‘Hoe je over seks denkt, wordt een meetlat voor je geloof’

0

John Lapré en Herman van Wijngaarden zijn allebei homo, schrijver van boeken en spreker. De liefde van Christus bindt hen, maar als het gaat om een relatie maken ze een andere keuze. Hoeveel verschillen ze eigenlijk van elkaar? En ervaren zij de kerk als een veilige plaats?

Herman van Wijngaarden (1963) werkt bij de HGJB en is medewerker van Hart van Homo’s (hartvanhomos.nl). John Lapré (1986) werkt als jurist bij de Koninklijke Marine en schreef het boek De veilige kerk.

Beiden leveren een bijdrage aan het boek dat binnenkort verschijnt naar aanleiding van de studiedag ‘Homoseksualiteit en de kerk. Verschillende visies, één geloof’ van eind 2018 in Nijkerk.

Herman: ‘Ik ben single-homo, dat vind ik prettiger klinken dan “celibatair”. Vanaf het moment waarop ik ontdekte dat ik homo ben, was het voor mij duidelijk dat ik geen seksuele relatie zou aangaan. Dat was in vwo-5. Op mijn dertiende begon ik bang te worden dat ik op jongens zou vallen. Ik vond meisjes leuk, maar niet spannend. Een jongen in de klas vond ik wel spannend. Op mijn zeventiende heb ik tegen mezelf gezegd: loop er niet voor weg, je bent gewoon homo. Pas later, toen ik aan het debat ging deelnemen, heb ik mezelf de vraag gesteld: moet ik inderdaad deze keuze maken? Toen heb ik het mezelf meer eigen gemaakt.’

John: ‘Ik was een jaar of 14 toen ik ontdekte dat ik jongens leuker vond dan meisjes. Van jongs af aan ben ik altijd intensief bezig geweest met het Woord van God en de vraag: hoe krijg ik een rechtvaardig God? In de kerk werd wel gebeden voor mensen met homoseksuele gevoelens, maar die stonden vaak in het rijtje van de zieken. Ik wilde graag heilig voor God leven, maar met deze gevoelens lukte dat niet. Tegelijk kwam het besef dat ik misschien wel mijn hele leven alleen zou moeten blijven. Dat werd echt onverteerbaar voor me. Daar heb ik echt onder geleden. Langdurige periodes van neerslachtigheid en existentiële eenzaamheid zijn mij niet vreemd.’

Herman: ‘Het was bij mij vooral een proces met mezelf. Pas vanaf mijn negenentwintigste ben ik erover gaan praten. Als ouderling in de Gereformeerde Bondsgemeente van Langbroek werd ik gevraagd het gesprek aan te gaan met twee jongens die er onafhankelijk van elkaar mee voor de dag kwamen. Toen dacht ik: dit wordt te lastig, en ben ik erover gaan praten.

Achteraf vind ik het ontzettend jammer dat ik het tot dan toe voor mezelf hield. Zelfs mijn beste vrienden wisten van niets. Mijn zus zei later dat ik bij haar altijd een gevoel van eenzaamheid opriep. Dat kan ik wel plaatsen. Het motiveert mij ook om tegen jongeren te zeggen als ze nog twijfelen: probeer er echt over te praten. In mijn tijd kon het nog wel, maar in deze tijd houd je het echt niet vol om het voor je te houden.’

Herman van Wijngaarden: ‘Ik ben single-homo, dat vind ik prettiger klinken dan “celibatair”.’ (beeld Hans van Sloten)

Herman van Wijngaarden: ‘Ik ben single-homo, dat vind ik prettiger klinken dan “celibatair”.’ (beeld Hans van Sloten)

John: ‘Ik werd min of meer gedwongen erover te praten. In 2011 werkte ik bij Stichting HeartCry, een stichting die geestelijke verdieping en heiligmaking voor bestaande kerken nastreeft. Ik hield meerdere spreekbeurten in de week. Als ik ‘s avonds thuiskwam, verlangde ik naar een maatje die zijn arm om je heen slaat en met wie je je leven kunt delen.

Op een conferentie heb ik toen een spreker in vertrouwen genomen. Hij is direct naar Arjan Baan gegaan, de leider van HeartCry. Omdat ik had verteld intimiteit met een jongen te hebben beleefd, werd ik gezien als een bedreiging voor het koninkrijk van God. Dit leidde tot een breuk. Dat kwam in de krant, wel netjes verwoord, maar mensen gaan je ernaar vragen. Het voelde als een geforceerde coming-out. Dat is een verschrikkelijk moeilijke tijd geweest. Ik ben toen op mijn knieën gegaan en heb God gevraagd wat ik met mijn leven aan moest.

In het boekje Seks en de kerk van Willem Ouweneel las ik dat de Bijbel op zich niets zegt over relaties in liefde en trouw tussen mensen van hetzelfde geslacht. Toen ben ik tot de conclusie gekomen dat die ruimte er wel was. Even later heb ik Lionel ontmoet en nu hebben we een geregistreerd partnerschap. We hebben een manier van samenleven gevonden waarvan we geloven dat God er een welbehagen in heeft.’

Intimiteit

Herman: ‘John en ik maken principieel een andere keuze, maar ik geloof ook dat er voor homo’s wel ruimte is voor intimiteit. Ik heb bijvoorbeeld twee goede vrienden, beiden hetero. We zien elkaar eens in de twee weken en praten over het leven. Zij begroeten mij altijd met een knuffel en een zoen. Dat doen ze bij elkaar niet.’

John: ‘Het is dus niet simpel een keuze van wel of niet een relatie. Ook bij Herman zijn vriendschappen met mannen meer dan samen een kopje koffie drinken.’

Herman: ‘Het zijn wel niet-seksuele relaties. Laatst kwamen twee vrouwen bij me langs, vriendinnen. Ze hadden ontdekt dat het meer was dan vriendschap, dat er verliefdheid was ontstaan. Ze waren ervan overtuigd dat ze geen seks met elkaar mochten hebben. Ze vroegen me om advies. Nu laat ik die keuze altijd bij de ander. Maar wat zij aan liefde ervaren, het zou toch zonde zijn om de relatie hiervoor te verbreken. Ik heb ze aangeraden samen goede afspraken te maken over de grenzen die ze in acht willen nemen, en er een derde bij te betrekken om hen daarop te bevragen, of ze het nog steeds voor God kunnen verantwoorden.’

John: ‘Zoals we het nu verwoorden, dat is toch eigenlijk heel mooi. Maar het heeft zo veel gevolgen om dat naar buiten toe uit te dragen.’

Herman: ‘Dat valt wel mee, volgens mij. Laatst sprak ik hierover op een avond voor ambtsdragers en jeugdwerkers in een Gereformeerde Bondsgemeente. Dan komen er wel vragen, maar men begrijpt het wel.’

John Lapré: ‘Omdat ik had verteld intimiteit met een jongen te hebben beleefd, werd ik gezien als een bedreiging voor het koninkrijk van God.’ (beeld Hans van Sloten)

John Lapré: ‘Omdat ik had verteld intimiteit met een jongen te hebben beleefd, werd ik gezien als een bedreiging voor het koninkrijk van God.’ (beeld Hans van Sloten)

John: ‘Mooi, hier raken we elkaar. We hebben een ander standpunt, maar allebei houden we van Jezus. Als wij er als lhbt’ers zo over kunnen praten, waarom zouden mensen bij wie het niet over hun eigen leven gaat dat dan niet kunnen? Dat geeft mij hoop om die gesprekken in de kerk aan te gaan.’

Herman: ‘Daar zeg ik amen op. Het gaat mij erom dat ik probeer binnen mijn standpunt zo ruim mogelijk te zijn en niet te zwart-wit. Iemand die mij inspireert is Wesley Hill. In zijn boek Spiritual friendship waardeert hij vriendschap op. De cultuur in de kerk is vaak: ongetrouwd-zijn is plan B, wanneer het huwelijk als plan A niet is gelukt. Het drievoudig snoer in Prediker 4 gaat over vriendschap en niet over het huwelijk. Daar staat ook dat als twee bij elkaar liggen, dan houden twee elkaar warm. Daar gaat het niet over een man en een vrouw, maar over twee mannen die elkaar warm houden. Het is moeilijk om dat in de kerk te noemen, want iedereen denkt meteen aan seks.’

John: ‘Die obsessie met seks dringt de kerk zodanig diep binnen dat het bijna een splijtzwam wordt. Hoe je over seks denkt, wordt een meetlat voor je geloof.’

Herman: ‘Ongetrouwd-zijn kan ook plan A zijn. Ik sprak laatst op een reformatorische school. Een jongen zei: “Als je geen seks hebt met een meisje, dan moet je het wel met een jongen hebben.” Hij kon niet geloven dat je zonder seks zou kunnen leven. Het probleem van homoseksualiteit is zo groot geworden, omdat we zelf niet geloven in een relatie zonder seks.’

John: ‘De mens is wel een seksueel wezen. Als je het niet met een maatje doet, dan doe je het wel met jezelf.’

Veilig

Herman: ‘In mijn gemeente zijn relaties geaccepteerd. Ik voel me daar toch veilig in wie ik ben en de keuzes die ik maak.’

John: ‘Er zijn gemeenten die niet veilig zijn voor celibatair levende homo’s. Ik bied daar veel weerstand tegen, vooral als het militant wordt, als vandaag nog bij iedere kerk een regenboogvlag moet worden gehesen. En een kerk die geen ruimte ziet voor relaties, moet ook de ruimte krijgen om dat te zeggen. Ik zou in zo’n gemeente niet kunnen functioneren, omdat het voor mij te veel gevraagd is om voor je gevoel alleen op de achterste bank te mogen zitten. Maar zo’n kerk zou veilig moeten zijn voor homo’s met een relatie. Het hangt er natuurlijk ook sterk vanaf hoe iemand in de gemeente is geworteld. Ik vind dat kerken nu eens aan zet zijn, er ligt een heftig verleden van negatieve benadering van lhbt’ers. Je kunt als kerk ook een pas op de plaats maken, niet eerst proberen standpunten helemaal uit te vlooien en in beleidsstukken te gieten. Laten we ruimte geven aan mensen en laten we uitstijgen boven de onderlinge verschillen en de eenheid in Christus zoeken.’

Herman: ‘De kerk moet er Bijbels gezien wel aan vasthouden dat het niet voor de hand ligt dat een christenhomo een seksuele relatie aangaat. Het gemak waarmee tegenwoordig veel christenen zeggen: waar doen we moeilijk over, er is toch helemaal niets aan de hand? Dat maak ik dus niet mee. Er ligt mij te veel nadruk op de “lieve Jezus”. Maar Hij sprak zich ook duidelijk uit over de geboden. Bijbels gezien is het daarom niet vanzelfsprekend dat een christenhomo een relatie heeft, ook al hoef je het ook niet uit te sluiten. Dat we er verschillend over denken, vind ik wel problematisch. Maar het christen-zijn staat of valt er bij mij niet mee.’

John: ‘Veiligheid in de kerk ontstaat pas als we het liefdesgebod in praktijk brengen. Dat vraagt dat we de ander in de ogen kijken voordat we iets van hem of haar vinden.’

Herman: ‘Bovendien, Jezus volgen is niet altijd leuk, dat is ook kruisdragen.’

John: ‘Daar ben ik het mee eens, maar er wordt wel snel voorbijgegaan aan het liefdesgebod, omdat de ander wordt weggezet op basis van wat hij gelooft en hoe hij leeft.’

Delen.

Over de auteur

Arie Kok is journalist en tekstschrijver.

Laat een reactie achter