Frans Schippers: ‘Ik weet niet of ik alles wel wil snappen’

Embert Messelink | 4 januari 2020
  • Eyeopener
  • Interview

Brandweercommandant Frans Schippers is sinds afgelopen november de nieuwe voorzitter van de Landelijke Vergadering van de NGK. ‘Ik vind het belangrijk dat we het eenwordingsproces zo doormaken dat we niet opnieuw verdeeld raken, dat er geen ongeduld of onbegrip ontstaat.’

Frans Schippers (60) is directeur van de veiligheidsregio Kennemerland en brandweercommandant. In die functie is hij verantwoordelijk voor een organisatie van negenhonderd mensen. Sinds begin november 2019 is hij ook de nieuwe voorzitter van de Landelijke Vergadering van de NGK. Schippers heeft een synodaal-gereformeerde achtergrond en werd in de jaren negentig in Amstelveen Nederlands-gereformeerd. Hij groeide op in Papendrecht en woont alweer jaren in Heemstede. Hij is getrouwd met Cobie, met wie hij twee kinderen en twee pleegkinderen heeft.

In zijn huis in Heemstede vertelt Frans dat hij graag actief is, maar dat hij niet gevraagd heeft om het voorzitterschap van de Landelijke Vergadering. ‘Ik heb een vol pakket, dit komt er nog bij. Ik ben gewend dingen vooruit te plannen. Dat gaat nu even niet, de uitdaging is mijn werkritme weer te normaliseren.’ En geruststellend: ‘Dat gaat ook wel lukken, maar het heeft even tijd nodig.’

Waarom heb je deze klus aangepakt?
‘Ik zat al in het vorige moderamen en dacht: ik teken nog een keer bij. De volgende vraag was wie de voorzitter zou worden. Ik heb vier mensen gevraagd, maar kreeg vier keer nee te horen. Gaandeweg kreeg ik het gevoel: moet ik het zelf misschien doen? Hoe zou God daarover denken? De overtuiging groeide: ik moet het doen. De eerste zitting was in november. Spannend, ik had het nooit gedaan. Maar ik merkte: ik doe het niet alleen, God is erbij. Dat was een grote geruststelling voor me.’

Je komt van oorsprong uit de synodaal-gereformeerde kerk. Hoe ben je opgegroeid?
‘Ik kom uit Papendrecht, ik was de derde van zeven kinderen. Mijn vader was huisarts met apotheek aan huis, mijn moeder werkte mee. Ik groeide op met een gezonde Rotterdamse mentaliteit, er werd aangepakt. Als tiener was ik voorzitter van de jeugdkerkenraad, die mocht adviezen uitbrengen aan de kerkenraad en meepraten.

In die jaren kwam ik in aanraking met koffiebar De Schor, opgericht door jongeren van verschillende kerken. Vier jaar heb ik daar intensief meegedaan en ik ontmoette Cobie daar. Het was een vormende tijd, ik ging serieuzer de Bijbel lezen, ontmoette veel andere jongeren en we hadden mooie gesprekken. We zongen andere liederen en ons gebed kreeg de vorm van een kringgebed.’

‘Er zit onvermijdelijk een grote snelheid
en traagheid in de brandweer’

En brandweer worden, de droom van iedere jongen, zat dat er al vroeg in?
‘Nee, ik had een andere droom, hoewel ik in Papendrecht al bij de jeugdbrandweer zat. Maar ik was toen bevriend met een spastische jongen en ik wilde iets gaan ontwikkelen waardoor hij beter kon functioneren. Technische instrumenten bijvoorbeeld. Ik had begrepen dat je daarvoor fysische techniek moest studeren. Daarom ging ik de hts doen. In het tweede jaar schreef ik een brief naar Het Dorp, de woongemeenschap voor mensen met een beperking in Arnhem. Daar wilde ik graag stage lopen. Maar ik kreeg een teleurstellende brief terug: als je op dit vlak iets wilt, had je de lts moeten doen.

Ik stond toen in dubio over de vraag hoe nu verder. Een instructeur bij de jeugdbrandweer vroeg me of ik weleens gedacht had aan een opleiding tot brandweerofficier. Ik solliciteerde en het bleek heel goed bij me te passen. Als ik nu terugkijk, denk ik: God heeft ons op een mooie manier geleid in ons leven. Dit is een vak dat bij me past. Ik ben hulpverlener, ik help graag mensen. En ik ben ook een organisator, ik beteken graag op die manier iets voor mensen.’

Hoe belandden jullie in de NGK?
‘Toen we in Amstelveen woonden, bezochten we eerst de hervormde gemeente, maar deze paste niet bij onze geloofsbeleving. In onze oriëntatie stuitten we op de NGK. We zijn er met open armen ontvangen en op allerlei manieren actief geweest.

In die jaren hebben we ook twee pleegkinderen in huis genomen, twee jongens. De een was iets ouder dan onze kinderen, de ander jonger. De oudste maakte een heftige puberteit door en heeft zich niet goed aan ons kunnen hechten. Toen hij 18 was, ging het niet meer en heeft hij een andere plek gekregen. Een half jaar later stond hij overigens weer op de stoep, sindsdien is de relatie weer goed. Intussen staan alle kinderen op eigen benen.’

(beeld Jaco Klamer)

(beeld Jaco Klamer)

Je geeft nu leiding aan de veiligheidsregio in Heemstede en de brandweer. Dat lijkt me nogal een andere bestuurlijke omgeving dan de kerk.
‘Veel mensen denken dat de brandweer erg hiërarchisch is, maar dat is helemaal niet zo. Commando’s zijn niet vaak nodig. We hebben zelfbewuste mensen die wat kunnen en weten wat hun taak is. De brandweer is wel een aparte organisatie: als er niks aan de hand is, zijn we in rust. Er zit onvermijdelijk een grote snelheid en traagheid in de brandweer. Er wordt eindeloos overlegd over de betrouwbaarheid van het gereedschap en er wordt heel snel gereageerd tijdens calamiteiten. Een deel bestrijdt branden, een deel werkt om branden te voorkomen. Die verschillende stijlen en werktempo’s vormen een paradox die bij de brandweer hoort.’

Heb je die twee verschillende kanten zelf ook?
‘Ik kan een crisis prima managen. Als het spannend wordt, kan ik rust brengen en weet ik wat ik moet doen. En ik heb inderdaad ook een pastorale kant: ik weet wat er nodig is om op een andere manier dingen voor elkaar te krijgen. Die zachte kant is in mijn werk overigens steeds harder nodig om dingen voor elkaar te krijgen.’

Welke vorm van leiderschap past bij je?
‘Ik wil een dienend leider zijn. Ik heb ooit een reorganisatieplan gemaakt waarin ik mezelf helemaal onderin had gezet. Ik wilde duidelijk maken dat ik er was om hun werk mogelijk te maken. In de kerk ben je ook dienend. Er zijn natuurlijk verschillen tussen werk en kerk. In de kerk gaat het erom dat God van ons houdt en wij van God. Dat is alles. Dat vraagt dat je soms meer moet incasseren. Het is in de kerk moeilijker om te zeggen: nu is het einde discussie.’

Wat zijn de moeilijkste momenten die je in je werk hebt meegemaakt?
‘Ik heb de cellenbrand op Schiphol meegemaakt en de vliegramp met Turkish Airlines. Maar het meest ingrijpend was het verlies van een man van mijn korps. Hij kwam in Harderwijk om het leven, waar hij ook vrijwilliger was. Dat was diep ingrijpend. Brandweermensen zeggen wel dat het verlies van een familielid minder erg is dan het verlies van een collega. De organisatie was van slag terwijl het werk moest doorgaan. Ik heb toen vooral op mijn intuïtie gewerkt, mensen gedwongen om hulp te aanvaarden. Als leidinggevende heb ik duidelijk gemaakt dat iedereen eigen manieren heeft om met verdriet om te gaan. Ik merkte toen dat ik veel kon betekenen. God heeft me hier geplaatst, dat geloof ik echt.

Datzelfde heb ik ervaren in het begeleiden van begrafenissen van brandweerlieden die met korpseer werden begraven. Ik heb tien jaar leidinggegeven aan een landelijk team dat die verantwoordelijkheid had. In die tien jaar hebben we veertien collega’s moeten begraven. Dat zijn zeer emotionele gebeurtenissen. Tegelijk wil je het perfect voor elkaar hebben.’

‘De nieuwsgierigheid naar de kerk van de toekomst
mag wel een graadje steviger in de kerken’

De komende Landelijke Vergadering gaat voor een groot deel over de eenwording van NGK en GKv. Ken je alle gevoeligheden wel met je synodaal-gereformeerde achtergrond?
‘Ik heb heel veel verhalen gehoord. Ik kan me inleven in wat er is gebeurd, hoe pijnlijk het is. En ik kan dus blij zijn met hereniging en herenigde families. Tegelijk heb ik enige afstand, ik ben niet zelf geraakt. Soms denk ik: ik weet ook niet of ik alles wel wil snappen. Dat zie ik ook bij nieuwe generaties. Ze hebben hier niet of nauwelijks mee te maken gehad. Maak het in orde, zeggen ze, dan kunnen we weer met belangrijkere zaken aan de slag.’

Wat zijn de uitdagingen in het proces van eenwording?
‘Ik sta enerzijds met verwondering te kijken hoe het gaat, echt in positieve zin. De Regiegroep die het proces van eenwording begeleidt, doet geweldig werk. Er liggen nu een verlangendocument, een mooi rapport van de regiegroep en een concept-kerkorde.

Anderzijds denk ik dat er nog uitdagingen in het proces zitten. Op de kerkorde hebben gemeenten hun visie kunnen geven. Ze konden ook reageren op het verlangendocument, maar dat was vrijblijvender. Terwijl ik het juist belangrijk vind dat we ook over de toekomst nadenken. Wat is ons gezamenlijke verlangen? Willen we dat alles vooral in de plaatselijke kerken gebeurt? Willen we een overwegend missionaire kerk worden? Willen we ons vooral in diaconaal werk onderscheiden? Als we over dat soort vragen praten, zetten we samen een stip op de horizon die verder gaat dan hereniging. Dan kunnen we elkaar aanspreken op een visie die richting geeft voor de toekomst.

De zoektocht is: hoe voer je het goede gesprek daarover met elkaar? We gaan als moderamen nu eerst achterhalen hoe dit in de NGK ligt. We willen nog beter voelen wat er speelt, waar we voor staan. Zijn de kerken echt aan boord? Ik vind het belangrijk dat we dit proces zo doormaken dat we niet opnieuw verdeeld raken, dat er geen ongeduld of onbegrip ontstaat.’

Is dat nodig: een visie voor de kerk? We hebben toch allemaal dezelfde opdracht van Jezus gekregen?
‘Maar die opdracht kan nieuwe vormen krijgen. Ik zie dat 40-plussers de meeste lokale kerken organisatorisch trekken. De generaties daaronder denken heel anders over kerk-zijn. Dat betekent dat we onszelf misschien opnieuw moeten uitvinden. De nieuwsgierigheid naar de kerk van de toekomst mag wel een graadje steviger in de kerken. Hoe houden we de volgende generaties bij ons? Wordt de kerk netwerkachtig? Is het erg dat de kerk fragmenteert? Durven we te experimenteren? Durven we serieuze verschillen toe te laten en toch samen te gaan?’

Als ik je goed beluister, is dat wat je wilt?
‘Ja, wat mij betreft moet in de toekomstige kerk ruimte ingebakken zijn voor serieuze verschillen. Jezus had twaalf discipelen die allemaal heel verschillend waren. Dat is een prachtig model voor kerk zijn.’

In de volgende Ontmoeting een gesprek met Melle Oosterhuis, synodevoorzitter van de GKv.

Over de auteur
Embert Messelink

Embert Messelink is zelfstandig tekstschrijver.

Hopen tegen wil en dank

Hopen tegen wil en dank

Arie Kok
  • Interview
  • Thema-artikelen
Zal er ooit een dag van vrede zijn?

Zal er ooit een dag van vrede zijn?

Peter Hommes
  • Opinie
  • Thema-artikelen

Reageer op dit bericht

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief