gedachten weer in de studeerkamer van zijn schoonzoon. Uit de kamer klinkt gelach. Daar wordt de maaltijd klaargemaakt. Hij kijkt op zijn papiertje. Van boven naar beneden staan de namen van zijn kinderen en kleinkinderen. Overal staat wat achter. Bij haar… dat ze mag genezen… Moet je dat nog bidden? Ze is ongeneeslijk. Hij weet dat bij God alle dingen mogelijk zijn. Maar toch… Hoewel, het zou wel een goddelijke stunt zijn. Ze is veel in de publiciteit gekomen. Op de radio, in de krant, op televisie. Ook in het goed bekeken RTL-programma Zolang ik leef. Meer dan een miljoen kijkers per aflevering. Op straat wordt ze door veel mensen herkend. Als God haar nu toch eens zou genezen. Niet alleen die ellendige kanker uit haar lijf, maar helemaal, inclusief nieuwe borsten. God kan dat, daar is hij van overtuigd. Heel Nederland zou stomverbaasd zijn. Hoeveel mensen zouden tot geloof komen, of al was het alleen maar aan het nadenken gezet?

De tranen willen gewoon niet
over zijn oogliddrempels komen

De deur gaat open. Zijn vrouw staat op de drempel. ‘Het eten staat klaar. We zitten al aan tafel.’ Ze kijkt naar het papiertje. ‘Niet te zwaarmoedig hè, ’t is feest.’ Een paar minuten later bidt hij toch weer om genezing. Hoe zou zijn dochter het vinden? Na het gebed geeft ze hem een dankbaar knikje. Zou ze het menen of wil ze hem niet kwetsen?

Voor haar is het ergste van de ziekte om te zien dat haar geliefden verdriet om haar hebben, terwijl ze daar niets aan kan doen. Ze wordt zelf intussen wel vaak gekwetst. Vooral nu ze min of meer een bekende Nederlander is geworden stroomt de mailbox van haar website vol met opbeurend bedoelde berichten waar je vreselijk neerslachtig van kan worden. ‘Eet abrikozenpitten. Drink Kombucha. Volg dit dieet, volg dat dieet. Ik heb het op mijn hart gekregen dat je je zeven keer moet gaan baden in de Jordaan. Je hoeft niet ziek te zijn, God verhoort het gelovige gebed altijd.’ Zelf had hij vaak de neiging gehad om het maar te proberen. Baat het niet, dan schaadt het niet.

Hij vouwt de brief open en leest verder. Zijn ogen glijden over de regels. Moet hij niet huilen? Nee, in al die jaren heeft hij maar één keer gehuild. De dag dat ze het slechte nieuws hoorden. Daarna niet meer. Hij wil wel huilen. Hij zou willen brullen. Maar de tranen willen gewoon niet over zijn oogliddrempels komen.

Daar staat weer zo’n regel die blijft haken. Papa, u moet één geliefde loslaten. Ik moet al mijn geliefden loslaten. Als ik al voel hoe zeer het doet om één geliefde los te laten, wat moet dat dan wel niet voor haar geweest zijn? Papa is altijd mijn geestelijke toeverlaat geweest, daar ben ik dankbaar voor. Het heeft echt geholpen. Hij wrijft over zijn kin. Waar haalt ze dat vandaan? Zij die zo kwetsbaar en gekneusd is, hoe kan ze zeggen dat ze dankbaar is?

Twee dagen voor haar dood belde zijn schoonzoon. Als jullie afscheid willen nemen, moeten jullie het nu doen. Met zijn vrouw was hij ernaartoe gereden. Hoe neem je afscheid? De ziekte teistert haar al meer dan vijf jaar. Alles wat we wilden zeggen, is gezegd. Ze ligt stil op haar zij. De laatste dagen fluistert ze alleen nog. Samen met zijn vrouw leest hij de eerste vier verzen van Openbaring 21. Een boodschap voor onderweg. Dan tilt ze haar hoofd op. ‘Helemaal mee eens, papa. Dat is waar!’ De laatste woorden van zijn kind. Hij kruipt tegen zijn vrouw aan. God doet geen Nederlandschokkend wonder.

Twee dagen later: zijn vrouw en hij zijn erbij als ze overlijdt. Hij is erbij geweest toen ze kwam en toen ze ging. Naar huis, naar haar andere Vader.

Nog eens vier dagen later zit hij in het zaaltje van de begraafplaats. Vier hectische dagen. Zijn dochter stond thuis opgebaard. Hoeveel mensen zijn wel afscheid komen nemen? Ontelbaar, zo langzamerhand. En daar tussen drie verwarde kinderen, waarvan er ook nog eens eentje jarig is. ‘Opa, hoe kan mama nou in de hemel zijn? Ze ligt toch gewoon in die kist?’

Hij heeft er iets op bedacht. Iets wat zijn dochter indertijd verzonnen heeft, maar wat de kinderen blijkbaar vergeten zijn. Als hij aan de beurt is om de zaal toe te spreken, staat hij op. Hij voelt dat zijn pak iets te strak zit. Hij is wel aangekomen de laatste jaren. Van achter de katheder kijkt hij het zaaltje in. Een klein, select gezelschap. Een paar weken geleden is er voor haar een afscheidsdienst gehouden. Nu zitten er alleen familieleden en de trouwste vrienden. Hij ziet zijn eigen moeder. Hoe moet het zijn om een kleinkind te begraven?

En dan valt het kwartje. Een kwartje zo zwaar
als een halterschijf. Dankbaarheid!

Hij steekt zijn handen omhoog. ‘Zien jullie iets geks aan opa?’ Zijn kleinzoon wijst op zijn hand. ‘Opa heeft een heel grote handschoen aan.’ Hij beweegt zijn vingers. ‘Zien jullie dat? Deze handschoen kan bewegen.’ Kleindochter schudt haar hoofd. ‘Dat doet die handschoen niet. Dat doet uw hand.’ Daar heeft hij haar waar hij haar hebben wil. Hij draait zich om en wijst naar de kist. Tussen twee kaarsen staat de kist die zijn schoonzoon gemaakt heeft en die door de kinderen versierd is. Een vrolijke kist. Hij trekt de handschoen uit en legt hem op de katheder. ‘De hand is nu uit de handschoen. Zo is mama uit haar lichaam gegaan. Daar ligt nog die handschoen, maar er zit geen hand meer in. Daar ligt nog mama’s lichaam, maar er zit geen mama meer in. Begrijpen jullie het een beetje?’

Hij strijkt de brief glad. Voelt hij toch iets van tranen opkomen? Had God zijn kind kunnen sparen? Ja! Kan hij het accepteren dat God dat niet deed? Ja! Vreemd genoeg wel. Jullie redden het wel, had de dominee tegen hem en zijn vrouw gezegd. Jullie leven dicht bij God.

Hij leest verder. Weer het woord ‘dankbaar’ en nog eens. Dan draait hij het boekje om waar hij de brief in bewaard heeft. Ontboezeming. Dagboek van een dankbare moeder. En dan valt het kwartje. Een kwartje zo zwaar als een halterschijf. Dankbaarheid! Dat is het! Dat moet de overlevingsstrategie van zijn kind zijn geweest.

Op het eerste gezicht had ze weinig om dankbaar voor te zijn. Alle nieuws was slecht nieuws. Meer dan honderd kuren en behandelingen. Ze werd gesloopt. Maar ze bleef dankbaar. Dankbaarheid verjaagt boosheid en wrok. Dankbaarheid tilt het hoofd omhoog naar boven. Ze zocht letterlijk naar tienduizend redenen van dankbaarheid. Bleef ze dankbaar omdat ze God kende, die om mensen geeft, die naar hen, kwetsbare mensen, toe kwam om aan hen gelijk te worden? Hield dat haar op de been? Zelden was ze chagrijnig, nooit boos op God. Dat is haar boodschap over het graf heen. Haar erfenis. Hij glimlacht. Zijn dochter schreef in haar blogs ook vaak in de derde persoon enkelvoud.

Dit interview komt uit het kerstnummer van OnderWeg, dat op zaterdag 22 december verschijnt. Benieuwd naar het hele nummer? Neem voor 3 januari een proefabonnement en ontvang dit nummer als welkomstgeschenk erbij.

Delen.

Over de auteur

Bert Wiersema is kinderboekenschrijver.

Laat een reactie achter