Meer lichaam in de liturgie

0

‘Dit is een jammerklacht.’ Zo begon kerk-redacteur Gerard ter Horst in het Nederlands Dagblad afgelopen najaar (11/10/2019) zijn openhartige essay over de protestantse kerkdienst. Hij voelt vervreemding van de eigen traditie die hij zo liefheeft. Hij constateert te veel woord, te veel passiviteit, te weinig stilte en zelfs te weinig God. Zijn klacht resoneert bij mij, en dan met name op de functie van ons lichaam in de kerkdienst.

Ter Horst noemt het niet expliciet, maar het klinkt door op de achtergrond van zijn klachten. Het meest duidelijk op het punt van de passiviteit en het verbale karakter van de kerkdienst. Maar ook in zijn verlangen naar God en naar de stilte. De Amerikaanse christelijk filosoof James K.A. Smith pleit al jaren voor meer lichaam in de kerkdienst. In zijn belangrijke boek Desiring the Kingdom (Baker, 2008) zet hij dit scherp neer. Met een beroep op Augustinus, ook herkenbaar in zijn recent vertaalde Je bent wat je lief is (KokBoekencentrum, 2019), bepleit hij een blik op de mens als verlangend wezen en niet als denkend, rationeel wezen. We zijn niet als die speelgoedpoppetjes met een groot hoofd en een klein lichaam, ‘denkende dingen’. We zijn geen hersenen met oren, maar hebben ook een neus, een tong, handen en ogen. Als God ons zo heeft gemaakt, waarom negeren we dat dan in de kerkdienst?

Ambigue

De manier waarop we in onze cultuur met ons lichaam omgaan, is ambigue. We zorgen enerzijds goed voor ons lichaam. Sportscholen zijn de buurthuizen van onze tijd, hoorde ik laatst iemand zeggen. Als ik op zondagochtend naar de kerk fiets, is het niet stil op straat: hardlopers en bootcampers zijn al in de weer. Aan de andere kant vormt juist deze adoratie ook onze worsteling. Juist onder jonge mensen komt een burn-out veel voor. En de oorzaak is vaak: niet luisteren naar je lichaam en te veel in je hoofd zitten. Hier ligt een kans voor de kerk om te laten zien dat we met ziel én lichaam toebehoren aan Christus.

We zijn geen hersenen met oren

Onze protestantse traditie is, binnen de brede traditie van de kerk, een wat vreemd eiland van rationele woordkerkdienst. De liturgie van de Rooms-Katholieke en Oosters-Orthodoxe tradities is ‘lichamelijker’. Denk alleen al aan de wekelijkse viering van de eucharistie: volop lichaam en – meer dan de preek – de essentie van de dienst. De beelden en iconen in deze kerken zetten je ogen aan het werk. Ook in pinksterkerken ligt een sterk accent op lichamelijkheid. Dansen, vallen, geheven handen, gebed met aanraking, zwaaiende vlaggen: het hoort erbij. Ook het gebed om lichamelijke genezing is in deze kerken heel normaal.

Veranderen

De vraag dringt zich op of er dan geen theologische verschillen liggen onder deze verscheidenheid. We hadden toch met reden afscheid genomen van beelden en iconen? En in de pinksterbeweging gaat toch ook nogal eens wat mis? Het zijn terechte vragen, die een antwoord nodig hebben. Maar ondertussen kunnen we in alle vrijmoedigheid alvast een paar zaken veranderen in onze liturgie die helemaal in lijn zijn met de gereformeerde traditie. Want onze diensten hebben minder ‘lichaam’ dan de reformatoren wilden. Ik doe een viertal suggesties.

1. Vier vaker avondmaal

Jezus zei: ‘Wie mijn vlees kauwt en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven’ (Johannes 6:54, eigen vertaling). De woorden zijn zo plastisch mogelijk: vlees, als in een kippenpootje en kauwen als een koe in de wei. Bij de Emmaüsgangers in Luas 24 gaan de ogen van de leerlingen pas open als Jezus het brood breekt (vers 30-31). Luther en Calvijn schaften de wekelijkse viering niet af. Het avondmaal is het lichamelijke hart van de kerkdienst, al vanaf de vroege kerk. Als we het brood zien, in de benen komen, proeven en ruiken, komt Christus’ genade dubbel binnen, niet alleen in het hoofd, maar ook in de mond. In de Oosterparkkerk waar ik voorganger ben, vieren we het al jaren maandelijks en we spreken nu over tweewekelijks of misschien zelfs wekelijks.

2. Kniel

Het knielen is nooit bewust afgeschaft. Het is ergens in de 17e eeuw in Nederland in onbruik geraakt, vooral om praktische redenen. Heel jammer. Knielen laat je voelen dat er iemand aanwezig is die groter is dan jij. In de Oosterparkkerk hebben we nu een aantal keer geknield, bij de schuldbelijdenis of bij het kyriegebed aan het begin van de dienst. Het is wat ongemakkelijk op de harde grond, maar het kan. Gewoon proberen. Eventueel kun je de inrichting aanpassen, met bankjes of kussentjes. Bij ons staat dit op de wensenlijst voor de op handen zijnde verbouwing. Een andere optie is om geknield het avondmaal te ontvangen zoals in veel protestantse kerken in Groot-Brittannië gebeurt. Bij een gaande viering ga je naar voren, je knielt en houdt je handen op om het brood te ontvangen. Je hebt dan voorin een brede knielbank nodig waar een aantal mensen tegelijk kunnen knielen.

3. ‘Vader, met geheven handen’

Als ik het durf, afhankelijk van waar ik ben, hef ik mijn handen omhoog. Ik vind dat heerlijk en verlang er soms naar om de lof aan God niet alleen te zingen, maar ook met mijn lichaam te uiten. Het is jammer dat dit gebaar een statement is geworden, een erfenis uit onze moeizame relatie met de evangelische beweging. Het is hoog tijd om dat we daar, als volwassen kerk, normaal mee om leren gaan. Het zou mooi zijn als vrije lichamelijke expressie iets gewoons wordt, maar iets dat mag maar niet hoeft. Zoals het bij veel evangelische kerken al werkt.

4. Wees je bewust van de ruimte

De ruimte waar je samenkomt, vertelt een verhaal. Een neutrale ruimte bestaat niet. De kansel staat in onze traditie altijd in het middelpunt, geflankeerd door de tafel en doopvont en de ambtsdragers in aparte banken. Tegenwoordig willen we de gemeenschap benadrukken: we zetten de stoelen in een cirkel, want iedereen is gelijk. De dominee gaat de kansel liever af en de band staat op het podium. Het is iets om over na te denken: wat is de theologie van de opstelling van de kerkzaal? Wat of wie vertegenwoordigt de Heilige?

Dit artikel komt uit nummer 4 van magazine OnderWeg (15 februari 2020), een inspirerend magazine voor christenen die God en de kerk liefhebben en midden in het leven staan. Neem een gratis Proefabonnement (Digitaal of Papier Plus).

Delen.

Over de auteur

Marinus de Jong is predikant van de Oosterparkkerk (GKv) in Amsterdam en verbonden aan het Neo-Calvinism Research Instituut aan de Theologische Universiteit Kampen.

Laat een reactie achter