‘Ik weet wat ik kan, ik hoef me niet zo nodig te profileren’

0

Jacqueline Evers-Vermeul heeft een druk bestaan. Ze is docent-onderzoeker taal & communicatie aan de Universiteit Utrecht, is actief voor de kerk en in de christelijke wereld en heeft een gezin. Maar zwaar vindt ze het niet. ’Ik vind gewoon veel dingen leuk en daarbij gaat veel me makkelijk af. Ze noemden me vroeger al een zondagskind.’

Jacqueline Evers-Vermeul: ‘Ik vertel ook gewoon wat ik in het weekend doe, of dat we als gezin in de zomer naar een christelijke conferentie gaan.’ (beeld Jaco Klamer)

Jacqueline Evers-Vermeul: ‘Ik vertel ook gewoon wat ik in het weekend doe, of dat we als gezin in de zomer naar een christelijke conferentie gaan.’ (beeld Jaco Klamer)

Als ik Jacqueline mail om een afspraak te maken voor het interview is ze aangenaam verrast. ‘Wat leuk, wat een eer.’ Als we elkaar een week later ontmoeten in een stationsrestauratie, volgt een stevige handdruk die past bij het beeld dat ik gaandeweg het gesprek van haar krijg: deze vrouw weet goed wat ze kan en wil. Type no-nonsense. Aan sociale media besteedt ze geen tijd. Ze houdt van ‘live’ contact en er zijn genoeg andere dingen waar ze graag ruimte voor maakt in haar agenda, zoals kinderwerk in haar kerk of vertalen tijdens christelijke conferenties.

Je bent taalwetenschapper. Wat heb jij met taal?
‘Ik heb taal altijd leuk gevonden. Ik houd erg van cryptogrammen en taalgrapjes en las vroeger altijd de achterkant van het magazine Onze Taal met allerlei woordspelingen en geintjes. Ook thuis maken we graag en veel taalgrappen. Het leuke van taalwetenschap is dat het op allerlei manieren te maken heeft met taal. Je bekijkt hoe taal werkt in de hersenen, maar ook hoe kinderen een taal leren en hoe taal door de eeuwen heen verandert. Omdat taalwetenschap een bovenbouwstudie was, moest ik eerst een propedeuse halen. Daarom heb ik ook algemene letteren gestudeerd, met als onderdeel Engelse taalvaardigheid. Dat kwam later weer goed van pas bij mijn vertaalwerk op conferenties.’

Over dat vertaalwerk: OnderWeg-lezers zullen je misschien kennen als vertaler tijdens conferenties van onder meer New Wine. Hoe ben je daartoe gekomen?
‘Ik ben ooit een keer gevraagd om een Engelse spreker in onze gemeente te vertalen. Ik bleek dat heel leuk te vinden en ook aardig te kunnen. Dus zo is het balletje gaan rollen. Ik zie het als een inspirerende hobby. Ik vind vertalen een soort mentaal jongleren. Je krijgt ballen van de Engelse taal, waar je Nederlandse ballen van moet maken, maar die je ook weer in de goede volgorde moet zetten. Ik doe het inmiddels zo’n twintig jaar met veel plezier.’

‘Ik maak vanuit mijn geloof wel andere keuzes
dan veel collega’s’

Je bent overtuigd christen. In hoeverre speelt dat een rol in je werk op de universiteit?
‘Ik werk niet in een vakgebied waar je veel ethische keuzes moet maken, dus ik kom inhoudelijk niet snel in een spagaat tussen geloof en werk. Ik denk dat je juist als christen heel nieuwsgierig kunt zijn naar hoe de schepping in elkaar zit. Kijk, als christen ben je in de academische wereld, net als in de samenleving, natuurlijk wel in de minderheid. Tegelijkertijd weten mensen wel dat ik gelovig ben en wordt dat geaccepteerd. Want ik vertel ook gewoon wat ik in het weekend doe, of dat we als gezin in de zomer naar een christelijke conferentie gaan.’

Is er in het huidige academische klimaat ruimte voor het geloof?
’Geloof is vaak geen onderwerp van gesprek. Wel zie ik in mijn vakgebied dat best veel mensen heel expliciet zijn over de evolutieleer. Dan zoeken ze in hun wetenschappelijk onderzoek iets tot op de milliseconde uit en daarin zijn ze heel zorgvuldig. Maar vervolgens koppelen ze dat aan claims over een evolutionaire ontwikkeling waar ze, vanuit hun eigen onderzoek, geen bewijs voor hebben. Het valt me op dat ze die discrepantie zelf niet zien. Ik signaleer dat en heb er ook wel met collega’s over gesproken. Maar voor hen is dat vanzelfsprekend.’

‘Je bent meer dan een machine
die wetenschappelijke output produceert’

Hoe ga je om met de geldingsdrang op de universiteit?
‘Er is inderdaad druk. Die uit zich vooral in de balans tussen werk en privé. Er zijn genoeg mensen die op zondag aan een artikel schrijven of alvast leeswerk doen. Ik probeer het weekend vrij te houden van werk. Ik vind hard werken niet erg en doe het met plezier, maar ik maak vanuit mijn geloof wel andere keuzes dan veel van mijn collega’s. Daarin kun je als christen ook een tegengeluid laten horen. Onlangs kwam er tijdens een conferentie een promovenda naar me toe die net gehoord had dat je alleen carrière kunt maken als je ook op zaterdag en zondag werkt. Ze vroeg me hoe dat bij mij zat. Ik antwoordde dat ik in het weekend andere dingen doe, zoals op zaterdag langs de lijn staan bij mijn kinderen en op zondag naar de kerk gaan.’

Ze denkt even na en dan verandert haar toon en klinkt er strijdlust door in haar stem. ‘Die druk om te publiceren en te scoren is extra voelbaar sinds Plasterk honderd miljoen weg heeft gehaald bij de universiteiten en aan de NWO (Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, die overheidsgeld over onderzoekers verdeelt) heeft gegeven. Sindsdien zitten we allemaal in die competitiemallemolen waarin je aanvragen moet doen. Je moet dan een verkoopverhaal schrijven waarin je jouw onderzoek aan de man brengt. Dat kost veel tijd en daar ga ik dus spaarzaam mee om.’

Jacqueline Evers-Vermeul: ‘Ik vind het tof als de gemeente functioneert als een gezin waarin iedereen meedoet. Ik denk dat het zo bedoeld is, dat iedereen wat doet.’ (beeld Jaco Klamer)

Jacqueline Evers-Vermeul: ‘Ik vind het tof als de gemeente functioneert als een gezin waarin iedereen meedoet. Ik denk dat het zo bedoeld is, dat iedereen wat doet.’ (beeld Jaco Klamer)

Ben je ambitieus?
‘Ik heb zeker de ambitie om hoogleraar te worden en zou het leuk vinden als ik dat uiteindelijk bereik. Als er een geschikte vacature langskomt, zal ik daar zeker op solliciteren. Maar het is niet zo dat mijn eigenwaarde daarvan afhangt. Ik zet er ook niet alles voor opzij. Sommige collega’s hoppen van universiteit naar universiteit om zo snel mogelijk carrière te maken. Dat doe ik niet. Ik weet wat ik kan, ik hoef me niet zo nodig te profileren. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’

Heb je het idee dat je tegen de stroom ingaat?
‘In mijn promotietijd, toen onze oudste geboren werd, werkte ik drie dagen per week. Dat was destijds tegen het systeem in, want de norm was om minimaal vier dagen te werken. Maar ik wilde er graag voor mijn kinderen zijn. En later wilde ik graag om drie uur op het schoolplein staan, of thuis zijn om met de kinderen te lunchen. Dus koos ik anders. Er zijn natuurlijk collega’s bij wie de carrière veel sneller op gang komt. Toch sta ik er qua carrière niet slecht voor. En nu de kinderen bijna gaan studeren, ben ik wel fulltime gaan werken.’

Jij begeleidt als universitair docent diverse promovendi. Wat vind je belangrijk in het contact met hen?
‘Ik vind het ontzettend leuk en boeiend om promovendi te begeleiden en te kijken hoe ik hen kan helpen om te groeien als mens en onderzoeker. Je trekt lang met hen op en dan krijg je ook mee wat er speelt in hun privéleven. Ik kies er bijvoorbeeld bewust voor om elke dag met anderen te lunchen. Dat klinkt simpel, maar geloof me, dat is het in mijn tak van sport absoluut niet. Ik zoek dat sociale contact wel op. Je bent immers als mens meer dan een machine die wetenschappelijke output produceert. Zo’n lunchmoment biedt de kans elkaar even te spreken over andere onderwerpen dan het werk.

Maar het zit ook in andere dingen. Zo had ik voor dit interview een promotie. Dan vind ik het leuk om namens de onderzoeksgroep iets gezelligs te halen, zodat je dit soort momenten ook echt met elkaar viert.’

Over je kerk: je gaat met je gezin naar De Lichtboog in Houten. Wat betekent deze kerk voor jou?
‘Ik vind de Lichtboog een fijne en levendige gemeente. We hebben de gemeente zien groeien van een paar honderd mensen naar tweeduizend nu. Ik ben vooral blij met de focus op Jezus en de ruimte voor initiatief. Je mag van alles oppakken, vanuit het principe: evalueren doen we achteraf. Dat vind ik qua cultuur heel prettig. Ik ken de gemeente van binnen en buiten. Ik heb er veel taken gedaan, ben onder meer jeugdouderling geweest en heb in de staf gezeten. Nu ben ik vooral actief in het kinderwerk.’

‘En dat op maandag de toiletten
schoongemaakt worden, is ook fijn’

Hoe lukt het je het om dat allemaal te combineren: gezin, werk, kerk?
‘Hahaha, nou ik heb veel energie. Daarnaast gaan veel dingen, zoals regelzaken, me makkelijk af. Bovendien vind ik veel leuk, en als iets je energie geeft, gaat het ook makkelijk. Ik heb altijd gezegd: als het thuis goed gaat – je hebt een stabiel huwelijk, je kinderen doen het goed en je hoeft bijvoorbeeld geen mantelzorg te verlenen – dan heb je ruimte om uit te delen. Zodra het thuis spaak loopt, wordt het lastiger. En ik ben gezegend met talenten. Maar het is ook een keuze. Waar een ander ’s avonds televisie kijkt, kruip ik nog even achter de computer of duik ik een vergadering in. En ik ga niet drie keer per week naar de sportschool, wat me inmiddels is aan te zien, hahaha!’

De keuzes die je maakt, je inzet voor de kerk, je zegt het allemaal alsof het niks is. Zo nuchter en vanzelfsprekend.
‘Ik ben ook nuchter. Je inzetten voor de kerk is voor mij vanzelfsprekend. Dat kan wettisch klinken, maar zo zit ik niet in elkaar. Wat ik bedoel: ik vind het tof als de gemeente functioneert als een gezin waarin iedereen meedoet. In onze kinderdiensten zijn bijvoorbeeld allerlei tieners actief. En ik coach twee tienermeiden om leiding te leren geven aan een kindernevendienst. Ik denk dat het zo bedoeld is, dat iedereen wat doet. De een zit achter de beamer, de ander doet het geluid, en de derde staat op het podium. Naar de laatste gaat vaak de meeste aandacht uit, maar we kunnen ook niet zonder diegene die al jaren het preekrooster maakt. En dat op maandag de toiletten schoongemaakt worden, is ook fijn.’

Is het belangrijk voor je om te benadrukken dat elke taak ertoe doet?
‘Ja. Ik probeer actief een cultuur van dankbaarheid te creëren. Dus als mensen zich hebben ingezet, dan loop je na de dienst even naar ze toe en bedank je hen. Ook de mensen die de koffie hebben gezet of de zaal hebben aangeveegd. Ik vind dat een belangrijke taak van de leiding: mensen laten merken dat je oog hebt voor wat ze doen en dat je hen waardeert.’

Delen.

Over de auteur

Annemarie van den Berg-Nap is journalist en cultureel antropoloog.

Laat een reactie achter