Groot is uw trouw, o Heer?

0

‘Dan is heel mijn brandweerverzameling eigenlijk voor niks!’ We rijden terug van het ziekenhuis naar huis. Met de verpletterende boodschap dat Harmen niet meer beter kan worden. Achterin zit hij zijn knopen te tellen. Tijdens zijn ziekte is hij brandweerman geworden met een heel scala aan brandweergadgets. Maar waarvoor eigenlijk? Zeven weken later is hij dood.

(beeld Chlorophylle Photography/Shutterstock)

(beeld Chlorophylle Photography/Shutterstock)

Het land van rouw is bezaaid met broken dreams en niet na te komen beloftes, kan ik als ervaringsdeskundige rustig zeggen. In 2007 overlijdt Harmen aan leukemie, hij is net 6 geworden en nog geen jaar ziek geweest. Zeven jaar later gaat Gera, zijn moeder, naar hem toe, nadat we nog maar vijf maanden daarvoor te horen hebben gekregen dat ze ALS heeft. Zij is 47 jaar. En behalve dat alle vooroordelen en angsten over deze rotziektes waar blijken te zijn, kom ik erachter: zo veel dromen, zo veel beloftes, ze komen niet meer uit. Alle trouw die we aan elkaar beloofd hebben, je kunt het niet nakomen. En het kan niet anders, ik vraag me ook af: hoe zit het dan met al die beloftes die God gedaan heeft? Hoe groot is zijn trouw eigenlijk? Wat nou God, ik een vrijgemaakt verbondsjongetje, grootgebracht met de gedachte dat U trouw blijft aan wat U belooft. Hoezo dan? Waar merk ik dat nog aan? U heet toch HEER met weet ik hoeveel hoofdletters? Ik ben, hebt U beloofd, zo heet U, zo bent U?

In mensen

Het land van rouw is ontzettend eenzaam. Je bent aan het verdwalen in het leven. Met vragen waar je niet uitkomt en waarbij je jezelf vaak in de weg loopt. Niets gaat gewoon meer. In je eentje moet je nu maar bedenken wat goed is voor je kids. De huur betalen van je parttime geestelijkverzorgerschap? Hoe dan? Op zaterdagmorgen vlucht je je bed uit, de natuur maar weer in, en je vindt jezelf terug tegen bomen aanschoppend in het Wulfse Bos. Je moet opnieuw terug naar huis, alleen.

Hij neemt het van me over

Maar tegelijk, vanaf het begin, zijn er mensen die met je mee wandelen op dat pad. Familieleden die kosten op zich nemen, luisterende oren die blijven luisteren, de overbuurvrouw die de strijk overneemt. Mensen die blijven. Ongelooflijk. Soms schoffeer je ze zelfs in je verdwaalde buien. Maar ze blijven.

En langzaam dringt tot me door: dit is hoe mijn God zich laat zien. In deze mensen. Zo maakt Hij zijn belofte waar dat Hij zich over mij wil ontfermen. In een nieuwe verwarrende liefde die tot een huwelijk groeit. Haar armen zijn Gods armen. Ik had een goede preek van een collega nodig om dat te ontdekken. Een preek over Ruth, die zich mag vlijen onder de vleugels van Boaz. Zijn bescherming is Gods bescherming. Zijn vleugels zijn Gods vleugels. God is in ogen die naar je kijken, in voeten die met je mee wandelen, in armen die je vasthouden.

In mij

‘God, lege handen, hier zijn ze. Leeg, ik kan niet meer, ik wil niet meer. Doet U het dan maar!’ Ik zit in de kapel op mijn werk. Begin van de dag. Het hoeft voor mij niet meer. En ik roep het steeds achter elkaar. Dat mijn handen leeg zijn en dat de Heer het dan maar moet doen. Op ben ik. En dan, opeens, verzekert Hij me: ‘Dat doe Ik, Ik vul je handen.’ Vraag me niet hoe ik het hoor, voel of zie. Ik kan niet beschrijven welke zintuigen precies gebruikt worden. Maar dat het zo is, weet ik onomstotelijk: Hij neemt het van me over.

Leeg

De Heer gaat ongedachte wegen. Hij laat zien dat Hij in mijn medemensen aanwezig is. Maar Hij laat mij ook merken, juist op het moment dat ik het diepst zit, dat Hij heel rechtstreeks in mij werkt. Grootgebracht in de leer dat de Geest allereerst werkt door het Woord, ervaar ik dat Hij dwars door mij heen breekt en mij persoonlijk oppakt. Hij laat voelen dat Bijbelse woorden over dat Hij in mij woont dus heel basaal zijn. Hij spreekt dwars door mij heen. Waar Hij is? Precies zoals Hij beloofd heeft, diep in mij. Maar ik moet eerst leeg zijn, voordat ik het echt kan voelen.

Een ongedachte weg inderdaad voor mij. Omdat het niet gaat zoals ik dacht dat God zou werken. Maar ook ongedacht, omdat het geen leuke weg is om te ontdekken. Dat je eerst alles moet opgeven, niets meer kunt, voordat God er is. Dat je kapot moet gaan om te beginnen met helen. Niet helemaal hoe ik voor me zag dat God zijn beloftes aan mij zou vervullen.

Abc’tje

Er is maar één antwoord, zegt Paulus in 1 Korintiërs 1:20, op alle beloftes die God gedaan heeft. Dat is zijn Zoon. Jezus Christus is Gods ja en amen op alles wat Hij zelf voorgespiegeld heeft. Gods trouw merk je in het feit dat Hij zijn eigen Zoon geeft.

Dat is voor mij een abc’tje vanaf het begin van mijn leven. Maar nu God andere lijnen in mijn leven trekt dan ik zelf dacht, krijgt dit ja en amen van God ook een andere kleur. Waarschijnlijk is het ook niet gek. Als je je eigen kind niet kunt vasthouden in deze wereld, ga je anders aankijken tegen het feit dat God zijn eigen Zoon heeft gegeven.

Hij laat zich zien in mensen

Er zijn zo veel antwoorden gegeven op de vraag waarom God dat gedaan heeft. Waarom moest God mens worden? Wat betekent de kruisiging? Moet je letten op rechtvaardiging door de dood? Of moet je letten op Christus’ triomfator zijn? Of… Zo veel antwoorden. En allemaal even waar. Maar alleen al het feit al dat God het doet, zijn eigen Zoon weggeven, ons zo liefhebben dat Hij zijn eigen kind eraan geeft, wat dat dan ook precies betekent. En van welke eeuwige raad van God dat dan ook precies besloten mag zijn. Alleen al de daad van liefde zelf maakt me duidelijk: Hij wil, Hij kan niet anders dan met ons zijn.

Gat

Voor mij is minder belangrijk geworden wat het nu precies betekent. Maar dat het gebeurd is, dat God zich midden in de wereld begeeft, dat Hij zijn Zoon mens onder de mensen heeft laten worden, dat is mij genoeg. Hij laat zich zien in mensen, Hij laat zich zien, diep in mijn wereld. Dat is een basis die ik erg nodig heb gekregen. Want laat ik het niet mooier maken dan het is. God trekt dan wel ongedachte wegen in mij, maar dat betekent niet dat ik nu de eeuwige vrede te pakken heb. Opeens duik ik weer zo’n gat in en openbaart God zich niet rechtstreeks aan mij. En ik maak het jammer genoeg mee dat er op tijden dat ik het niet meer zie zitten, niet iemand naast mij is die het met me draagt of overneemt. Ik heb geen vredevol, altijd diepgelovig, vertrouwend leven gekregen. En, dat is het ergste, zelf ben ik sinds die heftige tijden ook vaak genoeg weer iemand geweest die zijn belofte niet waargemaakt heeft. Die niet daar was waar ik wel moest zijn. Wat heb ik het dan nodig om terug te vallen op: het is waar en zeker gebeurd, Gods ja en amen. Ik voel het niet. Maar geloof het dan toch maar: God zal trouw blijven.

‘Marten, voordat ik dood ben, zal ik je het allemaal uitleggen, dat beloof ik je!’ Tierend loop ik in mijn gezin rond. Het overvalt me met steeds heftiger kracht: het gaat nog veel sneller dan we dachten. We hebben niks geregeld en heel de administratie is in haar handen, dat zijn haar gaven. Hoe moet dat straks? Maar Gera sust me, ze zal niet verdwijnen voordat we het samen doorgenomen hebben. Die belofte moet ze nog altijd waarmaken, want anderhalve dag later duikt ze een coma in en nog een dag later is ze dood.

Dit artikel krijg je cadeau van ons. Probeer magazine OnderWeg drie maanden gratis. Meld je aan voor een Proefabonnement (Digitaal of Papier Plus).

 

Delen.

Over de auteur

Marten Tel is geestelijk verzorger in de ouderenzorg bij BrabantZorg te Ammerzoden.

Laat een reactie achter